- Arrest van 16 december 2013

16/12/2013 - S.10.0111.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Gerechtelijke schuldvergelijking, dit is de compensatie die door de rechter wordt toegestaan op tegeneis van de verweerder, kan niet als exceptie worden ingeroepen maar veronderstelt het instellen van een rechtsvordering.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0111.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

J.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, af-deling Hasselt, van 12 mei 2010.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerder werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het on-derdeel op:

- de appelrechters oordelen dat artikel 42 RSZ-wet niet toepasselijk is op de ver-jaring van verweerders vordering, zodat het onderdeel ter zake schending aan-voert van een wetsbepaling die op het beslechte geschil niet toepasselijk is en door de appelrechters ook niet wordt toegepast;

- het onderdeel oefent kritiek uit op redenen die geen invloed hebben op de wet-tigheid van de beslissing dat verweerders vordering niet verjaard is, zodat het niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden.

2. Het arrest dat beslist dat de discussie inzake verjaring alleen kan gevoerd worden met betrekking tot het batig saldo na schuldvergelijking, oordeelt aldus dat verweerders vordering tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen in ieder geval gedeeltelijk niet verjaard is. Het past zodoende artikel 42, tweede lid, RSZ-wet toe.

De eerste grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

3. Zoals volgt uit het antwoord op het tweede onderdeel, is de beslissing dat verweerders vordering niet verjaard is gesteund op het oordeel dat de eiser de verweerder ervan heeft ontslagen de verjaring van de vordering tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen te stuiten en aldus afstand heeft gedaan van de in artikel 42, tweede lid, RSZ-wet bepaalde verjaring.

De tweede opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid die ervan uitgaat dat de beslissing dat verweerders vordering niet verjaard is, gesteund is op de in artikel 2257 Burgerlijk Wetboek bepaalde regel dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde afhangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is, berust op een onjuiste lezing van het arrest.

Ook die grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen.

Gegrondheid

4. Krachtens artikel 1290 Burgerlijk Wetboek heeft schuldvergelijking van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars, waarbij de twee schulden elkaar vernietigen op het ogenblik dat zij tegelijk be-staan, ten belope van hun wederkerig bedrag.

Krachtens artikel 1291 Burgerlijk Wetboek is voor de wettelijke schuldvergelij-king onder meer vereist dat de twee schulden vaststaande zijn, wat inhoudt dat ze gemakkelijk en prompt effen kunnen worden gemaakt.

5. Gerechtelijke schuldvergelijking, dit is de compensatie die door de rechter wordt toegestaan op tegeneis van de verweerder, kan niet als exceptie worden in-geroepen, maar veronderstelt het instellen van een rechtsvordering.

Anders dan voor wettelijke schuldvergelijking, is bij gerechtelijke schuldvergelij-king niet vereist dat de schuldvordering van de verweerder effen is, maar wordt het bedrag ervan eerst door de rechter bepaald.

Uit het feit dat bij gerechtelijke schuldvergelijking de beide schulden slechts compensabel worden door tussenkomst van de rechter, volgt dat de compensatie geen uitwerking kan krijgen voor het tijdstip van het vonnis.

Hieruit volgt tevens dat gerechtelijke schuldvergelijking niet mogelijk is wanneer de tegenvordering verjaard is.

6. Het arrest heropent het debat en beveelt de eiser "een herberekening te ma-ken van de eventueel nog verschuldigde bijdragen, bijdrageopslagen en intresten, over de periode van het 2de kwartaal 1993 tot en met het 2de kwartaal 1995, alsook de vakantiebijdragen en aanhorigheden over de dienstjaren 1993, 1994 en 1995 (zie zaak gekend onder A.R. nr. 2070661), dit rekening houdend met het door de strafrechter weerhouden bedrag van 224.215,87 euro aan bijdragen over de periode van het 2de kwartaal 1993 tot en met het 2de kwartaal 1995".

Het beslist aldus na te hebben vastgesteld dat:

- de eiser het lot van zijn vordering en regularisatie aan het resultaat van het strafonderzoek had verbonden en aanvaardde dat de eigen berekening zou kun-nen worden gewijzigd;

- het bedrag van de ontdoken bijdragen die het voorwerp is van de zaak gekend onder A.R. nr. 2070661, mede aan de strafrechtelijke beoordeling werd onder-worpen;

- de strafrechter bij tussenvonnis van 17 mei 2002 een gerechtsdeskundige had aangesteld om advies te verlenen over de beweerd ontdoken bijdragen;

- de strafrechter in het eindvonnis van 2 januari 2004 het bedrag van de telast-legging overeenkomstig de eindconclusie van de deskundige herleidde tot 242.215,87 euro,

en na eisers kritiek op de door de strafrechter aangenomen berekeningen te hebben verworpen.

