- Arrest van 16 december 2013

16/12/2013 - S.12.0032.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de bepalingen van artikel 59 van het Arbeidsongeschiktheidsbesluit Zelfstandigen blijkt dat de adviserende geneesheer van de verzekeringsinstelling van de zelfstandige werknemer beslist over de staat van primaire arbeidsongeschiktheid met uitzondering van de gevallen bepaald bij artikel 48, tweede lid, van de ZIV-wet 1963, zodat het RIZIV niet het recht heeft de staat van arbeidsongeschiktheid te erkennen of de duur ervan vast te stellen (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0032.F

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKE-RING,

Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 9 december 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 15 november 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 6, 7, 9, 10, 20, 59 en 62 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;

- artikel 94, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vernietigt de beslissing van 19 september 1994 van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die de verweerder op 11 oktober 1994 op de hoogte heeft gesteld van het einde van diens arbeidsongeschiktheid voor een onbepaalde duur vanaf 26 september 1994, en zegt dat de bekrachtiging van de conclusie van de gerechtsdeskundige de erkenning tot gevolg heeft vanaf de uitspraak, dat de verweerder een staat van ongeschiktheid heeft die hem belet vanaf 1 januari 2001 tot 1 september 2006 gelijk welke beroepsactiviteit uit te oefenen waarmee hij billijkerwijs kan worden belast, met de daaraan verbonden gevolgen. Die beslissingen steunen op de redenen vermeld onder de nummers II.1 tot II.9 en in wezen op de volgende gronden:

" II.6. Samengevat en met redenen omkleed, stelt de deskundige [...] formeel dat de degeneratieve aandoeningen van zowel de lenden- als de halswervels geleidelijk verergerd zijn zodat erkend moet worden dat de betrokkene, op een tijdstip dat men billijkerwijs kan situeren op 1 januari 2001, een reeks pathologieën heeft ontwikkeld waardoor hij ongeschikt was om gelijk welk beroep uit te oefenen [...].

II.8. Aangezien de verweerder voor het overige geen enkel omstandig medisch do-cument heeft neergelegd dat de overwegingen en conclusie van het gerechtelijk deskundigenonderzoek in vraag kan stellen, kan het arbeidshof ze enkel bekrachtigen.

II.9. Die bekrachtiging heeft de erkenning tot gevolg dat vanaf de uitspraak van dit arrest de verweerder een staat van ongeschiktheid heeft die hem belet vanaf 1 januari 2001 tot 1 september 2006 gelijk welke beroepsactiviteit uit te oefenen waarmee hij billijkerwijs zou kunnen worden belast, inzonderheid rekening houdend met zijn conditie, gezondheidstoestand, beroepsopleiding [...]".

Grieven

1.1. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten onderscheidt: 1° het tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid; 2° het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid; 3° het tijdvak van invaliditeit.

Artikel 7 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat het tijdvak van primaire niet-vergoedbare ongeschiktheid het eerste tijdvak van de arbeidsongeschiktheid betreft, het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid de volgende maanden tot de twaalfde maand ongeschiktheid inbegrepen. Het tijdvak van invaliditeit vangt aan wanneer het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid verstreken is. Voor de toepassing van dit artikel geschiedt de berekening in maanden van datum tot datum.

Volgens artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit wordt een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan veertien dagen geacht de loop van het tijdvak van primaire vergoedbare ongeschiktheid niet te hebben onderbroken.

Artikel 10, § 3, van het koninklijk besluit bepaalt dat een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van minder dan drie maanden wordt geacht de loop van het tijdvak van invaliditeit niet te hebben onderbroken.

Uit die bepalingen volgt dat de zelfstandige die opnieuw arbeidsongeschikt erkend wordt na een onderbreking van een tijdvak van invaliditeit van drie maanden, zich in een staat van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt voor een nieuwe duur van twaalf maanden.

1.2. Artikel 59 van het koninklijk besluit bepaalt dat begin, voortduren, wederoptreden, duur en einde van de arbeidsongeschiktheid in de loop van de tijdvakken van primaire ongeschiktheid worden vastgesteld door de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling of, in de voorwaarden bedoeld bij artikel 48, tweede lid van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, door de geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle.

1.3. Volgens artikel 62 van datzelfde koninklijk besluit, vallen de beslissingen in verband met de arbeidsongeschiktheid in het tijdvak van invaliditeit onder toepassing van de bepalingen die dezelfde aangelegenheid regelen in het stelsel der uitkeringen ingericht krachtens de wet van 9 augustus 1963 en inzonderheid van de artikelen 51 en 52 van genoemde wet en van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De artikelen 51 en 52 van de wet van 9 augustus 1963 werden vervangen door de artikelen 94 en 95 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 4 november 1963 met het opschrift "Geneeskundige Raad voor invaliditeit", werd vervangen door de afdeling II, "Geneeskundige Raad voor invaliditeit", van hoofdstuk I van Titel III van de gecoördineerde wet, met de artikelen 167 tot 191.

Volgens artikel 94, eerste lid, van de gecoördineerde wet, stelt de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de eiser, overeenkomstig de bepalingen van artikel 82 en op basis van een door de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling opgemaakt verslag, de staat van invaliditeit als bedoeld in artikel 100 vast en bepaalt de duur ervan.

Uit de voormelde bepalingen volgt dat de beslissing over de staat van arbeidsongeschiktheid tijdens het tijdvak van primaire ongeschiktheid toebehoort aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de zelfstandige werknemer en dat de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de eiser niet gemachtigd is een dergelijke staat te erkennen of de duur ervan te bepalen zonder verslag van die adviserend geneesheer.

