- Arrest van 10 december 2013

10/12/2013 - P.13.0691.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beoordeling door het onderzoeksgerecht van de duur van het gebruik van valse stukken betreft het bestaan zelf van het ten laste gelegde feit en behoort tot de onaantastbare beoordeling van het bestaan van voldoende bezwaren, zodat het onderzoeksgerecht de conclusie van de inverdenkinggestelde die de duur van dat gebruik betwist, beantwoordt door op die datum het bestaan van bezwaren vast te stellen; op het onderzoeksgerecht rust geen ruimere verplichting om op dat punt de conclusie te beantwoorden (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0691.N

I

M S G B,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie te Gent,

II

1. F J B F C S,

inverdenkinggestelde,

eiser,

2. BDO ATRIO BEDRIJFSREVISOREN cvba, met zetel te 1935 Zaventem, Da Vincilaan 9, Box E 6, Elsinore Building - Corporate Villa,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

beiden vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6,

III

J F C,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, advocaten bij de balie te Brussel,

IV

1. R J G T,

inverdenkinggestelde,

eiser,

2. R T & CO bvba,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

beiden met als raadsman mr. Paul Depuydt, advocaat bij de balie te Brussel, te-vens met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel,

V

H J F S,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Marc Van Passel en mr. Inge De Haes, advocaten bij de balie te Antwerpen, tevens met als raadslieden mr. Eliane Heynderickx en mr. Vincent Verlaeckt, advocaten bij de balie te Dendermonde,

VI

H R R,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, advocaten bij de balie te Brussel, tevens met als raadsman mr. Chris Declerck, advocaat bij de balie te Kortrijk,

alle cassatieberoepen tegen

1. Luk OBBELS, met kantoor te 2560 Nijlen, Bouwelsesteenweg 4 B,

2. Robert VANOSSELAER, met kantoor te 2800 Mechelen, Veemarkt 37/A 2,

3. Carl KEIRSMAEKERS, met kantoor te 2800 Mechelen, Veemarkt 37/ A 2,

4. Yves MERTENS, met kantoor te 2800 Mechelen, Grote Nieuwedijk-straat 417,

allen in hun hoedanigheid van curatoren van de faillissementen van SEGHERS BETTER TECHNOLOGY GROUP nv, SEGHERS BETTER TECHNOLOGY FOR WATER nv, SEGHERS BETTER TECHNOLOGY FOR SOLIDS AND AIR nv en SEGHERS BETTER TECHNOLOGY FOR SERVICES + MACHI-NERY nv,

burgerlijke partijen,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/3002, waar de verweerders woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 maart 2013.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

De eisers III en VI voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie gelijk-luidende middelen aan.

De eisers IV voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest oordeelt dat het gerechtelijk onderzoek volledig is en dat geen bijkomend onderzoek dient te worden bevolen. Het oordeelt ook over de bezwa-ren en verwijst de eisers op die grond naar de correctionele rechtbank voor straf-bare feiten. Dit zijn geen eindbeslissingen noch uitspraken als bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

2. Het arrest stelt de eisers II.1 en II.2 buiten vervolging voor de telastleggin-gen H.IV a, b en c. Die eisers hebben geen belang op te komen tegen die beslis-sing.

3. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen niet ont-vankelijk.

Eerste middel van de eiser I

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek, de artike-len 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 135, § 3, en 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de verja-ring van de strafvordering is aangevangen op 27 oktober 2003, zonder vast te stel-len dat na de datum van het faillissement van de vennootschappen op 13 septem-ber 2002, er nog steeds sprake was van het gebruik van valse stukken dat een an-der bleef misleiden of schaden en aldus de door de vervalser gewenste uitwerking bleef hebben; het arrest beantwoordt evenmin eisers desbetreffende verweer.

5. Het onderzoeksgerecht beoordeelt in feite de dag waarop het misdrijf ein-digt en dus de verjaring van de strafvordering begint te lopen. Die beoordeling is slechts voorlopig, aangezien het aan het vonnisgerecht staat de datum van het misdrijf eventueel te verbeteren, rekening houdend met het onderzoek op de rechtszitting.

6. De beoordeling door het onderzoeksgerecht van de duur van het gebruik van valse stukken betreft het bestaan zelf van het ten laste gelegde feit en behoort tot de onaantastbare beoordeling van het bestaan van voldoende bezwaren. Bijgevolg beantwoordt het onderzoeksgerecht de conclusie van de inverdenkinggestelde die de duur van dat gebruik betwist, door voor de datum van het laatste gebruik van de valse stukken, het bestaan van bezwaren vast te stellen.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat op het onderzoeksgerecht een ruimere verplichting rust om op dat punt de conclusie te beantwoorden, faalt het naar recht.

7. Het arrest oordeelt: "Het nuttig gevolg van de beweerdelijk valse stukken heeft voortgeduurd tot 27 oktober 2003, dit is de datum waarop de bevindingen van de door de curatoren aangestelde deskundigen bekend waren.".

