- Arrest van 11 december 2013

11/12/2013 - P.13.1081.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 420ter van het Wetboek van Strafvordering en 1107 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat wanneer het Hof uitspraak doet over het cassatieberoep, de partijen op de rechtszitting alleen worden gehoord over de rechtsvragen die in de middelen zijn aangevoerd of de middelen van niet-ontvankelijkheid die tegen het cassatieberoep of het middel werden opgeworpen; geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel leggen de vertaling op door een tolk van hetgeen op die rechtszitting wordt gezegd, wanneer de eiser die verschijnt, bijgestaan door een advocaat, verklaart dat hij de taal van de rechtspleging niet kent.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1081.F

D. D.,

Mr. Béatrice Versie, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. R. Z.,

2. BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse zaken,

3. STAD WEZET,

4. H. P.,

5. S. B.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 13 mei 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Op de rechtszitting van 27 november 2013 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe ver-slag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconclu-deerd.

Op 10 december 2013 heeft de eiser een antwoordnota neergelegd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Verzoek om uitstel en bijstand van een tolk

Uit de artikelen 420ter Wetboek van Strafvordering en 1107 Gerechtelijk Wet-boek volgt dat wanneer het Hof uitspraak doet over het cassatieberoep, de partijen op de rechtszitting alleen worden gehoord over de rechtsvragen die in de middelen zijn aangevoerd of over de middelen van niet-ontvankelijkheid die tegen het cassatieberoep of het middel zijn opgeworpen. Geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel leggen de vertaling op door een tolk van hetgeen op die rechtszitting wordt gezegd, wanneer de eiser die met de bijstand van een advocaat verschijnt, verklaart dat hij de taal van de rechtspleging niet kent.

In dat geval wordt het recht van verdediging van de eiser in cassatie immers gere-geld door de mogelijkheid die hem wordt geboden door het derde lid van het voormelde artikel 1107, namelijk te verzoeken dat de zaak wordt verdaagd ten-einde mondeling dan wel met een nota die binnen de door het Hof bepaalde ter-mijn moet worden neergelegd, te antwoorden op de conclusie van het openbaar ministerie.

De eiser heeft op 10 december 2013 op de griffie van het Hof een nota neerge-legd als antwoord op de conclusie die op de rechtszitting van 27 november 2013 over elk van zijn middelen is genomen.

Op de rechtszitting van 11 december 2013 heeft zijn advocaat daarover het woord genomen.

Er is bijgevolg geen grond om het nieuwe verzoek tot uitstel in te willigen.

B. Cassatieberoep

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de veroordelende beslissing op de strafvordering

Eerste middel

Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het al-gemeen rechtsbeginsel van eerbiediging van het recht van verdediging. De eiser verwijt het arrest dat dit het beroepen vonnis nietig verklaart op de niet aan tegen-spraak onderworpen grond dat de rechtbank ratione materiae niet bevoegd is om van de strafvordering kennis te nemen.

Aangezien de regels van de bevoegdheid in strafzaken van openbare orde zijn, dient de rechter, ook ambtshalve, op de toepassing ervan toe te zien.

Het middel faalt naar recht.

(...)

Vierde middel

Eerste onderdeel

Het middel voert aan dat het arrest, door zich te baseren op videobeelden van on-gekende oorsprong waarvan de betrouwbaarheid niet kon worden nagegaan, arti-kel 71 Wetboek van Strafvordering schendt en het algemeen rechtsbeginsel van eerbiediging van het recht van verdediging miskent.

Het voormelde artikel 71 heeft betrekking op het verhoor van getuigen en houdt geen verband met het onderzoek door de rechter van een overtuigingsstuk.

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de feiten-rechter op onaantastbare wijze de bewijswaarde van de gegevens waarop hij zijn overtuiging grondt en waarover de partijen vrij tegenspraak hebben kunnen voe-ren.

Uit het feit alleen dat videobeelden die kunnen bijdragen tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten, door een niet-geïdentificeerde amateur zijn opgenomen naar aanleiding van een openbare betoging, kan niet worden afgeleid dat dit bewijs-middel onverenigbaar is met het recht van verdediging.

Zoals als antwoord op het derde middel is vermeld, heeft de eiser in hoger beroep geconcludeerd over de inhoud van de videofilm die op de rechtszitting van de rechtbank werd vertoond.

De appelrechters hebben geoordeeld dat het bekijken van de volledige amateurvi-deo, die is opgenomen op het ogenblik dat de betogers de toiletten en afsluitingen afbreken, brokstukken gooien naar de politieagenten en een van hen de eerste verweerder kwetst, de vaststelling mogelijk maakt dat de daaruitgehaalde foto's het verloop van de feiten getrouw weergeven. Het arrest stelt ook vast dat de eiser, voor het hof van beroep, op vertoon van de foto's heeft bekend dat hij degene was die zijn "broek heeft laten zakken" voor de ordestrijdkrachten en dat hij heeft toegegeven brokstukken in de richting van de politieagenten te hebben gegooid, zodat het niet uitmaakt dat de herkomst van de amateurvideo vaag blijft, temeer daar niets erop wijst dat die op onrechtmatige wijze werd verkregen.

Ten slotte oordeelt het arrest, tot staving van de politionele vaststellingen en van de getuigenissen, dat het verband is aangetoond tussen de handeling van de eiser, die een projectiel werpt, en de oogkwetsuur van de eerste verweerder.

Met die overwegingen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangetoond.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat hij buiten zijn medeweten werd gefilmd tijdens de relletjes na afloop van de voetbalmatch en dat het hof van beroep zijn beslissing bijgevolg niet mocht gronden op beelden die met miskenning van het recht op eerbiediging van het privéleven zijn verkregen.

Uit de rechtspleging blijkt niet dat dit verweer voor de appelrechters is aange-voerd en de eiser kan dat middel niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 11 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Cassatieberoep

  • Strafzaken

  • Behandeling ter zitting

  • Eiser verklaart de taal van de rechtspleging niet te kennen

  • Bijstand van een tolk