- Arrest van 12 december 2013

12/12/2013 - C.12.0036.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die de door de stedenbouwkundig inspecteur voor de burgerlijke rechter ingestelde herstelvordering afwijst als ongegrond, vermag de stedenbouwkundige inspecteur niet als in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding (1). (1) Zie GwH. 8 maart 2012, nr. 43/2012.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0036.N

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuisstraat 9,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

W V,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 februari 2010.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partij-en, die het eventueel bekrachtigt.

Krachtens artikel 1018, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, omvatten de kosten: 6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022.

Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

2. Bij arrest van 8 maart 2012 - zaak nr. 43/2012 - heeft het Grondwettelijk Hof gezegd voor recht: "Artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerking-treding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van het Vlaamse Gewest kan worden gelegd wanneer de stedenbouwkundig inspecteur in het ongelijk wordt ge-steld bij zijn op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening voor de burgerlijke rechtbank ingestelde herstelvordering".

3. De appelrechters wijzen de door de eiser als stedenbouwkundig inspecteur voor de burgerlijke rechter ingestelde herstelvordering af als ongegrond.

4. De appelrechters die vervolgens de eiser als in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de rechtsplegingsver-goeding in hoger beroep.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, B art Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 12 december 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Stedenbouwkundig inspecteur

  • Herstelvordering

  • Afwijzing

  • Gevolg

  • Rechtsplegingsvergoeding