8. Het onderdeel dat opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van het arrest over de datum van de feiten, is gericht tegen een beslissing waarvoor het cassatie-beroep niet ontvankelijk is.

In zoverre behoeft het onderdeel, dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, geen antwoord.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 22 Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschikking van de onderzoeksrechter van 19 september 2008, gewezen op grond van artikel 61ter Wetboek van Strafvordering, de verjaring van de strafvordering stuit; een derge-lijke handeling is immers niet vereist voor de samenstelling van het dossier, maar strekt enkel tot de uitoefening van het recht van verdediging van de inverdenking-gestelde die om inzage van het strafdossier verzoekt; een dergelijk verzoek is bo-vendien een daad van de inverdenkinggestelde die hem niet kan schaden, zodat een beschikking die dat verzoek beantwoordt, de verjaring nooit kan stuiten.

10. Artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken zijn".

11. Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken bewijzen te verzamelen of het dossier in staat van wijzen te brengen.

12. Een beschikking van de onderzoeksrechter die uitspraak doet op het verzoek van een inverdenkinggestelde tot inzage van het strafdossier, is een proceshande-ling die verbonden is met het in staat stellen van de zaak.

De omstandigheid dat het verzoek van een inverdenkinggestelde tot inzage van het strafdossier hem niet tot nadeel kan strekken, heeft niet tot gevolg dat een be-schikking van de onderzoeksrechter die dat verzoek beantwoordt, de verjaring van de strafvordering niet zou kunnen stuiten.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede middel van de eiser I

13. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM en de artikelen 87, 88, 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het al-gemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten on-rechte dat de huiszoekingen die de onderzoeksrechter op 20 december 2002 heeft uitgevoerd bij de SBT Groep en bij de eisers II.2 en IV.2 rechtsgeldig zijn, terwijl geen proces-verbaal voorhanden is waarin de wijze van uitvoering van die huis-zoekingen wordt weergegeven; door het ontbreken van een dergelijk proces-verbaal kan de regelmatigheid van de huiszoekingen niet worden nagegaan.

14. Het optreden van de onderzoeksrechter, die een onpartijdig en onafhankelijk magistraat is, is een waarborg voor de inachtneming van de voorwaarden waaraan een aantasting van de in artikel 8 EVRM gewaarborgde onschendbaarheid van de woning is onderworpen.

15. Een huiszoeking die door een onderzoeksrechter zelf wordt uitgevoerd bij toepassing van artikel 87 of 88 Wetboek van Strafvordering, is regelmatig als die-gene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd, voldoende wordt ingelicht, zelfs mondeling, over de vervolgingen die aan de huiszoeking ten oorsprong liggen. De omstandigheid dat die persoon voldoende werd ingelicht, kan zowel blijken uit een proces-verbaal dat de uitvoering van die huiszoeking weergeeft als uit alle an-dere regelmatig aan de rechter overlegde gegevens waarover de partijen tegen-spraak hebben kunnen voeren.

16. Op grond van de feitelijke gegevens die het vermeldt, namelijk het proces-verbaal nummer 106737/11 van 22 december 2011 en de ondervraging van ge-rechtelijk commissaris Verhulst, oordeelt het arrest dat:

- de betwiste huiszoekingen werden geleid door de onderzoeksrechter zelf bin-nen de termijnen van de wet en met kennisgeving van de reden van de huiszoe-king;

- die huiszoekingen rechtsgeldig werden uitgevoerd en de in beslag genomen documenten niet uit het dossier dienen verwijderd te worden;

- de aanwezigheid van de onderzoeksrechter er borg voor staat dat het recht van verdediging niet werd miskend en niet aan de betrouwbaarheid van het verza-melde bewijsmateriaal kan worden getwijfeld, zodat een eerlijk proces kan ge-voerd worden.

Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing dat de huiszoekingen rechtsgeldig werden uitgevoerd, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

17. Voor het overige stelt het arrest niet vast dat er andere huiszoekingen dan de hiervoor vermelde werden uitgevoerd zonder dat een proces-verbaal van de uit-voering ervan werd opgesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feite-lijke grondslag.

Derde middel van de eiser I

18. Het middel voert schending aan van de artikelen 131, 135 en 235bis Wet-boek van Strafvordering: met de reden dat het gerechtelijk onderzoek volledig en in staat van wijzen is en er geen bijkomend onderzoek dient te worden bevolen, verduidelijkt het arrest niet waarom de door de eiser gevraagde uitvoering van de plicht tot vermogensonderzoek geen nuttige gegevens zou kunnen verschaffen voor het onderzoek van de wettigheid van de onderzoekshandelingen of voor de beoordeling van de bezwaren.

19. Met de aanvoering dat de voor de kamer van inbeschuldigingstelling ge-vraagde bijkomende onderzoekshandeling nuttig is om de wettigheid van de on-derzoekshandelingen na te gaan of voor de beoordeling van de bezwaren, heeft het middel geen betrekking op een verzuim, nietigheid of onregelmatigheid als be-doeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering.

Het middel dat gericht is tegen een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is en dat geen betrekking heeft op die ontvankelijkheid, behoeft geen antwoord.

