- Arrest van 6 december 2013

06/12/2013 - C.12.0245.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De eiser tot herstel dient het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de fout en de schade zoals ze zich heeft voorgedaan; dat verband veronderstelt dat de schade zich zonder die fout niet op dezelfde wijze had kunnen voordoen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0245.F

ETHIAS VERZEKERINGEN nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. C.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 14 mei 2009.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan, waarvan het tweede gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1147, 1149, 1150, 1151 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek.

- de artikelen 807, 870 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.

- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd.

- algemeen beginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat beslist dat de vorige raadsman van de verweerster zijn voorlichtings- en adviesplicht niet is nagekomen, veroordeelt vervolgens de eiseres, in haar hoedanigheid van verzekeraar van diens beroepsaansprakelijkheid, om aan de verweerster een bedrag van 4.000 euro (redenen van het arrest) of 5.000 euro (dictum) te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de dagvaarding en de kosten, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en meer bepaald om de volgende redenen:

"Evenwel is niet met zekerheid aangetoond dat [de verweerster], indien zij beter was voorgelicht, niet dezelfde dading zou zijn aangegaan ;

[De eiseres] merkt terecht op dat er, samen met die dading, een akkoord werd bereikt over de huisvesting van M., waardoor de heer V. afzag van zijn vordering tot beurtelingse huisvesting; dat andere akkoord heeft zonder de minste twijfel een weerslag gehad op het standpunt van [de verweerster];

[De verweerster] gaat ten onrechte ervan uit dat zij het bedrag van 23.000 euro, dat zij in handen van notaris L. heeft doen blokkeren, had kunnen verkrijgen, evenals de interest op dat bedrag tegen de wettelijke interestvoet, de kosten van het bewarend beslag en de kosten van verdediging;

Haar schade bestaat in het verlies van de kans om de dading niet aan te gaan en om het geschil over de vermogensrechtelijke gevolgen van het einde van het samenleven aan het gerecht voor te leggen, met de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en het risico om in het gelijk dan wel in het ongelijk te worden gesteld ;

Dat verlies van een kans wordt, gelet op de grote verscheidenheid van beslissingen in die materie en gelet op de hierboven omschreven elementen, naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van 4.000 euro [...] ;

Aangezien het een vordering betreft die gegrond is op een contractuele tekortkoming, is de interest verschuldigd vanaf de datum van ingebrekestelling, te weten, in dit geval, het exploot van de dagvaarding tot inleiding van het geding in eerste aanleg".

Grieven

De verweerster heeft in haar conclusie in hoger beroep niet aangevoerd dat haar schade bestond in het verlies van de kans om het geschil betreffende de vernietiging van de dading wegens benadeling aan het gerecht voor te leggen. Zij heeft aangevoerd dat haar schade hierin bestond dat zij de dading was aangegaan en ze heeft de veroordeling gevorderd van de eiseres tot betaling van een bedrag van 23.000 euro, wat neerkomt op 20 pct. van het bedrag waarvoor de heer V. het pand heeft verkocht, d.i. 32.000 euro min 9.000 euro, het bedrag dat in het kader van de dading is ontvangen.

Eerste onderdeel

Krachtens de artikelen 1147, 1149, 1150, 1151 en 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, dient de eiser tot herstel aan te tonen dat het oorzakelijk verband tussen een contractuele fout en de schade vaststaat; dat verband veronderstelt dat de schade zich zonder die fout niet op dezelfde wijze had kunnen voordoen.

De rechter kan de degene die een fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de werkelijk geleden schade indien hij beslist dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade.

De vordering van de verweerster strekte tot vergoeding van de schade die zij gele-den had door de dading die haar raadsman haar had aangeraden te aanvaarden en tot veroordeling van de eiseres, die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van laatstgenoemde verzekerde, tot betaling van een bedrag van 23.000 euro, wat overeenkomt met haar aandeel in de verkoopprijs van het pand, na aftrek van 9.000 euro die zij ontvangen had in het kader van de dading; de schade van de verweerster bestaat dus niet in het feit dat zij een kans verloren heeft om de dading niet te ondertekenen maar in de gevolgen van die dading.

Het arrest, dat oordeelt dat "niet met zekerheid is aangetoond dat [de verweerster], indien zij beter was voorgelicht, niet dezelfde dading zou zijn aangegaan", beslist vervolgens dat de "schade [van de verweerster] bestaat in het verlies van de kans om de dading niet aan te gaan en om het geschil over de vermogensrechtelijke gevolgen van het einde van het samenleven aan het gerecht voor te leggen". Het arrest beslist zodoende dat de mogelijkheid bestaat dat de schade zich zonder de fout niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan en sluit geenszins uit dat de schade zich zonder de fout op dezelfde wijze had kunnen voordoen. Het verantwoordt niet wettig zijn beslissing om de eiseres te veroordelen tot betaling, aan de verweerster, van een bedrag van 4.000 euro (schending van de artikelen 1147, 1149, 1150, 1151, 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Ge-rechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

De verweerster heeft bij het hof van beroep een geheel van feiten aanhangig gemaakt waaruit zij afleidde dat zij de dading, zonder de fout van de verzekerde van de eiseres, niet was aangegaan ; [de verweerster] vorderde de vergoeding van de schade die was veroorzaakt door het aangaan van die dading, d.w.z. de vergoeding van ontstane schade. Het arrest, dat beslist dat de schade van de verweerster "bestaat in het verlies van de kans om de dading niet aan te gaan en om het geschil over de vermogensrechtelijke gevolgen van het einde van het samenleven aan het gerecht voor te leggen, met de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen en het risico om in het gelijk dan wel het ongelijk te worden gesteld", wijzigt het voorwerp van de vordering en schendt zodoende de artikelen 807 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en miskent het daarin vastgelegde beschikkingsbeginsel ; het arrest, dat de vordering ambtshalve wijzigt zonder de heropening van de debatten te bevelen, miskent op zijn minst het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Degene die schadevergoeding vordert dient het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de fout en de schade, zoals ze zich heeft voorgedaan; dit verband veron-derstelt dat, zonder de fout, de schade niet had kunnen ontstaan, zoals ze zich heeft voorgedaan.

De rechter kan degene die een fout heeft begaan niet veroordelen tot vergoeding van de schade indien hij beslist dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzake-lijk verband tussen de fout en die schade.

De vordering strekt tot vergoeding van de schade die is veroorzaakt door de da-ding, waarbij de verzekerde van de eiseres verweten wordt dat hij de verweerster foutief aangeraden heeft die dading te aanvaarden.

Het arrest, dat oordeelt dat "niet met zekerheid is aangetoond dat [de verweer-ster], indien zij beter was voorgelicht, niet dezelfde dading zou zijn aangegaan", sluit noch om die reden noch om gelijk welke andere reden uit dat de schade zich zonder de fout op dezelfde wijze had kunnen voordoen.

Het arrest, dat beslist dat "de schade [van de verweerster] bestaat in het verlies van de kans om de dading niet aan te gaan", verantwoordt derhalve niet naar recht zijn beslissing om de eiseres te veroordelen tot vergoeding van de door de verweerster aangevoerde schade.

Het onderdeel is gegrond.

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel van het eerste mid-del of van het tweede middel, die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het het hoger beroep en de vordering van de verweerster tegen de eiseres gedeeltelijk gegrond verklaart, het haar ver-oordeelt om aan de verweerster het hoofdbedrag van vijfduizend euro te betalen en het uitspraak doet over de kosten tussen die partijen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 december 2013 uit-gesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Contractuele aansprakelijkheid

  • Voorwaarde

  • Oorzakelijk verband

  • Bewijslast