2. Het arrest stelt vast dat:

- de verweerder arbeidsongeschikt werd erkend sinds 27 februari 1991, waaruit volgt dat het tijdvak van primaire ongeschiktheid van de verweerder op die datum is ingegaan en op 27 februari 1992 beëindigd is;

- de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de verweerder op 11 oktober 1994 aan de verweerder kennis heeft gegeven van de beslissing dat vanaf 26 september 1994 een einde werd gesteld aan de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, waaruit volgt dat de verweerder op datum van 19 september 1994 en van 25 september 1994 in staat van invaliditeit verkeerde;

- in zijn op 15 juni 2010 ter griffie ingediend verslag, de deskundige vermeldt dat de verweerder zich op 26 september 1994 niet in een medische toestand bevond die hem noopte zijn werkzaamheden als zelfstandige stop te zetten; daaruit volgt dat de gerechtsdeskundige heeft geoordeeld dat het tijdvak van invaliditeit op 26 september 2001 [lees: 1994] onderbroken werd, hetgeen ook de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de eiser beslist had;

- de deskundige meent dat de gezondheidstoestand van de verweerder op 1 januari 2001 dermate verergerd is dat hij vanaf 1 januari 2001 ongeschikt was met name voor het uitoefenen van alle beroepen en van gelijk welke beroepsactiviteit, zodat hij vanaf die datum voldeed aan de criteria voor een erkenning van arbeidsongeschiktheid.

Het arrest dat de overwegingen en de besluiten van het gerechtelijk deskundigenonderzoek bekrachtigt, beslist aldus dat de staat van invaliditeit waarin de verweerder zich bevond, tussen 26 september 1994 en 1 januari 2001, dit is gedurende meer dan drie maanden, onderbroken werd. Daaruit volgt dat een nieuw tijdvak van primaire ongeschiktheid op 1 januari 2001 is ingegaan.

3. Het arrest doet dus in een geding tussen de eiser en de verweerder, in afwezigheid van verweerders verzekeringsinstelling en zonder verslag noch be-slissing van de adviserend geneesheer van die instelling, uitspraak over het bestaan van de staat van arbeidsongeschiktheid van de verweerder in een tijdvak dat, in de veronderstelling dat die staat bestaat, een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid is, in de loop waarvan enkel de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de verweerder en niet de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de eiser beslist.

Het arrest dat beslist dat vanaf de uitspraak van het arrest erkend wordt dat de verweerder een staat van ongeschiktheid heeft die hem belet vanaf 1 januari 2001 tot 1 september 2006 gelijk welke beroepsactiviteit als bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 uit te oefenen waarmee hij billijkerwijs zou kunnen worden belast, rekening houdend met zijn conditie, zijn gezondheidstoestand en zijn beroepsopleiding, schendt bijgevolg dat artikel 20, evenals de bepalingen betreffende de verschillende tijdvakken van arbeidsongeschiktheid van een zelfstandige (schending van de artikelen 6, 7, 9, 10 en 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten) alsook de bepalingen die de instantie aanwijzen die bevoegd is uitspraak te doen over de staat van arbeidsongeschiktheid van een zelfstandige (schending van de artikelen 59 en 62 van het koninklijk besluit van 20 juli 1071 en artikel 94, eerste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).

Het arrest beslist niet naar recht dat vanaf de uitspraak een staat van ongeschiktheid van de verweerder wordt erkend en toegekend die hem belet vanaf 1 januari 2001 tot 1 september 2006 gelijk welke beroepsactiviteit als bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 uit te oefenen waarmee hij billijkerwijs zou kunnen worden belast, (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangevoerde artikelen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Het arrest bevestigt de beslissing van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit volgens welke de verweerder vanaf 26 september 1994 niet arbeidsongeschikt was volgens de criteria van artikel 20 Arbeidsongeschiktheidsbesluit Zelfstandigen.

Overeenkomstig het advies van de gerechtsdeskundige, beslist het arrest, ten aan-zien van de eiser, dat de verweerder volgens dezelfde criteria vanaf 1 januari 2001 in staat van arbeidsongeschiktheid verkeerde.

Luidens artikel 10, § 3, Arbeidsongeschiktheidsbesluit Zelfstandigen onderbreekt een onderbreking in de staat van arbeidsongeschiktheid van ten minste drie maan-den de loop van het tijdvak van invaliditeit.

Daaruit volgt dat een nieuwe arbeidsongeschiktheid die optreedt na die termijn een nieuw tijdvak van primaire ongeschiktheid opent in de zin van artikel 6, 1°, van het koninklijk besluit.

Uit het bepaalde in artikel 59 Arbeidsongeschiktheidsbesluit Zelfstandigen volgt dat, met uitzondering van de gevallen bepaald bij artikel 48, tweede lid, ZIV-wet 1963, die te dezen niet van toepassing zijn, de adviserend geneesheer van de ver-zekeringsinstelling van de zelfstandige beslist over de staat van primaire arbeids-ongeschiktheid, zodat de eiser niet het recht heeft die staat te erkennen of de duur ervan vast te stellen.

Het arrest dat ten opzichte van de eiser beslist dat de verweerder, wiens staat van invaliditeit op 26 september 1994 geëindigd is, vanaf 1 januari 2001 in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 20 Arbeidsongeschiktheidsbesluit Zelfstandigen verkeerde, schendt bijgevolg de in het middel aangevoerde wettelij-ke bepalingen.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op kant van het vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare terechtzitting van 16 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Zelfstandigen

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Primaire ongeschiktheid

  • Erkenning

  • Beslissing

  • Adviserend geneesheer

  • Verzekeringsinstelling