- Arrest van 16 december 2013

16/12/2013 - S.12.0060.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 9, §3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wijkt niet af van de regels in de artikelen 8, §1, en 9, §1, van dat besluit inzake de referentieperiode die in aanmerking moeten worden genomen, maar bepaalt dat de door de nieuwe toestand gerechtvaardigde aanpassingen moeten worden toegepast op de berekening van die inkomens (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0060.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, dienst tegemoetkomingen aan personen met een handicap,

Mr Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. V.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 13 februari 2012 van het ar-beidshof te Luik.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 25 november 2013 een conclusie neergelegd ter griffie.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet;

- artikel 7, § 1, Wet Tegemoetkomingen Gehandicapten;

- de artikelen 4, 8, § 1, en 9, § 1 en § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming.

Aangevochten beslissingen

Het arrest zegt voor recht dat de verweerder geen aanspraak kan maken op andere sociale en fiscale voordelen dan deze welke hem werden toegekend, dat hij aantoont te voldoen aan de medische voorwaarden om recht te hebben op de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming van categorie één, dat de inkomsten eraan in de weg staan dat beide tegemoetkomingen vóór 1 augustus 2008 worden toegekend, en dat die tegemoetkomingen op 1 augustus 2008 moeten worden berekend op basis van de inkomsten van het jaar 2006. Het arrest verzoekt de eiser vervolgens om een voorstel van berekening neer te leggen en het aanslagbiljet of een officieel document met het bedrag van die inkomsten over te leggen. Daarop beveelt het de heropening van het debat.

Het arrest motiveert die beslissingen met alle redenen die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven, in het bijzonder met de volgende redenen:

"3.2. Berekening van de toekenning

Het voorwerp van het geschil is de berekeningswijze van de vervangings- en integratietegemoetkomingen;

Dat recht dient te worden bepaald op 1 januari 2007 als gevolg van de op 5 december 2006 ingediende aanvraag;

In die periode was [de verweerder] aan het scheiden van de partner met wie hij weliswaar nog steeds samenwoonde toen zijn dossier door het auditoraat werd onderzocht. Hij heeft zich slechts op 1 augustus 2008 dat hij is ingeschreven als alleenstaande op een nieuw adres;

Laten we erop wijzen dat hij de deskundige meldt dat hij sinds 2005 alleen leeft, hetgeen de stukken van het dossier formeel tegenspreken;

Op 1 januari 2007 staan de inkomsten van [de verweerder] en diens partner eraan in de weg zowel de inkomensvervangende tegemoetkoming als de integratietegemoetkoming worden toegekend.

Op 1 augustus 2008 (de eerste dag van de maand volgend op de officiële scheiding) staat de berekening van [de eiser] ter discussie;

[De eiser] past artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 toe wegens de wijziging van de gezinssituatie in juli 2008;

[De eiser] houdt rekening met de inkomsten van de verweerder op die datum, terwijl [de verweerder] wil dat rekening wordt gehouden met zijn inkomsten van het jaar -2, namelijk die van 2006. De partijen raken het niet eens en laten hun geschil door [het arbeidshof] beslechten;

3.2.1. Teksten

Artikel 7, § 1, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten bepaalt:

'De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald';

Artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming stelt:

‘Wat betreft de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt onder inkomen verstaan, de inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt.

De jaarlijkse inkomsten van een jaar zijn de gezamenlijk en afzonderlijk belastbare inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de aanslag inzake personenbelasting en aanvullende belastingen.

[...] De in aanmerking te nemen gegevens inzake inkomsten zijn deze die betrekking hebben op het referentiejaar, zijnde het jaar -2.

Men verstaat onder "het jaar -2" het tweede kalenderjaar voorafgaand aan :

1° de uitwerkingsdatum van de aanvraag of de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in de gevallen waarin de beslissing op aanvraag wordt genomen;

2° de kalendermaand volgend op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 23, § 1 tot § 1ter van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Deze gegevens inzake belastbare inkomsten komen voor op het aanslagbiljet.

[...] Indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt gedurende het jaar -2 nog geen deel uitmaakte van zijn huishouden, worden de inkomsten van deze persoon op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of van de herziening berekend volgens de regels van de vorige leden.

Indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormde deel uitmaakte van het huishouden gedurende het jaar -2 maar daarvan geen deel meer uitmaakt op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of de herziening worden zijn inkomsten niet meer in aanmerking genomen';

Volgens artikel 9, § 3, van hetzelfde besluit, 'wordt, wanneer de gegevens inzake de burgerlijke staat, het huishouden van de persoon met een handicap, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning, welke tot grondslag gediend hebben voor de bepaling van het bedrag van het inkomen, gewijzigd zijn, rekening gehouden met de nieuwe toestand';

3.2.2. Uitlegging

De gegevens die voor de inkomsten in aanmerking moeten worden genomen zijn die welke betrekking hebben op het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de administratieve beslissing uitwerking had, het zogeheten jaar -2 (cf. artikel 8, § 1, vierde en vijfde lid).

Het referentiejaar van de inkomsten is het jaar dat overeenstemt met het tweede kalenderjaar voorafgaand aan:

- hetzij de aanvangsdatum van de aanvraag;

- hetzij nog steeds de maand volgend op het feit dat aanleiding gaf tot de ambtshalve herziening in de gevallen bedoeld in artikel 23, § 1 en §1bis, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003;

De wijziging van de samenstelling van het gezin kan een weerslag hebben op het bedrag van de inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de toekenning van de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming;

Enkel de inkomsten van de persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt op de datum van de toekenning, komen in aanmerking. Als een huishouden gezamenlijk belast wordt en dat huishouden gescheiden is op de datum van de toekenning aan de gerechtigde van de tegemoetkoming (toekenning op aanvraag of herziening), worden enkel de inkomsten van de persoon met een handicap in aanmerking genomen en niet die van de gescheiden partner. Als, omgekeerd, een persoon deel gaat uitmaken van het huishouden, worden zijn inkomsten uiteraard in aanmerking genomen.

Artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit bepaalt dat wanneer de gegevens inzake de burgerlijke staat, het huishouden van de persoon met een handicap, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning, welke tot grondslag gediend hebben voor de bepaling van het bedrag van het inkomen, gewijzigd zijn, 'rekening gehouden wordt met de nieuwe toestand'. Die sibillijnse formulering geeft stof voor discussie;

De rechtspraak is inderdaad ervan uitgegaan dat die bepaling (die vroeger vervat was in artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit) voorschrijft dat rekening moet worden gehouden met de wijzigingen in de samenstelling van het gezin en met de inkomsten van de leden van dat gezin maar dat zij niet afwijkt van de berekeningswijze van de inkomsten per referentiejaar -2 of -1 (bij wijziging van de inkomsten). Zij was van oordeel dat enkel rekening moest worden gehouden met de wijzigingen van de gezinstoestand die bijvoorbeeld impliceren dat de inkomsten van een nieuw gezinslid in aanmerking worden genomen, inkomsten die berekend worden overeenkomstig de andere bepalingen van de regelgeving;

De rechtspraak bekritiseert de praktijk van de administratie om de inkomsten op de dag van de scheiding van het gezin 'te actualiseren' en houdt het voor de berekeningswijze van de inkomsten vast aan de berekeningswijze zoals die uit de andere verordenende bepalingen volgt;

Het Hof van Cassatie legt die tekst anders uit. Volgens het Hof wijkt de kwestieuze bepaling af van de andere bepalingen met name wat betreft de referentieperiode van de in aanmerking te nemen inkomsten.

Die uitlegging is echter niet verenigbaar met artikel 8, § 1, dat vermeldt dat, 'indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt gedurende het jaar - 2 nog geen deel uitmaakte van zijn huishouden, de inkomsten van deze persoon op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of van de herziening berekend worden volgens de regels van de vorige leden. Indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormde deel uitmaakte van het huishouden gedurende het jaar -2 maar daarvan geen deel meer uitmaakt op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of de herziening, worden zijn inkomsten niet meer in aanmerking genomen';

Bijgevolg blijven de in artikel 8 vermelde regels met betrekking tot de aftrekbare inkomsten van toepassing als de gezinstoestand wijzigt;

Dat houdt daarom niet in dat artikel 9, § 3, overbodig zou zijn ten opzichte van artikel 8 voor zover het er nogmaals enkel op wijst dat de ambtshalve herziening in bepaalde opgesomde gevallen noodzakelijk is. Eigenlijk bedoelt die bepaling dat de gevolgen van de wijziging van de samenstelling van het gezin in aanmerking worden genomen in het bijzonder voor het bedrag dat overeenstemt met de categorie (A, B of C) en de in functie van die categorie veranderlijke vrijstellingen. Het legt geenszins de verplichting op om het jaar van de inkomsten, dat wordt bepaald overeenkomstig artikel 8, te wijzigen;