Vierde middel van de eiser I

20. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering.

Eerste onderdeel

21. Het onderdeel voert aan dat het arrest, door te oordelen dat de overschrij-ding van de redelijke termijn "geen ernstige en onherstelbare aantasting heeft te-weeggebracht voor de bewijsvoering en het recht van verdediging in die mate dat geen eerlijk proces meer mogelijk is", niet eisers concrete verweer beantwoordt dat de telastleggingen een zeer technisch en gedetailleerd verweer vereisen dat onmogelijk op heden nog kan worden gevoerd en dat de eiser zich de technische details van vroeger niet meer kan herinneren; hierdoor is het arrest niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed.

22. Op de aanvoering van de inverdenkinggestelde dat hij zich als gevolg van het tijdsverloop en de technische aard van de telastleggingen niet meer behoorlijk kan verdedigen, zodat hij als gevolg van een ernstige en onherstelbare aantasting van de bewijsvoering en het recht van verdediging moet ontslagen worden van rechtsvervolging omdat geen eerlijk strafproces meer mogelijk is, dient het arrest dat oordeelt dat deze omstandigheden een eerlijk proces niet in de weg staan, niet te preciseren waarom de inverdenkinggestelde zich wel nog behoorlijk kan verde-digen. Het staat dan immers aan de vonnisrechter om de aangevoerde bewijzen te waarderen en, rekening houdend met alle door partijen aangevoerde omstandighe-den en de beoordeling van de zaak in zijn geheel, te oordelen of op die bewijzen nog een eventuele schuldigverklaring en gegrondverklaring van de burgerlijke rechtsvordering kan gesteund worden.

23. Met de in het onderdeel vermelde redenen beantwoordt het arrest eisers verweer en is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

24. Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdige redenen bevat doordat het oordeelt, enerzijds, dat de overschrijding van de redelijke termijn geen ernstige en onherstelbare aantasting van de bewijsvoering en het recht van verdediging heeft teweeggebracht in de mate dat geen eerlijk proces meer mogelijk is, ander-zijds, dat de omstandigheid dat gerechtelijk commissaris Verhulst zich mogelijk vergist over bepaalde details van feiten die zich hebben voorgedaan in het begin van het onderzoek, wat niet verwonderlijk zou zijn gezien het tijdsverloop, niet tot gevolg heeft dat hij zich vergist over de essentie van de huiszoekingen; doordat het arrest niet preciseert waarom die laatste omstandigheid geen beletsel uitmaakt voor de eiser om zich nog naar behoren te kunnen verdedigen teneinde nog een eerlijk proces te kunnen genieten, is het bovendien niet regelmatig met redenen omkleed.

25. Door te oordelen zoals het onderdeel vermeldt, bevat het arrest geen tegen-strijdigheid.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

26. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, dient het arrest niet te preciseren waarom het oordeelt zoals het onderdeel vermeldt.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Vijfde middel van de eiser I

27. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en de ar-tikelen 131, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt de over-schrijding van de redelijke termijn vast en laat de sanctionering van die over-schrijding over aan de vonnisrechter; het arrest dient echter te preciseren waaruit het rechtsherstel bestaat door vast te stellen dat het rechtsherstel in dat stadium van de rechtspleging is bereikt door de enkele vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn en dat de vonnisrechter dit gegeven in aanmerking zal nemen bij de beoordeling van de grond van de zaak.

28. Het rechtsherstel dat dient te volgen op de door het onderzoeksgerecht vast-gestelde overschrijding van de redelijke termijn kan in het stadium van de regeling van de rechtspleging bestaan in de loutere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, waarmee de vonnisrechter die ten gronde oordeelt zal moeten rekening houden en waaruit hij de bij de wet bepaalde gevolgen zal moeten aflei-den.

Aangezien die verplichting voor de vonnisrechter enkel voortvloeit uit de vaststel-ling dat de redelijke termijn overschreden is, dient het onderzoeksgerecht dat rechtsherstel niet verder te preciseren.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Eerste middel van de eisers II

29. Het middel voert schending aan van de artikelen 2 en 782bis Gerechtelijk Wetboek: noch uit de vermeldingen van het arrest noch uit andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat het werd gewezen in aanwezigheid van het openbaar ministerie; het proces-verbaal van de rechtszitting, waaruit deze aanwe-zigheid ook kan blijken, draagt de datum 5 maart 2013; een dergelijk proces-verbaal geldt tot bewijs van een valsheid, zodat men niet zo maar kan stellen dat het een vergissing of een verschrijving bevat.

30. Het Hof kan een verschrijving in een akte rechtzetten wanneer uit de context van de stukken waarop het vermag acht te slaan, zonder twijfel blijkt dat het een materiële vergissing betreft. Dit is ook zo wanneer die akte bewijs oplevert tot ze van valsheid wordt beticht.

