- Arrest van 17 december 2013

17/12/2013 - P.12.0723.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter kan oordelen dat het passend rechtsherstel voor de miskenning van de redelijke termijnvereiste van artikel 6.1 EVRM bestaat in een strafvermindering, waarbij hij op een reële en duidelijke wijze de straf vermindert ten opzichte van de straf die hij zou hebben opgelegd als hij een dergelijke miskenning niet had vastgesteld, zonder dat evenwel is vereist dat hij daarbij uitdrukkelijk melding maakt van die laatste straf; hieruit volgt dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgesproken straf, die door de appelrechters kan worden verzwaard (1). (1) Zie: Cass. 18 sept. 2012, AR P.12.0349.N, AC 2012, nr. 470; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N, AC 2013, nr. 269.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0723.N

I

K M D S,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Bram Vandromme, advocaat bij de balie te Kortrijk.

II

Y A M I C D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Karlijn Lannoo, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 maart 2012.

Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 september 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14 IVBPR: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, maar verzwaart de door het beroepen vonnis opgelegde straf; het oordeelt ook ten onrechte dat de overschrijding van de redelijke termijn de eiser niet kan grieven of zijn recht van verdediging niet in het gedrang kan brengen; het is onverenigbaar vast te stellen dat de redelijke termijn is overschreden en een hogere dan in eerste aanleg opge-legde straf uit te spreken; aldus koppelt het arrest geen wettige gevolgen aan de miskenning van de redelijke termijn.

1. Het arrest oordeelt niet dat de overschrijding van de redelijke termijn de ei-ser niet kan grieven of zijn recht van verdediging niet in het gedrang kan brengen.

In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelij-ke grondslag.

2. De rechter kan oordelen dat het passend rechtsherstel voor de miskenning van de redelijke termijnvereiste van artikel 6.1 EVRM bestaat in een strafvermin-dering, waarbij hij op een reële en duidelijke wijze de straf vermindert ten opzich-te van de straf die hij zou hebben opgelegd als hij een dergelijke miskenning niet had vastgesteld, zonder dat evenwel is vereist dat hij daarbij uitdrukkelijk melding maakt van die laatste straf. Hieruit volgt dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgespro-ken straf, die door de appelrechters kan worden verzwaard.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. De appelrechters oordelen dat:

- bij het bepalen van de strafmaat zij rekening houden met het grote tijdsverloop tussen de datum van het feit en het tijdstip van de bestraffing, waarbij zij voor de mate van het rechtsherstel van de overschrijding van de redelijke termijn vaststellen dat het te lange tijdsverloop de persoonlijke toestand van de eiser, ook gezien de aard van de inbreuken, slechts in beperkte mate hebben be-zwaard;

- indien de redelijke termijn niet was overschreden, de door de eerste rechter op-gelegde straf te licht was;

- een geldboete van 500 euro meer passend is;

- als voldoende rechtsherstel voor de overschrijding van de redelijke termijn zij deze geldboete op reële en meetbare wijze verminderen.

Met het geheel van die redenen en hun onderlinge samenhang veroordelen zij de eiser tot een geldboete van 200 euro.

Aldus houdt het arrest bij het bepalen van de strafmaat rekening met de over-schrijding van de redelijke termijn.

In zoverre het middel aanvoert dat het arrest geen gevolgen hecht aan de over-schrijding van de redelijke termijn, mist het feitelijke grondslag.

Tweede middel van de eiser I

4. Het middel voert schending aan van artikel 5.32.2.2, § 1, Vlarem II: het ar-rest oordeelt onterecht dat het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende de vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen (hierna: Geluidsnormbesluit) toepasselijk is; deze bepalingen zijn immers enkel van toepassing op niet-ingedeelde inrichtingen en de exploitatie, waar de overtreding werd begaan, is en was ook op het ogenblik van de vaststelling op 24 november 2007 een ingedeelde inrichting klasse 2; aldus hebben de vaststellingen die gebaseerd zijn op het Geluidsnormbesluit, geen bewijswaarde.

5. Het arrest (ro 5) oordeelt in feite, mitsdien onaantastbaar, dat:

- uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat de herberg "Het Wit Kas-teel" op de ten laste gelegde dag een vergunningsplichtige inrichting betrof;

- de oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke lokalen op dat ogenblik niet werd gemeten en geen enkel ander element de bepaling ervan toelaat;

- uit de door de eiser overgelegde stukken evenmin kan worden afgeleid dat de inrichting op het ogenblik van de feiten al een vergunningsplichtige inrichting betrof;

- de aanvraag tot het verkrijgen van een milieuvergunning onder meer voor een inrichting vallend onder rubriek 32.1 van de indelingslijst als bijlage bij Vlarem I, op de wijziging en uitbreiding slaat van een inrichting voor het exploiteren van een feestzaal en zaal voor dansgelegenheid.

Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat het Geluidsnormbesluit van toepassing was op het geluidsniveau in de bewuste in-stelling.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de niet-toepasselijkheid van het Geluidsnormbesluit.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser II

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet wettig waarom het aan de eiser geen opschorting toestaat en beantwoordt eisers verzoek om uitstel van ten-uitvoerlegging van de straf niet; de eiser kan niet akkoord gaan met de motivering dat hij bewust zou hebben gehandeld, omdat deze niet juist is of niet blijkt uit het strafdossier.

8. De appelrechters oordelen onaantastbaar dat de eiser bewust een inbreuk heeft begaan op de regelgeving inzake geluidshinder.

In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appelrechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

9. De reden waarom geen opschorting of uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend, kan ook blijken uit het opleggen van een effectieve straf en de daarvoor gegeven bijzondere redenen.

10. Met de redenen die het arrest (ro 8) bevat, beantwoorden de appelrechters regelmatig eisers verzoek om opschorting en uitstel en omkleden zij hun beslissing de eiser een effectieve bestraffing op te leggen met redenen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser II

11. Het middel voert miskenning van de bewijskracht van akten aan: het arrest oordeelt in strijd met de door de eiser overgelegde stukken dat de horecazaak geen ingedeelde inrichting klasse 2 betreft; de appelrechters hebben geen rekening gehouden met de verschillende documenten en beslissingen vanwege administratieve colleges.

12. Wanneer, zoals het middel aanvoert, de appelrechters geen rekening houden met documenten en beslissingen, kunnen ze bezwaarlijk de bewijskracht ervan miskennen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel van de eiser II

13. Het middel voert schending aan van artikel 5.32.2.2, § 1, Vlarem II: het ar-rest oordeelt onterecht dat de uitbating geen ingedeelde inrichting was, omdat nog geen milieuvergunning was verkregen; slechts nadat een exploitatie voldoet aan één van de bepalingen zoals rubriek 32.1, is deze exploitatie gehouden een mili-euvergunning aan te vragen.

14. Het arrest (ro 4) oordeelt niet zoals in het middel weergegeven, maar wel dat:

- uit de door de eiser overgelegde stukken blijkt dat de horecazaak "het Wit Kas-teel" op grond van de beslissing van 11 december 2008 van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een klasse 2-inrichting betreft, zoals ingedeeld on-der bijlage 1 Vlarem I;

- pas sinds deze beslissing de inrichting was ingedeeld in rubriek 32 van de inde-lingslijst en de bepalingen van het Geluidsnormbesluit niet meer van toepassing zijn voor de inrichting op grond van artikel 5.32.2.2, § 1, Vlarem I;

- op het ogenblik van de vaststellingen de inrichting nog steeds viel onder het toepassingsgebied van de Geluidshinderwet en het Geluidsnormbesluit, zodat er geen reden is tot verbetering van de telastlegging;

- anders dan de eiser voorhoudt, uit niets blijkt dat de inrichting op 24 november 2007 als inrichting al indeelbaar was onder rubriek 32 van de vermelde inde-lingslijst en zo milieuvergunningsplichtig was.

Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Vierde middel van de eiser II

15. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden; nochtans legt het arrest een straf op, die zesmaal hoger is dan deze opgelegd door het beroepen vonnis; dit is in strijd met het principe van de redelijke termijn.

16. De rechter kan oordelen dat het passend rechtsherstel voor de miskenning van de redelijke termijnvereiste van artikel 6.1 EVRM bestaat in een strafvermin-dering, waarbij hij op een reële en duidelijke wijze de straf vermindert ten opzich-te van de straf die hij zou hebben opgelegd als hij een dergelijke miskenning niet had vastgesteld, zonder dat evenwel is vereist dat hij daarbij uitdrukkelijk melding maakt van die laatste straf. Hieruit volgt dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgespro-ken straf, die door de appelrechters kan worden verzwaard.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vijfde middel van de eiser II

17. De eiser voert miskenning aan van het redelijkheidsbeginsel: het arrest heeft het redelijkheidsbeginsel miskend door een geldboete op te leggen die niet in ver-houding staat tot het éénmalig karakter van de inbreuk, de goede wil van de eiser, het tijdsverloop van de procedure en het minimale karakter van de inbreuk.

18. Het middel dat opkomt tegen de onaantastbare beoordeling in feite van de strafmaat door de appelrechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 132,22 euro waarvan de eiser I 64,27 euro ver-schuldigd is en de eiser II 67,95 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Luc Van hoogenbemt, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 17 december 2013 uitgesproken door raadsheer Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche A. Lievens P. Hoet

A. Bloch F. Van Volsem L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding

  • Rechtsherstel

  • Strafvermindering