De uitlegging van de norm door het Hof van Cassatie heeft overigens tot gevolg dat de inkomsten van een persoon met een handicap (en desgevallend van de persoon met wie hij een huishouden vormt) die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de inkomensvervangende tegemoetkoming, niet de inkomsten zijn van het klassieke referentiejaar (jaar -2 of -1), maar deze die zich voordoen op de dag van de wijziging van de samenstelling van het gezin;

Dat zou de regel volledig overhoophalen;

De doctrine heeft zich afgevraagd of die bepaling, in de uitlegging dat ze de verplichting oplegt om de 'geactualiseerde inkomsten' in aanmerking te nemen, niet discriminerend is ten aanzien van gerechtigden van wie de gezinstoestand gewijzigd is (in die zin dat de gerechtigde naar een andere hetzij een hogere hetzij een lagere categorie overgaat,), terwijl de inkomsten van een huishouden, met een identieke samenstelling, echter per referentiejaar -2 of -1 en dus volgens andere criteria worden berekend;

Bovendien bemoeilijkt die uitlegging het bepalen van het bedrag van de inkomsten aangezien, behalve voor beslissingen met terugwerkende kracht over meerdere jaren het bedrag van de inkomsten, niet door de bevoegde belastingadministratie wordt vastgelegd;

De arbeidsrechtbank te Brussel heeft een tussenoplossing gevonden om de discriminatie uit te vlakken: zij heeft rekening gehouden met de inkomsten van het referentiejaar maar voegt bij die inkomsten of trekt ervan af de elementen die beïnvloed werden door de wijziging in de burgerlijke staat of door de nieuwe samenstelling van het gezin sindsdien. De arbeidsrechtbank te Charleroi keert de leer van het Hof van Cassatie echter resoluut de rug toe wegens de moeilijkheden die de tenuitvoerlegging ervan met zich meebrengt ;

Het [arbeids]hof kan enkel overwegen dat, enerzijds, de draagwijdte van artikel 9, § 3, niet deze is die [de eiser] eraan beweert te geven, namelijk een afwijking van het referentiejaar van de inkomsten en, anderzijds, als dat standpunt toch moet worden gevolgd, de toestand waarin de personen met een handicap terecht komen na de wijziging van hun gezinstoestand, discriminerend is indien de betrokken bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat zij afwijkt van de andere bepalingen met name inzake de referentieperiode van de in aanmerking te nemen inkomsten, zodat in een dergelijke situatie rekening moet worden gehouden met de inkomsten van het lopende jaar en niet van het referentiejaar;

Bovendien zou de toestand van een persoon van wie de gezinstoestand wijzigt anders behandeld worden al naargelang de samenstelling van zijn gezin gewijzigd is in de loop van de maand die aan de aanvraag voorafgaat, dan wel bij de toekenning in het kader van een herziening: artikel 9, § 3, vereist een wijziging, die noodzakelijk na de aanvraag plaatsvindt, zodat het niet van toepassing is voor het bepalen van het recht op de datum van de aanvraag;

Men zou inderdaad een tussenoplossing kunnen zoeken, zoals de arbeidsrechtbank te Brussel heeft pogen te doen, maar het staat niet aan de rechterlijke macht een verordenende bepaling te vervangen door een andere, door haarzelf opgestelde, regel. Wanneer een koninklijk besluit onwettig is omdat het discriminerend is, moet de discriminerende bepaling zonder meer buiten beschouwing worden gelaten op straffe van schending van artikel 159 van de Grondwet;

Bijgevolg mag geen toepassing worden gemaakt van artikel 9, § 3 , maar wel van artikel 8, § 1;

3.2.3. Toepassing te dezen

Voor de berekening van de toekenning op 1 augustus 2008 moet rekening worden gehouden met de inkomsten van [de verweerder] tijdens het jaar -2, hetzij het jaar 2006".

Grieven

Artikel 7, § 1, eerste lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten bepaalt dat de integratietegemoetkoming enkel kan worden toegekend indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.

