- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - F.12.0079.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer bij vrijspraak van de niet BTW-plichtige douaneschuldenaar, de teruggave van de inbeslaggenomen goederen niet mogelijk is omdat de goederen, met miskenning van de voorschriften van artikel 276 AWDA, intussen reeds werden vervreemd, kan hij als schadevergoeding aanspraak maken op de vervangingswaarde van de zaak, nl. het bedrag dat nodig is om zich een gelijkaardige zaak aan te schaffen, alsmede op de BTW, de vergoedende interest en de verwijlinterest vanaf de datum van de uitspraak tot het ogenblik van de betaling.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0079.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur der Douane en Accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Eller-manstraat 21,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

P D,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 februari 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 25 juni 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters oordelen dat niet bewezen is dat de verkoop van de trekker gebeurd is met inachtneming van de voorschriften van artikel 276 AWDA.

Ze gronden dit oordeel op de reden dat uit de voorliggende stukken niet blijkt waarom de administratie in 2003 is overgegaan tot de vervroegde verkoop van de trekker en of deze verkoop op correcte wijze is gebeurd.

2. Het onderdeel berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Voor de appelrechters vorderde de verweerder schadevergoeding wegens de onterechte inbeslagname van zijn voertuig en de omstandigheid dat dit niet meer in natura kon worden teruggegeven.

4. De persoon aan wie ten gevolge van een onrechtmatige daad een zaak is ontnomen, heeft recht op herstel van zijn vermogen door teruggave van de zaak die hem is ontnomen.

Wanneer de teruggave niet mogelijk is, heeft het slachtoffer recht op de vervan-gingswaarde van die zaak, dat is op het bedrag dat nodig is om zich een gelijkaar-dige zaak aan te schaffen.

5. In principe omvat bij zaakschade, de schadevergoeding van de benadeelde die geen btw-plichtige is, ook de btw.

De vergoedende interest maakt eveneens deel uit van de vergoeding tot herstel van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade. Hij vergoedt de bijko-mende schade als gevolg van de vertraging van de betaling van de vergoeding waarop de benadeelde recht heeft.

Op de schadevergoeding bij een rechterlijke uitspraak vastgesteld, is verwijlinte-rest verschuldigd vanaf de datum van de uitspraak tot het ogenblik van de beta-ling.

6. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat wanneer bij vrijspraak van de overtre-der, de teruggave van de inbeslaggenomen goederen niet mogelijk is omdat de goederen, met miskenning van de voorschriften van artikel 276 AWDA, intussen reeds werden vervreemd, de eigenaar van deze goederen slechts aanspraak kan maken op de tegenwaarde van die goederen op het ogenblik van de inbeslagname, zijnde de inventariswaarde ervan zoals bepaald overeenkomstig artikel 223 AWDA, faalt naar recht.

Derde onderdeel

7. In zijn appelverzoekschrift voerde de eiser aan dat de verweerder, bovenop de inventariswaarde, geen aanspraak kan maken op "de interesten, laat staan btw", zonder deze aanvoering juridisch op enigerlei wijze te onderbouwen.

8. De appelrechters bevestigen het beroepen vonnis, dat de eiser veroordeelt tot het betalen aan de verweerder van, bovenop de inventariswaarde, de btw, de vergoedende interest en de gerechtelijke moratoire interest.

9. De appelrechters hoefden de weerlegging van de juridisch niet onderbouwde aanvoering van de eiser niet nader te motiveren.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 345,02 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 19 december 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Douane

  • Douaneschuldenaar

  • Vervolging wegens douane-inbreuken

  • Vrijspraak

  • In beslag genomen goederen

  • Teruggave onmogelijk

  • Recht op schadevergoeding