31. Het in het dossier voorhanden zijnde proces-verbaal dat de uitspraak van het bestreden arrest bevestigt, maar dat als datum 5 maart 2013 in plaats van 4 maart 2013 vermeldt, bevat een kennelijke verschrijving die het Hof vermag recht te zet-ten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eisers II

32. Het middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 135, § 2, en 235bis, § 3, § 5 en § 6, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verde-diging: met enkel het vermelden van juridische principes en het oordeel dat het nuttige gevolg van de beweerdelijk valse stukken heeft voortgeduurd tot 27 okto-ber 2003, dit is de datum waarop de bevindingen van de door de curatoren aange-stelde deskundigen bekend waren, beantwoordt het arrest niet eisers' bij beroeps-conclusie aangevoerde verweer dat de verjaring van de strafvordering was inge-treden hetzij op 13 september 2002, datum van het faillissement van de vennoot-schappen, hetzij op 16 september 2002, datum van de aanstelling van de deskun-dige door de curatoren; door niet te preciseren waarom het gebruik van valse stukken ophoudt naar aanleiding van de in het arrest vermelde omstandigheid en niet van de door de eisers aangehaalde feiten, laat de motivering van het arrest niet toe de wettigheid van de beslissing te controleren en miskent het arrest het wettelijk begrip "gebruik van valse stukken"; door niet aan te geven welke grond van schorsing van de verjaring voorhanden zou zijn, uitgaande van de door de eisers vooropgestelde datum van het einde van het gebruik van de valse stukken die dateert van meer dan tien jaar vóór het arrest, laat het arrest geen wettigheidscontrole toe over haar beslissing betreffende de verjaring van de strafvordering.

33. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, eerste onderdeel, van de eiser I, is het om dezelfde redenen te verwerpen.

34. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefse aanvoering dat het gebruik van de valse stukken is geëindigd op 13 of 16 september 2002.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel van de eisers II

35. Het middel voert schending aan van de artikelen 135, § 2, 235bis, § 3, § 5 en § 6, Wetboek van Strafvordering, artikel 2 Strafwetboek, artikel 134, § 3, Wet-boek van Vennootschappen zoals van kracht sinds 27 april 2007, alsmede mis-kenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de toepassing van de mildere strafwet: het arrest oordeelt "Het geherkwalificeerde feit G is en was strafbaar op het ogenblik van de feiten."; in zoverre het arrest op die grond de eisers naar de correctionele rechtbank verwijst omdat de feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar waren, beantwoordt het niet hun concrete verweer dat die feiten sedert 27 april 2007 niet meer strafbaar zijn of miskent het minstens het algemeen rechtsbeginsel van de toepassing van de mildste strafwet; in zoverre het arrest met die reden oordeelt dat de vermelde feiten nog steeds strafbaar zijn, schendt het artikel 134, § 3, Wetboek van Vennootschappen, dat die feiten sedert de wetswijziging van 27 april 2007 niet meer strafbaar stelt en miskent het het algemeen rechtsbeginsel van de toepassing van de mildste strafwet.

36. Het arrest heromschrijft de feiten van de telastlegging G als volgt:

"Te Willebroek, tussen 23 december 1997 en 1 januari 2002, onder meer op 24 december 1997

Bij inbreuk op artikel 64 ter van de vennootschapswet (oud), strafbaar gesteld door artikel 204 van de vennootschapswet (oud), de bezoldiging van de commissarissen dat bestaat in een vast bedrag, niet bij aanvang van de opdracht, waartoe werd beslist op de buitengewone algemene vergadering van SBT GROUP NV van 24 december 1997, te hebben vastgelegd / laten vastleggen door de algemene vergadering, alsmede met betrekking [tot] de vervulling door de commissaris van uitzonderlijke werkzaamheden of bijzonder opdrachten, geen verantwoording te hebben verstrekt in het jaarverslag over hun voorwerp en de eraan verbonden be-zoldiging.

De feiten sinds 6 februari 2001, ingevolge de wet van 7 mei 1999 houdende Wet-boek van vennootschappen, omschreven zijnde als volgt:

Bij inbreuk op artikel 134 § 1 en § 2 van het wetboek van vennootschappen, thans ingevolge KB van 25 april 2007 artikel 134 § 2 en § 3, strafbaar gesteld bij artikel 170 van het wetboek van vennootschappen, de bezoldiging van de commissarissen dat bestaat in een vast bedrag, niet bij aanvang van de opdracht, waartoe werd beslist op de buitengewone algemene vergadering van SBT GROUP NV van 24 december 1997, te hebben vastgelegd / laten vastleggen door de algemene ver-gadering, alsmede met betrekking [tot] de vervulling door de commissaris van uitzonderlijke werkzaamheden of bijzonder opdrachten, geen verantwoording te hebben verstrekt in het jaarverslag over hun voorwerp en de eraan verbonden be-zoldiging."

37. Tijdens de aldus heromschreven misdrijfperiode stelden eerst artikel 64ter Vennootschappenwet, vervolgens artikel 134, § 2, Wetboek van Vennootschap-pen, strafbaar met de straffen bepaald in artikel 204 Vennootschappenwet, vervol-gens artikel 170, 1°, Wetboek van Vennootschappen, het niet-naleven van de vol-gende verplichting: "De vervulling door de commissaris van uitzonderlijke werk-zaamheden of van bijzondere opdrachten kan slechts op bijzondere wijze worden bezoldigd voor zover het jaarverslag verantwoording verstrekt over hun voorwerp en de eraan verbonden bezoldiging."