Volgens artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming wordt onder inkomen verstaan, de inkomsten van de persoon met een handicap en de inkomsten van de persoon met wie hij een huishouden vormt. De jaarlijkse inkomsten van een jaar zijn de gezamenlijk en afzonderlijk belastbare inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de aanslag inzake personenbelasting en aanvullende belastingen. Wanneer op de berekeningsnota afzonderlijk belastbare inkomsten voorkomen, worden deze bedragen enkel in aanmerking genomen indien ze daadwerkelijk betrekking hebben op het referentiejaar. Volgens het vierde lid van dezelfde paragraaf zijn de in aanmerking te nemen gegevens inzake inkomsten deze die betrekking hebben op het referentiejaar, zijnde het jaar -2. Men verstaat onder "het jaar -2" het tweede kalenderjaar voorafgaand aan: 1° de uit-werkingsdatum van de aanvraag of de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in de gevallen waarin de beslissing op aanvraag wordt genomen; 2° de kalendermaand volgend op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 23, § 1, tot § 1ter, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Artikel 8, § 1, lid 9, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt dat indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt gedurende het jaar -2 nog geen deel uitmaakte van zijn huishouden, de inkomsten van deze persoon op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of van de herziening worden berekend volgens de regels van de vorige leden. Het tiende lid van dezelfde bepaling voegt daaraan toe dat indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormde deel uitmaakte van het huishouden gedurende het jaar -2 maar daarvan geen deel meer uitmaakt op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of de herziening zijn inkomsten niet meer in aanmerking worden genomen.

Wanneer de inkomsten van het jaar -1 ten minste met 20 pct. verlaagd of verhoogd zijn ten opzichte van de inkomsten van het jaar -2, wordt overeenkomstig artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 rekening gehouden met de inkomsten van het jaar -1,.

Artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt evenwel dat, wanneer de gegevens inzake de burgerlijke staat, het huishouden van de persoon met een handicap, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning, welke tot grondslag gediend hebben voor de bepaling van het bedrag van het inkomen, gewijzigd zijn, rekening wordt gehouden met de nieuwe toestand.

Uit de feitelijke vaststellingen van het arrest kan worden afgeleid dat de verweerder op 5 december 2006 een aanvraag heeft ingediend, dat de inkomsten van de verweerder en diens partner op 1 januari 2007 de toekenning van zowel de inkomensvervangende tegemoetkoming als van de integratietegemoetkoming in de weg stonden en dat de verweerder op 1 augustus 2008 als alleenstaande op een nieuw adres werd ingeschreven.

Eerste onderdeel

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C:

1° categorie A : de personen met een handicap die niet behoren tot categorie B, noch tot categorie C;

2° categorie B : de personen met een handicap die ofwel alleen wonen, ofwel sedert ten minste drie maanden dag en nacht in een verzorgingsinstelling verblijven en voorheen niet tot categorie C behoorden;

3° categorie C : de personen met een handicap die ofwel een huishouden vormen, ofwel één of meerdere kinderen ten laste hebben.

Artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreft de vaststelling van de inkomsten, te weten de inkomsten van de persoon met een handicap en die van de persoon met wie hij een huishouden vormt. De toepassing van die bepaling veronderstelt niet noodzakelijk dat de gerechtigde van een bepaalde categorie overgaat naar aan andere, hetzij een hogere, hetzij een lagere, categorie.

Artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 wijkt voor situaties die het vermeldt, af van de regels vervat in de artikelen 8 en 9, § 1, van dat koninklijk besluit meer bepaald inzake de referentieperiode van de in aanmerking te nemen inkomsten. Aangezien artikel 9, § 3, niet refereert aan een voorafgaande periode, moeten de woorden "rekening houden met de nieuwe toestand" uitgelegd worden als "rekening houden met de toestand zoals die op dat ogenblik bestond". Om het bedrag te bepalen van het inkomen van de persoon met een handicap in de nieuwe toestand waarvan sprake in paragraaf 3 van artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 juli 1987, moet men zich plaatsen op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de toestand is veranderd, namelijk in de maand waarin de gegevens inzake de burgerlijke stand, de huidhouding, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning van de gerechtigde zijn gewijzigd.

De omstandigheid dat de aldus uitgelegde toepassing van artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 tot gevolg heeft dat het bedrag van de inkomsten niet vastgesteld wordt door de bevoegde belastingadministratie staat die uitlegging niet in de weg. De toepassing van de algemene regel volgens welke rekening wordt gehouden met de inkomsten met betrekking tot het jaar -2, garandeert evenmin dat die inkomsten werden aangegeven. Daarom bepaalt artikel 8, § 1, zevende lid, van hetzelfde besluit dat, indien de aanvrager of de persoon met wie hij een huishouden vormt geen aangifte in de personenbelasting hebben gedaan betreffende het jaar -2, de Dienst voor Tegemoetkoming aan personen met een handicap, ter vervanging van het niet medegedeeld inkomen, het werkelijk inkomen voor dat beschouwde jaar zelf vaststelt; met het oog daarop zijn de aanvrager en de persoon met wie hij een huishouden vormt verplicht alle nodige gegevens mede te delen.

