- Arrest van 11 december 2013

11/12/2013 - P.13.1150.F-P.13.1151.F-P.13.1152.F-P.13.1153.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 442sexies van het Wetboek van Strafvordering en de parlementaire voorbereiding van artikel 442quinquies van datzelfde wetboek volgt dat de aanvraag van een veroordeelde tot heropening van de rechtspleging niet-ontvankelijk moet worden verklaard wanneer hij geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het veroordelend vonnis waarvan hij de vernietiging vordert na eerst in die beslissing te hebben berust (1). (1) Zie concl. O.M. in de zaak van L. (AR P.13.1151.F).

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1150.F Nr. P.13.1151.F

Nr. P.13.1152.F Nr. P.13.1153.F

1. L. E. H.,

2. K. B.,

3. A. O.,

4. M. L.,

Mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij verzoekschriften die op 26 juni 2013 op de griffie zijn neergelegd, onderte-kend door een advocaat die sedert meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven en waarvan eensluidend verklaarde afschriften aan dit arrest zijn gehecht, ver-zoeken de eisers de rechtsplegingen te heropenen die, voor de eerste drie eisers, geleid hebben tot het arrest van het Hof van 27 juni 2007 en, voor de laatste eiser, tot het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 16 februari 2006.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 29 november 2013 een con-clusie neergelegd op de griffie.

Op de rechtszitting van 11 december 2013 heeft raadsheer Gustave Steffens ver-slag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd

Meester Christophe Marchand heeft voor de vierde verweerder een nota van ant-woord neergelegd.

II. FEITEN

Bij het voormelde vonnis werd de vierde eiser op tegenspraak veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en een geldboete en tot ontzetting van rechten wegens met name deelneming als leidende persoon aan de activiteit van een terroristische groep.

De eiser heeft tegen dat vonnis geen hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 19 januari 2007 heeft het hof van beroep te Brussel uitspraak gedaan over de hogere beroepen van het openbaar ministerie en de eerste drie eisers tegen het voormelde vonnis en heeft hun veroordeling tot een gevangenisstraf met een geldboete en tot ontzetting uit rechten wegens met name deelneming aan de voormelde telastlegging bevestigd.

Het cassatieberoep dat de eerste drie eisers tegen dat arrest hebben ingesteld werd op 27 juni 2007 door het Hof verworpen.

Bij arrest van 25 september 2012 heeft het Europees Hof voor de rechten van de Mens (hierna Hof Mensenrechten) beslist dat, in het kader van het dossier van de eisers, artikel 6.1 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna Verdrag) werd geschonden.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Er is grond om die aanvragen, die gegrond zijn op hetzelfde voormelde arrest van 25 september 2012, te voegen.

A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging van de vierde eiser

Uit artikel 442sexies Wetboek van Strafvordering en de parlementaire voorberei-ding van artikel 442quinquies van datzelfde wetboek volgt dat de aanvraag van een veroordeelde tot heropening van de rechtspleging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hij geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het veroordelend vonnis waarvan hij de vernietiging vordert na eerst in die beslissing te hebben berust.

Er is geen grond om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen omdat ze betrek-king heeft op juridische toestanden die niet vergelijkbaar zijn. De persoon die in eerste aanleg is veroordeeld die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn ver-oordeling omdat hij erin berust, bevindt zich niet in hetzelfde geval als de veroor-deelde die de rechtsmiddelen heeft ingesteld die bij wet zijn bepaald.

B. De aanvragen tot heropening van de rechtspleging van de eerste drie eisers

Krachtens de artikelen 442bis en 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering kan de veroordeelde, wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof is vastgesteld dat het Verdrag is geschonden, de heropening vragen van de rechtspleging die ge-leid heeft tot zijn veroordeling op de tegen hem ingestelde strafvordering in de zaak die bij het voormelde Hof is aangebracht.

Wanneer uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat de vastgestelde schending het gevolg is van procedurefouten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging, beveelt het Hof van Cassatie, ingevolge artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, de heropening van de rechtspleging, voor zover de veroordeelde partij zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een her-opening kunnen worden hersteld.

Het voormelde arrest van het Europees Hof van 25 september 2012, dat definitief is geworden op 18 maart 2013, met andere woorden minder dan zes maanden vóór het indienen van het verzoekschrift, heeft beslist dat de door de eisers aangevoerde verslagen van mensenrechtenorganisaties aantoonden dat er "een reëel gevaar" bestond dat de verklaringen van in Marokko verhoorde personen, na de aanslagen te Casablanca van 16 mei 2003, zijn verkregen door middel van behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag. Het Europees Hof stelt vast dat het hof van beroep geweigerd heeft dat bewijsmateriaal te weren, zonder zich eerst ervan te vergewissen of die verklaringen, in het licht van de gegevens eigen aan de zaak, niet aldus waren verkregen. Het leidt daaruit een schending af van artikel 6 van het Verdrag.

