- Arrest van 20 december 2013

20/12/2013 - H.13.0001.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Raad voor de Mededinging is een administratief rechtscollege met beslissingsbevoegdheid en andere bevoegdheden die hem door deze wet worden toegekend, en die op organiek vlak, zijn rechtsprekende bevoegdheid in alle autonomie uitoefent; zijn beslissingen inzake restrictieve mededingingspraktijken zijn van rechtsprekende aard (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013 nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. H.13.0001.F

1. BELGACOM nv,

Mrs Dirk Van Liedekerke en Koen Platteau, advocaten bij de balie te Brussel, en mrs Hans Gilliams en Tristan Baumé, advocaten bij de balie te Brussel,

2. BASE COMPANY nv, voorheen genaamd KPN GROUP BELGIUM,

Mrs. Alexandre Verheyden, Werner Derijcke en Karl Stas, advocaten bij de ba-lie te Brussel.

3. MOBISTAR nv,

Mrs Yves Van Gerven en Anne Vallery, advocaten bij de balie te Brussel.

I. FEITEN EN SAISINE VAN HET HOF

1. De Raad voor de Mededinging heeft na een klacht van de naamloze vennoot-schap Base, in zijn beslissing van 26 mei 2009 vastgesteld dat Belgacom de arti-kelen 3 van de gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging, en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft geschonden. De Raad heeft beslist dat Belgacom misbruik heeft gemaakt van haar dominante positie in het segment van de mobiele tele-foonmarkt van professionele klanten met bijzondere vereisten, en heeft haar een geldboete van 66.300.000 euro opgelegd.

2. Belgacom, Base en Mobistar hebben alle drie voor het hof van beroep te Brussel een hoofdberoep tegen die beslissing ingesteld. Base en Belgacom hebben tevens tussenberoepen ingesteld. Mobistar is tussengekomen in de beroepen van de overige operatoren.

Bij een arrest van 15 september 2009 werden de zaken gevoegd.

Base en Mobistar vragen dat het hof van beroep de beslissing van de Raad voor de Mededinging wijzigt in zoverre zij sommige door de auditeur in aanmerking genomen bezwaren niet-gegrond acht en geen uitspraak doet over overige bezwaren van Base en Mobistar tegen Belgacom die door de auditeur niet in aanmerking zijn genomen.

3. Base en Mobistar hebben in het kader van die samengevoegde procedures inza-ge gevraagd van de dossiers van het onderzoek en van de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging.

4. Het hof van beroep heeft in een arrest van 6 mei 2010 over die vorderingen uit-spraak gedaan en aan elk van de eiseressen een eerste inzage verleend van bepaal-de documenten waarop hun vorderingen betrekking hadden, op grond dat die in-zage kon bijdragen tot de doeltreffendheid van de besluitvorming van het hof van beroep. Het heeft de uitspraak aangehouden over de overige documenten waarvan de inzage was gevorderd en de partijen verzocht om hun vorderingen nader toe te lichten of om eventuele nieuwe vorderingen tot inzage in te stellen op basis van de in het arrest gestelde beginselen.

5. Base en Mobistar hebben, op die grond, bij op 18 en 28 september 2012 ter griffie voor het hof van beroep neergelegde conclusies, een ruimere inzage gevor-derd van de dossiers van het onderzoek en van de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging, alsook van nieuwe niet-vertrouwelijke versies van het ver-slag van de auditeur en van de beslissing van de Raad voor de Mededinging die inzage van de vertrouwelijke gegevens belet, conform de beschikkingen van het arrest van het hof van beroep van 6 mei 2010. Voorts hebben de eiseressen, die het bestaan van nieuwe gegevens aanvoeren, de inzage van andere stukken gevorderd.

6. Het hof van beroep heeft in zijn arrest van 28 juni 2013 eraan herinnerd dat de partijen, als zij inzage willen krijgen van sommige stukken van de dossiers van het onderzoek en van de rechtspleging, moeten aantonen dat een dergelijke vordering zou bijdragen tot de doeltreffendheid van de besluitvorming van het hof. Het heeft het bijgevolg onontbeerlijk geacht om de omvang van zijn rechtsprekende bevoegdheid nauwkeurig af te bakenen. Het hof van beroep heeft erop gewezen dat, indien het niet bevoegd is om uitspraak te doen over sommige bezwaren die niet in aanmerking werden genomen, hetzij door de auditeur, hetzij door de Raad voor de Mededinging, de stukken van het dossier betreffende die bezwaren, per definitie, niet zullen kunnen bijdragen tot de doeltreffendheid van de besluitvor-ming, en de inzage ervan bijgevolg zal worden geweigerd.

