- Arrest van 13 december 2013

13/12/2013 - C.12.0133.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

In zoverre een partij niet meer het recht heeft conclusie te nemen, mag zij, behoudens uitdrukkelijke instemming van de andere partijen, geen nieuwe stukken meer neerleggen zonder dat zij daartoe van de rechter op grond van artikel 748, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een nieuwe termijn heeft verkregen (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2013, nr. …


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0133.F

SOCIÉTÉ WALLONNE DES AÉROPORTS nv,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

J.-M. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 14 oktober 2011.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft op 22 november 2013 ter griffie een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht en procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel

Luidens artikel 748, § 2, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, mag een partij die con-clusie heeft genomen, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voor-afgaat een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt, ten laatste dertig dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken.

Krachtens artikel 740 van hetzelfde wetboek worden alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies zijn overgelegd, ambtshalve uit het debat geweerd.

Uit die bepalingen volgt dat een partij, in zoverre zij niet meer het recht heeft con-clusie om conclusie te nemen, behoudens uitdrukkelijke instemming van de andere partijen, geen nieuwe stukken meer mag neerleggen zonder dat de rechter haar daartoe op grond van het voormelde artikel 748, § 2, eerste lid, een nieuwe termijn heeft toegekend.

Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende :

- er is een conclusieagenda voor het hof van beroep bepaald met toepassing van artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek;

- de eiseres heeft in een verzoekschrift van 21 april 2010 een nieuwe conclusie-termijn gevraagd, omdat de verweerder in zijn laatste conclusie voor het eerst een middel van niet-ontvankelijkheid van haar hoger beroep had aangevoerd, waartegen zij niet met een conclusie had kunnen antwoorden ;

- het hof van beroep heeft op de rechtszitting van 21 mei 2010 toelating verleend aan de eiseres om te concluderen met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar hoger beroep en aan de verweerder om hierop te antwoorden, met de ver-melding in het proces-verbaal van de rechtszitting, dat "die conclusies uitsluitend het middel van niet-ontvankelijkheid mogen betreffen";

- de eiseres heeft niet alleen geconcludeerd met betrekking tot de ontvankelijk-heid van haar hoger beroep, maar heeft ook nieuwe stukken betreffende de grond van het geschil voorgelegd, zonder dat zij daartoe toelating was verleend op grond van artikel 748, § 2, eerste lid;

- de verweerder heeft verzocht om die nieuwe stukken uit het debat te weren.

Het arrest stelt vast, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, dat de nieuwe stukken geen verband houden met het middel van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en beslist vervolgens naar recht dat die stukken, aangezien de eiseres daartoe noch de uitdrukkelijke instemming van de verweerder noch de machtiging van de rechter heeft verkregen met toepassing van artikel 748, § 2, eerste lid, uit het debat moeten worden geweerd.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

De beide onderdelen samen

De opdracht die een derde op grond van artikel 1592 Burgerlijk Wetboek wordt gegeven om de verkoopprijs te bepalen, is geen arbitrage die onder de toepassing valt van de artikelen 1676 en volgende Gerechtelijk Wetboek.

Het middel, dat van het tegendeel uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

De in het arrest aangehaalde overeenkomst van 15 februari 2008 vermeldt dat zo-wel de verweerder als de eiseres "een vertegenwoordiger hebben aangewezen. Beide aldus aangewezen vertegenwoordigers worden beschouwd als derden in de zin van artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek. Zij verbinden zich ertoe om, in de plaats van de partijen, de waarde van het goed te ramen overeenkomstig het voormelde artikel van het Burgerlijk Wetboek".

Het arrest, dat beslist dat "de twee aangewezen deskundigen niet onafhankelijk dienden te zijn en geen gemeenschappelijke gevolmachtigde waren", geeft aan die overeenkomst geen uitleg die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent derhalve de bewijskracht van die overeenkomst niet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Voor het overige schendt het arrest de artikelen 1591 en 1592 Burgerlijk Wetboek niet wanneer het op grond van de aldus uitgelegde overeenkomst beslist dat "de verwijzing, in die overeenkomst, naar artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek al-leen tot doel had te overeenkomen dat de prijzen, zo de twee vertegenwoordigers een akkoord bereikten over de vaststelling ervan, de beide partijen zouden binden en definitief zouden zijn".

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 13 de-cember 2013 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezig-heid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Stukken

  • Conclusie