Artikel 134 Wetboek van Vennootschappen werd vervangen bij artikel 101 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen en vervolgens bij artikel 4 van het Koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van ven-nootschappen met het oog op het omzetten van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en hou-dende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad.

Als gevolg van die vervanging bepaalt artikel 134, § 3, Wetboek van Vennoot-schappen, waarvan de niet-vervulling nog steeds strafbaar is met de straffen be-paald in artikel 170, thans 2°, van dat wetboek, vanaf 27 april 2007: "De bedragen van de bezoldiging verbonden aan uitzonderlijke werkzaamheden of bijzondere opdrachten uitgevoerd binnen de vennootschap waarvan de commissaris de jaar-rekening controleert, bedoeld in artikel 142, door de commissaris enerzijds, en door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening volgens de volgende categorieën (..)." Krachtens artikel 5, § 2, van voormeld Koninklijk besluit is de wijziging van toepassing op de jaarrekeningen die vanaf 30 juni 2007 worden afgesloten.

38. Artikel 2, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast."

39. Die bepaling heeft enkel tot gevolg dat de beklaagde retroactief aanspraak kan maken op een gunstiger regime dan datgene dat van toepassing was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit, wanneer uit die nieuwe regeling blijkt dat het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van dat feit is gewijzigd.

40. De opeenvolgend gewijzigde bepalingen zoals hiervoor vermeld, beogen de transparantie te verzekeren van de bezoldiging voor uitzonderlijke werkzaamhe-den of bijzondere opdrachten die de commissaris en met hem verbonden personen binnen de gecontroleerde vennootschappen uitvoeren, omdat die werkzaamheden afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de commissaris bij het uitvoe-ren van zijn controleopdracht. Die onafhankelijkheid is van wezenlijk belang voor het vertrouwen van kredietverleners en andere belanghebbenden in de financiële informatie van ondernemingen en raakt dus het algemeen belang.

41. Uit de tekst en de ontstaansgeschiedenis van de richtlijn 2006/43/EG en het Koninklijk besluit van 25 april 2007 volgt dat zij met de aanpassing van de wijze waarop de transparantieverplichting moet vervuld worden, niet de intentie hadden die verplichting af te zwakken of de strafwaardigheid van het niet naleven ervan op te heffen.

Het niet-vervullen van die verplichting op de wijze zoals heromschreven door het arrest, is dan ook nog steeds strafbaar met betrekking tot de jaarrekeningen, afge-sloten vóór 30 juni 2007.

42. Bijgevolg beantwoordt het arrest met het in het middel vermelde oordeel ei-sers verweer en verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel van de eisers II en tweede middel van de eisers IV

43. De middelen voeren schending aan van de artikelen 135, § 2, en 235bis, § 3, § 5 en § 6, Wetboek van Strafvordering, artikel 2 Strafwetboek en artikel 2 Bur-gerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de niet-retroactiviteit van de strafwet: het arrest oor-deelt "Het geherkwalificeerde feit H was en is steeds strafbaar onder de artikels aangehaald door de procureur-generaal. De niet strafbaarstelling gaat uit van een verkeerde interpretatie van de wet."; aldus beantwoordt het arrest niet naar recht het concrete verweer van de eisers dat de hen respectievelijk verweten feiten van de telastleggingen H in de periode vóór 6 februari 2001 niet strafbaar waren, zodat de strafvordering voor die feiten niet ontvankelijk was; minstens verwijst het arrest de eisers naar de strafrechter voor feiten waarop, ten tijde van het plegen van deze feiten, geen straf stond.

44. Voor de appelrechters voerden de eisers aan dat de door hen na te leven verplichtingen, opgenomen eensdeels in artikel 171, § 2, Wetboek van Vennoot-schappen en anderdeels in artikel 17 (oud) Boekhoudwet, waarvan de inhoud van-af 6 februari 2001 is hernomen in artikel 16 Boekhoudwet als gevolg van de in-werkingtreding van de wet van 7 mei 1999 houdende het wetboek van vennoot-schappen, niet dezelfde zijn en dat meer bepaald de verplichtingen opgenomen in artikel 65 Vennootschappenwet (oud), thans artikel 144 Wetboek van Vennoot-schappen, niet strafbaar waren op grond van artikel 17 (oud) Boekhoudwet, zodat zij voor inbreuk op dat artikel niet naar de vonnisrechter konden verwezen worden met betrekking tot feiten die zouden gepleegd zijn vóór 6 februari 2001.