Het arrest van het Hof van Cassatie van 27 juni 2007 heeft daarentegen beslist dat het bestreden arrest niet kon worden vernietigd, in zoverre het alleen vaststelde dat de gegevens ontbraken die geloofwaardigheid konden verlenen aan de conclu-sie van de eerste eiser, dan wel redelijkerwijs toe te laten daaruit de gevolgtrek-king te maken die laatstgenoemde afleidde uit de behandeling die de voormelde personen te wachten stond, wat betreft zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak.

Die beslissing, die betrekking heeft op beklaagden wier veroordeling door het hof van beroep op dezelfde bewijsmiddelen is gegrond, is onverenigbaar met de be-slissing van het Europees Hof.

De door het Europees Hof vastgestelde schending is het gevolg van procedurefou-ten of -tekortkomingen die dermate ernstig zijn dat er ernstige twijfel bestaat over de uitkomst van de bestreden rechtspleging.

De eisers voeren overigens aan dat het arrest tot gevolg had dat hun gevangenis-straf, geldboete en ontzetting van rechten definitief zijn geworden en op hun strafregister zijn ingeschreven, wat een hinderpaal vormt bij het zoeken naar werk met onder meer gevolgen voor hun reputatie.

Uit de aanvragen blijkt dus dat de veroordeelde partijen zeer ernstige nadelige ge-volgen blijven ondervinden die slechts door een heropening kunnen worden her-steld.

Aangezien de twee in artikel 442quinquies, eerste lid, bedoelde voorwaarden ver-enigd zijn, is er grond om de rechtspleging te heropenen voor de eerste drie eisers.

C. Het cassatieberoep van de eerste, tweede en derde eiser tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 januari 2007

Ambtshalve middel: schending van artikel 6 EVRM

De appelrechters hebben geoordeeld dat de neergelegde verslagen van mensen-rechtenorganisaties geen enkel feitelijk gegeven aanvoerden dat redelijke twijfel doet rijzen over de mogelijkheid dat de in het buitenland opgesloten personen, wier verklaringen zich in het dossier bevinden, het slachtoffer zijn geworden van politiepraktijken die artikel 3 van het Verdrag schenden.

Aangezien uit het bestreden arrest blijkt dat, enerzijds, die verklaringen afkomstig waren van verdachten die in Marokko zijn ondervraagd na de aanslagen te Casa-blanca van 16 mei 2003 en dat, anderzijds, uit het arrest van het Europees Hof van 25 september 2012 blijkt dat er een reëel gevaar bestaat dat die verklaringen zijn verkregen door middel van behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag, hebben de appelrechters daaruit niet kunnen afleiden, tenzij met schen-ding van artikel 6 van het Verdrag, dat de eisers geen enkel feitelijk gegeven aan-voerden tot staving van hun verweer betreffende de regelmatigheid van de rechts-pleging met betrekking tot die verklaringen en hebben ze die verklaringen niet als bewijsmiddelen in aanmerking kunnen nemen zonder zich eerst ervan te hebben vergewist of ze, in het licht van de gegevens eigen aan de zaak, niet aldus waren verkregen.

De beslissing is bijgevolg niet naar recht verantwoord.

De middelen van de eerste twee eisers, die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen nader onderzoek.

D. Verzoek tot bekendmaking van onderhavig arrest, op grond van artikel 442septies Wetboek van Strafvordering

Aangezien er vernietigd wordt met verwijzing, zijn de voorwaarden voor de toe-passing van die bepaling niet verenigd.

Dictum

Het Hof,

Beveelt dat de zaken P.13.1150.F tot P.13.1153.F worden gevoegd.

Verklaart de aanvraag van de vierde eiser niet ontvankelijk en veroordeelt hem tot de kosten van die aanvraag.

Beveelt de heropening van de rechtspleging met betrekking tot de eerste drie ei-sers.

Trekt het arrest in dat het Hof op 27 juni 2007 onder het nummer P.07.0333.F heeft gewezen, in zoverre het uitspraak doet over de cassatieberoepen van de eer-ste drie eisers tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 19 januari 2007.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk ingetrokken arrest.

Vernietigt het arrest dat het voormelde hof van beroep op 19 januari 2007 in de zaak van die eisers heeft gewezen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 11 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arrest Hof Mensenrechten

  • Schending van het Verdrag

  • Heropening van de rechtspleging

  • Ontvankelijkheid

  • Eiser veroordeeld in eerste aanleg heeft geen rechtsmiddelen ingesteld