Uit de redenen van het arrest blijkt bijgevolg dat het bedrag van eisers vordering met betrekking tot de ontdoken bijdragen en mitsdien ook het bedrag van ver-weerders vordering tot terugvordering van de onder voorbehoud betaalde bijdra-gen, slechts definitief kan worden vastgesteld na afloop van de onder handen pro-cedure voor de appelrechters.

7. Niettegenstaande het te kennen geeft dat de tegenvordering van de verweerder geen vaststaand karakter heeft, oordeelt het arrest dat het "onder voorbehoud en zonder nadelige erkenning" onverschuldigd betaalde bedrag ook moet worden verrekend met andere verschuldigde bedragen die geen rechtstreeks verband houden met de vaststellingen van de ontdoken bijdragen, en dat de discussie inzake verjaring alleen kan gevoerd worden met betrekking tot zodanig batig saldo.

Die beslissing is niet naar recht verantwoord.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede onderdeel

Ontvankelijkheid

8. De verweerder werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het on-derdeel op:

- de wetsbepalingen en het algemeen rechtsbeginsel waarvan het onderdeel de schending aanvoert zijn niet op het beslechte geschil toepasselijk en worden door de appelrechters ook niet toegepast; dit geldt niet alleen met betrekking tot artikel 42 RSZ-wet, maar ook met betrekking tot de artikelen 2220 tot 2222, 2244 en 2248 Burgerlijk Wetboek;

- het onderdeel oefent kritiek uit op redenen die geen invloed hebben op de wet-tigheid van de beslissing dat verweerders vordering niet verjaard is, zodat het niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing die immers ge-steund is op de in artikel 2257 Burgerlijk Wetboek bepaalde regel dat de verja-ring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die van een voorwaarde af-hangt, zolang die voorwaarde niet vervuld is.

9. Zoals volgt uit het antwoord op het onderdeel, is de beslissing dat verweer-ders vordering niet verjaard is, gesteund op het oordeel dat de eiser de verweerder ervan heeft ontslagen de verjaring van de vordering tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen te stuiten en aldus afstand heeft gedaan van de in artikel 42, tweede lid, RSZ-wet bepaalde verjaring.

De beide gronden van niet-ontvankelijkheid dienen te worden verworpen.

Gegrondheid

10. Met de redenen die het arrest bevat (p. 18, ro 3.7, en p. 27-28, ro 10.1 en 10.2), oordelen de appelrechters dat de eiser de verweerder ervan heeft ontslagen de verjaring van de vordering tot terugvordering van niet-verschuldigde sociale-zekerheidsbijdragen te stuiten. Zij geven aldus te kennen dat de eiser afstand heeft gedaan van de in artikel 42, tweede lid, RSZ-wet bepaalde verjaring.

11. Krachtens artikel 2220 Burgerlijk Wetboek kan vooraf geen afstand worden gedaan van de verjaring, maar kan wel afstand worden gedaan van een verkregen verjaring.

Krachtens artikel 2221 Burgerlijk Wetboek geschiedt afstand van verjaring uit-drukkelijk of stilzwijgend. De stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men zijn verkregen recht heeft laten varen.

Krachtens artikel 2224 Burgerlijk Wetboek kan men zich op verjaring beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van de verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan.

12. Het arrest dat de stilzwijgende afstand van verjaring afleidt uit de vaststel-ling dat uit eisers houding blijkt dat hij de verweerder ervan heeft ontslagen de verjaring van zijn vordering te stuiten, leidt die afstand aldus af uit een omstan-digheid die noodzakelijk voorafgaat aan het tijdstip waarop de verjaring is verkre-gen. Het arrest verantwoordt mitsdien zijn beslissing dat de eiser zich niet meer op de in artikel 42, tweede lid, RSZ-wet bepaalde verjaring kan beroepen niet naar recht.

Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Overige grieven

13. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de schuldvergelijking en de verjaring van de vordering van de verweerder tot terugbetaling van onver-schuldigd betaalde bijdragen.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 16 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

A. Simon K. Mestdagh Chr. Storck

Vrije woorden

  • Gerechtelijke schuldvergelijking

  • Compensatie

  • Voorwaarde

  • Instellen van rechtsvordering