45. Gevolg gevend aan de vordering van het openbaar ministerie, heromschrijft het arrest de feiten van de telastlegging H, betrekking hebbend op een misdrijfpe-riode van 1999 tot 2002, als volgt:

"Bij inbreuk op het (oud) artikel 17 derde lid van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van ondernemingen (zoals van kracht vóór de wet van 7 mei 1999 die in werking getreden is op 6 februari 2001) als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige, met bedrieglijk opzet, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van ondernemingen te hebben geattesteerd of goedgekeurd, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen (oud artikel 17 eerste lid van de wet van 17 juli 1975), en hij daarvan kennis had, of, niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan,

zijnde aldus het wederrechtelijk attesteren van rekeningen, jaarrekeningen, balans en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen die niet voldeden aan de verplichtingen inzake de jaarrekening en de verplichtingen inzake de boekhoudrechtelijke normen,

de feiten thans ingevolge de wet van 7 mei 1999, inwerking getreden op 6 februari 2001, omschreven zijnde als:

Bij inbreuk op het artikel 16 derde lid van de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding van de ondernemingen én bij inbreuk van artikel 171, §2 van het Wetboek van Vennootschappen als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige, met bedrieglijk opzet, rekeningen, jaarrekeningen, ba-lansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde jaarrekeningen van onderne-mingen te hebben geattesteerd of goedgekeurd, terwijl niet is voldaan aan enerzijds de in artikel 16 eerste lid van de wet van 17 juli 1975 genoemde bepalingen (d.i. de boekhoudrechtelijke vereisten uit de Boekhoudwet) en anderzijds de in artikel 171 § 1 van het Wetboek van Vennootschappen genoemde bepalingen (d.i. de bepalingen betreffende de controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening zoals voorzien in het Wetboek van Vennootschappen), en hij daarvan kennis had, of, niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen was voldaan."

46. Artikel 17, voorheen 16, Boekhoudwet stelt in zijn derde lid strafbaar hij die als commissaris, commissaris-revisor, revisor of onafhankelijk deskundige, reke-ningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenrekeningen of geconsolideerde re-keningen van ondernemingen attesteert of goedkeurt, terwijl niet is voldaan aan de in het eerste lid genoemde bepalingen en hij daarvan kennis heeft, hetzij niet heeft gedaan wat hij had moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan, hetzij met bedrieglijk opzet heeft gehandeld.

Artikel 17, eerste lid, Boekhoudwet verwijst onder meer naar artikel 2 van die wet, dat bepaalt dat elke onderneming een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding voert en de bijzondere wetsvoorschriften betreffen-de dat bedrijf in acht neemt.

47. Artikel 171, § 2, Wetboek van Vennootschappen, ingevoerd bij de vermelde wet van 7 mei 1999, stelt strafbaar zij die als commissaris, bedrijfsrevisor of on-afhankelijk deskundige, rekeningen, jaarrekeningen, balansen en resultatenreke-ningen of geconsolideerde jaarrekeningen van vennootschappen attesteren of goedkeuren, terwijl niet is voldaan aan de bepalingen bedoeld in § 1 en zij daarvan kennis hebben, hetzij niet hebben gedaan wat zij hadden moeten doen om zich te vergewissen of aan die bepalingen is voldaan, hetzij met bedrieglijk opzet hebben gehandeld.

Artikel 171, § 1, Wetboek van Vennootschappen verwijst onder meer naar artikel 144 van dat wetboek. Artikel 144, 3°, bepaalt dat het verslag van de commissaris-sen een vermelding moet bevatten die aangeeft dat de boekhouding is gevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daar-op van toepassing zijn. Voorheen bepaalde artikel 65, 2°, Vennootschappenwet, van toepassing vóór 6 februari 2001, dat dit verslag moet vermelden of de boek-houding is gevoerd en de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daarop toepasselijk zijn.

48. Artikel 17, thans 16, Boekhoudwet en artikel 171 Wetboek van Vennoot-schappen hebben, door middel van de respectieve bepalingen waarnaar zij verwij-zen, allen betrekking op het misdrijf dat erin bestaat dat commissarissen met het in die artikelen bepaalde opzet, rekeningen en balansen attesteren of goedkeuren terwijl niet voldaan is aan de toepasselijke boekhoudkundige wetsbepalingen. Die bepalingen hebben bijgevolg eenzelfde draagwijdte en stellen zowel vóór als na 6 februari 2001 dezelfde feiten strafbaar.

49. Het arrest dat oordeelt dat de bedoelde feiten steeds strafbaar waren en zijn en dat het verweer van de eisers berust op een verkeerde interpretatie van de wet, beantwoordt hun verweer en verantwoordt de beslissing naar recht.

De middelen kunnen niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eisers III en VI

Eerste en tweede onderdeel

50. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 193, 194, 196, 197 en 214 Strafwetboek, de artikelen 21, 22 en 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 130, 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt ten onrechte het eindpunt van het gebruik van valse stukken vast op 27 oktober 2003, dit is de datum waarop de bevindingen van de door de curatoren aangestelde deskundige bekend waren; evenwel is dat feit niet opgenomen in de omschrijving van de telastleggingen met betrekking tot het gebruik van valse stukken, zodat eisers' bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden niet tot de da-tum van dat feit kan doorlopen, terwijl uit de analyse van die omschrijving blijkt dat het beweerde gebruik zich onmogelijk kon situeren na het faillissement van de vennootschappen op 13 september 2002 (eerste onderdeel); het arrest laat ten on-rechte na te preciseren welk het doel van het laatste nuttige gebruik van de be-weerde valse stukken was en welk gevolg dit gebruik beoogde; aldus beantwoordt het arrest eisers' verweer niet en laat het aan het Hof niet toe zijn wettigheidscon-trole uit te oefenen (tweede onderdeel).

