- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - F.12.0109.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving zijn slechts aftrekbare beroepskosten wanneer zij inherent zijn aan de beroepsactiviteit van de belastingplichtige (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0109.N

P I,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Leysen, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Koning Albertstraat 24, bus 1, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 april 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 25 juni 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat artikel 52, 7°, WIB92 onduidelijk is.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

2. De adagia "in claris cessat interpretatio" en "in dubio contra fiscum" zijn geen algemene rechtsbeginselen.

In zoverre het onderdeel miskenning van deze adagia aanvoert, is het niet ontvan-kelijk.

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 49, eerste lid, WIB92 zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedra-gen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

4. Kosten zijn slechts aftrekbaar als beroepskosten wanneer zij inherent zijn aan de uitoefening van de beroepsactiviteit van de belastingplichtige.

5. Krachtens artikel 52, 7°, WIB92 worden als beroepskosten aangemerkt de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een wettelijk of reglementair statuut dat de betrokkenen van het toepassingsgebied van de sociale wetgeving uitsluit.

6. Uit de samenhang tussen deze wetsbepalingen volgt dat persoonlijke bijdra-gen ter uitvoering van de sociale wetgeving slechts aftrekbare beroepskosten zijn wanneer zij inherent zijn aan de beroepsactiviteit van de belastingplichtige.

Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel

7. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel, oordeelt de appelrech-ter niet dat artikel 52, 7°, WIB92 onduidelijk is.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

8. De appelrechter oordeelt niet alleen dat artikel 52, 7°, WIB92 moet uitge-legd worden in zijn samenhang met de artikelen 49 en 53, 1°, WIB92. Hij oordeelt eveneens dat deze wetsbepaling moet uitgelegd worden op grond van zijn wetsge-schiedenis.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

9. Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de aftrekbaarheid van de persoonlijke bijdragen ter uitvoering van de sociale zekerheid volgt uit de sa-menhang tussen de artikelen 49 en 52, 7°, WIB92.

10. Het onderdeel dat aanvoert dat bijdragen ter uitvoering van de sociale ze-kerheid op grond van artikel 52, 7°, WIB92 aftrekbare beroepskosten zijn waarop artikel 49 WIB92 niet van toepassing is, faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

11. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, houden de bijdrage voor de Vlaamse zorgverzekering enerzijds en de persoonlijke bijdrage "financiële ver-antwoordelijkheid" aan het ziekenfonds geen gelijke toestand in.

De prejudiciële vragen dienen niet gesteld te worden.

Zesde onderdeel

12. Met de redenen die het arrest vermeldt, beantwoordt de appelrechter het be-doelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

13. Artikel 346 WIB92 bepaalt dat indien de administratie meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in de aangifte, ze hem bij een ter post aangetekende brief in kennis stelt van de in-komsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend en de redenen vermeldt die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

14. De rechter beoordeelt in feite of het bericht van wijziging van de aangifte de belastingplichtige op een met redenen omklede wijze voldoende inlicht over de inkomsten en andere gegevens die de administratie in de plaats wil stellen van die welke aangegeven of aangenomen zijn, zodat hij de geplande wijziging kan on-derzoeken en ze vervolgens verwerpen of aannemen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verant-woord.

15. De appelrechter oordeelt dat de administratie op afdoende wijze aan de eiser kennis heeft gegeven van de verworpen opmerkingen, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen. Hij verwijst in dit verband naar ledenbijdragen van de zorgverzekering die niet als aftrekbare beroepskosten kunnen beschouwd worden omdat zij niet gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, de telastnemingen van de kosten van niet-medische hulp door de zorgkas geen belastbaar inkomen zijn voor de verkrijgers en de zorgverzekering niet kadert in het domein van de sociale zekerheid.

16. Op grond van deze vaststellingen heeft de appelrechter naar recht kunnen beslissen dat het bericht van wijziging voldoet aan de vereisten van artikel 346 WIB92.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

17. In zoverre gericht tegen het beroepen vonnis, is het onderdeel niet ontvanke-lijk.

18. Met de redenen die het bestreden arrest vermeldt, verwerpt en beantwoordt de appelrechter het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde middel

19. Artikel 375, § 1, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerd ambtenaar, als administratieve overheid, uitspraak doet bij een met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.

20. De appelrechter stelt vast dat:

- de directoriale beslissing de grief van de eiser dat de kennisgeving van de be-slissing tot taxatie onvoldoende gemotiveerd zou zijn, verwerpt onder verwij-zing naar het antwoord van de minister op de parlementaire vraag nr. 439 en weergave van de integrale inhoud van het antwoord in de kennisgeving en van het antwoord die specifiek over de gevoerde betwisting handelt;

- de grief met betrekking tot de aftrekbaarheid als beroepskost van de bijdrage van de Vlaamse zorgverzekering beantwoord wordt door aanhaling van het antwoord van 25 november 2004 op voormelde vraag;

- in dit antwoord wordt gesteld dat de ledenbijdragen van de zorgverzekering niet kunnen aangemerkt worden als beroepskosten op grond van artikel 49 WIB92 omdat zij niet gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en de telastnemingen van de kosten van niet-medische hulp door de zorgkas voor de verkrijgers niet als een belastbaar inkomen aangemerkt worden;

- de ledenbijdragen evenmin kunnen aangemerkt worden als een bijdrage in de zin van artikel 52, 7°, WIB92 omdat de zorgverzekering niet kadert in het do-mein van de sociale zekerheid waarvoor enkel de federale overheid bevoegd is en waarbij verwezen wordt naar het advies van de Raad van State en het arrest nr. 33/2001 van het Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof.

21. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de directoriale beslissing met redenen is omkleed, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

22. Uit het antwoord op het tweede en het derde middel blijkt dat de appelrech-ter zijn beslissing dat de verweerder niet heeft gehandeld in strijd met de artikelen 346 en 375 WIB92, naar recht verantwoordt.

23. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de verweerder voormelde wetsbepalingen heeft geschonden, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 118,74 euro en voor de verweerder op 305 eu-ro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 19 december 2013 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Persoonlijke sociale bijdragen

  • Aftrekbaarheid