Uit wat voorafgaat volgt dat het arrest dat beslist dat artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 aangeeft dat de gevolgen van de wijziging van de samenstelling van het gezin in aanmerking worden genomen met name voor het bedrag dat overeenstemt met de categorie en met de in functie van die categorie veranderlijke vrijstellingen en dat artikel niet afwijkt van het referentiejaar van de inkomsten de artikelen 4, 8, § 1, en 9, § 1 en § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 en eveneens artikel 7, § 1, van de Wet Tegemoetkoming Gehandicapten schendt.

Het arrest dat beslist dat voor de berekening van de toekenning op 1 augustus 2008 rekening moet worden gehouden met de inkomsten van de verweerder tijdens het jaar -2, hetzij het jaar 2006, , schendt alle wettelijke en verordenende bepalingen bedoeld in de aanhef van het middel, met uitzondering van de artikelen 10, 11 en 159 van de Grondwet.

Tweede en derde onderdeel

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 7, § 1, eerste lid, Wet Tegemoetkoming Gehandicapten, kunnen de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishou-den vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet over-schrijdt.

Volgens het tweede lid van die paragraaf bepaalt de Koning, bij een besluit vast-gesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder "inko-men" en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.

Artikel 8, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 betreffende de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming bepaalt dat de in aanmerking te nemen gegevens inzake inkomsten deze zijn die betrek-king hebben op het referentiejaar, zijnde het jaar -2. Volgens het vijfde lid ver-staat men onder "het jaar -2" het tweede kalenderjaar voorafgaand aan: 1° de uitwerkingsdatum van de aanvraag of de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in de gevallen waarin de beslissing op aanvraag wordt genomen en 2° de kalender-maand volgend op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening be-doeld in artikel 23, § 1 tot § 1ter van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 be-treffende de procedure voor de behandeling van de dossiers inzake tegemoetko-mingen aan personen met een handicap.

Het negende en tiende lid van artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 bepalen dat, indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt gedurende het jaar -2 nog geen deel uitmaakte van zijn huis-houden, de inkomsten van deze persoon op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of van de herziening worden berekend volgens de regels van de vorige leden, terwijl indien de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormde deel uitmaakte van het huishouden gedurende het jaar -2 maar daarvan geen deel meer uitmaakt op het ogenblik van de aanvraag, van de nieuwe aanvraag of de herziening zijn inkomsten niet meer in aanmerking worden geno-men.

Overeenkomstig artikel 9, § 1, eerste en tweede lid, van voornoemd koninklijk be-sluit van 6 juli 1987 wordt, wanneer de inkomsten van het jaar -1 ten minste met 20 pct. verlaagd of verhoogd zijn ten opzichte van de inkomsten van het jaar -2, rekening gehouden met de inkomsten van het jaar -1, dat gedefinieerd wordt als het eerste kalenderjaar voorafgaand aan: 1° de uitwerkingsdatum van de aanvraag of van de nieuwe aanvraag om tegemoetkoming in de gevallen waarin de beslis-sing op aanvraag wordt genomen, en 2° de kalendermaand volgend op het feit dat aanleiding geeft tot de ambtshalve herziening bedoeld in artikel 23, § 1, van voor-noemd koninklijk besluit van 23 mei 2003.

Luidens artikel 9, § 3, wordt, wanneer de gegevens inzake de burgerlijke staat, het huishouden van de persoon met een handicap, de samenstelling van het gezin, de kinderlast of de samenwoning, welke tot grondslag gediend hebben voor de bepa-ling van het bedrag van het inkomen, gewijzigd zijn, rekening gehouden met de nieuwe toestand.

Uit het geheel van die bepalingen volgt dat artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 6 juli 1987 niet afwijkt van de regels in de artikelen 8, § 1, en 9, § 1, van dat besluit inzake de referentieperiode die in aanmerking moet worden genomen, maar bepaalt dat voor de berekening van die inkomens de door de nieuwe toestand gerechtvaardigde aanpassingen moeten worden toegepast.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Koen Mestdagh, Alain Simon, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare terechtzitting van 16 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Inkomensvervangende tegemoetkoming en intergratietegemoetkoming

  • Bedrag

  • Berekeningswijze

  • Nieuwe gezinssituatie

  • Referentieperiode

  • In aanmerking te nemen inkomens