51. In zoverre de onderdelen dezelfde strekking hebben als het eerste middel, eerste onderdeel, van de eiser I, zijn ze om dezelfde redenen te verwerpen.

52. In zoverre het eerste onderdeel bovendien aanvoert dat de verjaring van de strafvordering voor de telastleggingen A, B en C is ingetreden, is het afgeleid uit de vergeefse aanvoering over het bestaan van bezwaren met betrekking tot de duur van het gebruik van valse stukken en is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

53. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de beschik-king van de onderzoeksrechter van 19 september 2008, gewezen op grond van ar-tikel 61ter Wetboek van Strafvordering, de verjaring van de strafvordering stuit; een dergelijke handeling is immers geen daad van vervolging of van onderzoek en heeft bijgevolg geen stuitende werking; aldus schendt het arrest artikel 22 Voor-afgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

54. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste middel, tweede onder-deel, van de eiser I en faalt om dezelfde reden naar recht.

Tweede middel van de eisers III en VI

Eerste onderdeel

55. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 35, 87, 88, 89, 89bis, 131, § 1, en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering en artikel 1 Huiszoekingswet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak: het arrest steunt het oordeel dat de huiszoekingen en inbeslagnemingen bij de SBT Groep en bij de eisers II.2 en IV.2 regelmatig zijn, op een proces-verbaal en een verklaring van een speurder in wiens hoofde er een schijn van vooringenomenheid bestaat en die belang heeft bij de rechtsgeldigheid van de huiszoekingen; deze gegevens, die bovendien niet zijn verzameld onmiddellijk na de afloop van de huiszoekingen maar nadien in het raam van het debat over de rechtsgeldigheid van de huiszoe-kingen, vormen vanuit eisers' recht van verdediging en recht op tegenspraak een onvoldoende grondslag om tot de rechtmatigheid van de huiszoekingen te beslui-ten.

56. De rechter kan de regelmatigheid van een huiszoeking afleiden uit alle re-gelmatig overlegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en waarvan hij onaantastbaar de bewijswaarde beoordeelt.

57. De eisers vermogen geen miskenning van het recht van verdediging af te leiden uit de omstandigheid dat de appelrechters hun overtuiging gronden op in-lichtingen waarover de eisers tegenspraak hebben kunnen voeren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen

Tweede onderdeel

58. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 128, 129, 130, 229 en 231 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van de tegen-spraak: met het oordeel dat het gerechtelijk onderzoek volledig en in staat is en er geen bijkomend onderzoek dient bevolen te worden, zonder de redenen op te ge-ven die de appelrechters tot dat oordeel gebracht hebben, beantwoordt het arrest niet de concrete aanvoering van de eisers IV dat de zaak niet in staat was zolang de toenmalige onderzoeksrechter, parketmagistraat en griffier niet over de betwis-te huiszoekingen zouden zijn verhoord.

59. Het onderdeel dat opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het onder-zoeksgerecht over de volledigheid van het onderzoek, is gericht tegen een beslis-sing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is.

Het onderdeel dat geen betrekking heeft op die ontvankelijkheid, behoeft geen antwoord.

Derde middel van de eisers III en VI

60. De middelen voeren schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM en de artikelen 128, 129, 130, 229 en 231 Wetboek van Strafvordering, alsmede mis-kenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de tegenspraak: door te oordelen dat de overschrijding van de redelijke termijn "geen ernstige en onherstelbare aantasting heeft teweeggebracht voor de bewijs-voering en het recht van verdediging in die mate dat geen ernstig proces meer mogelijk is", geeft het arrest in antwoord op eisers' concreet gestaafde verweer dat hun recht van verdediging onherstelbaar is miskend, zodat de strafvordering niet ontvankelijk is of de eisers minstens buiten vervolging dienen te worden gesteld, niet de voornaamste redenen van de beslissing op; aldus is het arrest onvoldoende gemotiveerd en laat het aan het Hof niet toe de wettigheid van de beslissing na te gaan.

61. De middelen hebben dezelfde strekking als het vierde middel, eerste onder-deel, van de eiser I en kunnen om dezelfde reden niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eisers IV

62. Het middel voert schending aan van de artikelen 35, 89, 127, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op tegenspraak: door te oordelen dat de huiszoekingen bij de SBT Groep en bij de eisers II.2 en IV.2 rechtsgeldig werden uitgevoerd op grond van de verklaring van de verbalisant die de huiszoeking heeft uitgevoerd, meer dan negen jaar na datum, en dat door de aanwezigheid van de onderzoeksrechter een eerlijk proces kan worden gevoerd, terwijl de eisers niet in de mogelijkheid zijn de regelmatigheid van de huiszoekin-gen na te gaan op grond van een proces-verbaal dat alle vermeldingen bevat om tot die controle over te gaan, ontzegt het arrest aan de eisers de mogelijkheid ef-fectief tegenspraak te voeren over de regelmatigheid van de huiszoeking.

63. Het middel, dat dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiser I en het tweede middel, eerste onderdeel, van de eisers III en VI, kan om dezelfde redenen niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiser V

64. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 87, 88, 89 en 90 Wetboek van Strafvordering en artikel 1 Huiszoekingswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de huiszoekingen bij de SBT Groep en bij de eisers II.2 en IV.2 rechtsgeldig zijn verlopen op grond van het proces-verbaal van 2011 en de verklaring van 2012 van gerechtelijk commissaris Verhulst; er kan geen waarde gehecht worden aan een verklaring die of een proces-verbaal dat tien jaar na de huiszoekingen wordt "gefabriceerd"; op grond van die gegevens kan niet naar recht geoordeeld worden dat de huiszoekingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd door de onderzoeksrechter zelf, minder nog of alle wettelijke voorschriften zijn gerespecteerd; aldus kan niet meer nagegaan worden of het recht van verdediging is gerespecteerd en of een eerlijk proces kan gegarandeerd worden; de aanwezigheid van een onderzoeksrechter bij een huiszoeking betekent niet automatisch dat er niet kan getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.

65. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

66. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het tweede middel van de eiser I en het tweede middel, eerste onderdeel, van de eisers III en VI en kan het in zoverre om dezelfde redenen niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser V

67. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: wat de inbeslagnames bij Groenhove nv en Bizibit Software nv betreft, weerlegt het arrest met de redenen die het bevat niet waarom het ontbreken van de opdracht van de onderzoeksrechter het recht van verdediging niet miskent; aldus kan noch de geldigheid van die opdracht gecontroleerd worden noch nagegaan worden of de onderzoekers binnen de perken van hun opdracht gebleven zijn.

68. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

69. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

70. Met de redenen die het middel aanhaalt, vermeldt het arrest de redenen waarom de inbeslagneming bij Bibizit Software nv rechtsgeldig is en waarom door de inbeslagneming bij Groenhove nv, het recht op een eerlijk proces niet is miskend. Met die redenen is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel van de eiser V

71. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVPBR en artikel 149 Grondwet: het arrest kan, gelet op de feitelijke omstandig-heden, niet wettig oordelen dat de overschrijding van de redelijke termijn geen ernstige en onherstelbare aantasting voor de bewijsvoering heeft teweeggebracht; de overschrijding van de redelijke termijn heeft ongetwijfeld de bewijsvoering voor de eiser onmogelijk gemaakt en het recht van verdediging onherstelbaar aan-getast, zodat geen eerlijk proces meer kan worden gevoerd.

72. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

73. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

74. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het vierde middel, eerste onderdeel, van de eiser I en kan het in zoverre om dezelfde reden niet wor-den aangenomen.

Vierde middel van de eiser V

Eerste onderdeel

75. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 21, eerste lid, en 22, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het nuttige gebruik van de beweerdelijk valse stukken heeft voortgeduurd tot 27 oktober 2003, dit is de datum waarop de bevindingen van de door de curatoren aangestelde deskundigen bekend waren, motiveert het arrest niet waarom die bekendmaking dat gebruik doet stoppen en de valsheden tot dat ogenblik de door de vervalser gewenste uitwerking bleven hebben; het in de te-lastleggingen omschreven doel van de valsheden vervalt op het ogenblik van het faillissement van de vennootschappen.

76. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

77. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste mid-del, eerste onderdeel, van de eiser I en is het om dezelfde reden te verwerpen.

Tweede onderdeel

78. Het onderdeel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek: het arrest past artikel 65 Strafwetboek toe op de telastlegging G, hoewel deze niet door een-heid van opzet verbonden is met de telastleggingen A, B en H; het arrest moti-veert ook niet waarom de telastlegging G zou worden beschouwd als deel uitma-kend van de eenheid van opzet.

79. De rechter oordeelt onaantastbaar of de voorliggende misdrijven de opeen-volgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is het niet ontvankelijk.

80. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, dient de rechter niet de redenen op te geven waarom hij oordeelt dat verschillende misdrijven voortsprui-ten uit eenzelfde misdadig opzet.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Vijfde middel van de eiser V

81. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet en artikel 56 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter door het stellen van een aantal onderzoekshandelingen met betrekking tot Groenhove nv en VMC nv, niet buiten zijn saisine is gegaan.

82. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

83. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het arrest artikel 6.1 EVRM schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

84. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

85. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 560,49 euro waarvan op de cassatieberoepen I, II en III 93,42 euro verschuldigd is en op de cassatieberoepen IV, V en VI 93,41 euro.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 10 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Gebruik van valse stukken

  • Regeling van de rechtspleging

  • Onderzoeksgerecht

  • Duur van het gebruik van valse stukken

  • Beoordeling

  • Draagwijdte