Het hof van beroep beslist de uitspraak aan te houden over de vordering tot inzage van de dossiers van het onderzoek en van de rechtspleging en de volgende preju-diciële vragen te stellen aan het Hof:

"Moet artikel 75 van de wet van 15 september 2006 tot bescherming van de eco-nomische mededinging in die zin worden uitgelegd dat artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zonder enige beperking van toepassing is op het beroep tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging en dat het hof van beroep te Brussel bijgevolg, op verzoek van de appellanten, uitspraak moet doen over alle feiten van de zaak en zeggen of ze al dan niet restrictieve mededingingspraktijken uitmaken?

Moet, bij een ontkennend antwoord, de volheid van rechtsmacht van het hof van beroep te Brussel in die zin worden uitgelegd dat:

a) betreffende de bezwaren of gegevens die de auditeur niet in zijn eind-verslag in aanmerking heeft genomen:

- het hof van beroep te Brussel daarover geen uitspraak kan doen, aan-gezien het geen ruimere bevoegdheid heeft dan die welke aan de Raad voor de Mededinging is toegekend door artikel 45, § 4, van de wet tot bescherming van de economische mededinging dat mutatis mutandis van toepassing is in hoger beroep?

ofwel:

- het hof van beroep te Brussel daarover slechts uitspraak kan doen mits het voorafgaandelijk heeft vastgesteld dat de beslissing van de auditeur op een kennelijke beoordelingsfout berust?

b) betreffende de bezwaren of gegevens die de auditeur in aanmerking heeft genomen maar de Raad voor de Mededinging heeft verworpen:

- het hof van beroep te Brussel daarover geen uitspraak kan doen en slechts een nieuwe beslissing kan nemen op voorwaarde dat het vooraf-gaandelijk de in het kader van een objectief beroep bestreden beslissing heeft vernietigd?

ofwel:

- het hof van beroep te Brussel daarover slechts uitspraak kan doen mits het voorafgaandelijk de in het kader van een objectief beroep bestreden beslissing heeft vernietigd en indien de nieuwe beslissing geen enkele beoordelingsmarge vereist?"

II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

7. Overeenkomstig artikel 73, § 2, van de wet tot bescherming van de economi-sche mededinging heeft de griffie van het Hof, bij kennisgevingen van 30 augus-tus 2013, Belgacom, Base, Mobistar, de minister van Economie en de Europese Commissie van de prejudiciële vragen in kennis gesteld. Zij heeft ook de voorzit-ter van de Raad voor de Mededinging en de auditeur-generaal bij de Raad daar-over ingelicht.

Met die kennisgevingen werden Belgacom, Base, Mobistar, de minister van Economie en de Europese Commissie uitgenodigd om, desgevallend, hun schrif-telijke opmerkingen binnen een maand te bezorgen, werd hen gemeld dat zij het dossier van de rechtspleging op de griffie konden raadplegen, en dat zij, op hun verzoek, gehoord konden worden op de terechtzitting van 25 oktober 2013.

8. Schriftelijke opmerkingen werden op 30 september 2013 door Belgacom en Mobistar en op 2 oktober 2013 door Base neergelegd.

Belgacom, Mobistar en Base hebben gevraagd om gehoord te worden.

9. De raadslieden van Belgacom, Base en Mobistar werden op 25 oktober 2013 in hun pleidooien gehoord.

10. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 14 november 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

11. Schriftelijke opmerkingen over die conclusie werden op 27 november 2013 door Base en Mobistar en op 28 november 2013 door Belgacom neergelegd.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Over de eerste vraag:

12. Het hof van beroep wil met de eerste vraag achterhalen of artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging in die zin moet worden uitgelegd dat artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zonder enige beperking van toepassing is op het beroep tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging en of het hof van beroep te Brussel, bijgevolg, op verzoek van de partijen, uitspraak moet doen over alle feiten van de zaak en zeggen of ze al dan niet restrictieve mededingingspraktijken uitmaken.

13. Luidens artikel 75, eerste lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging kan tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concen-traties door het verstrijken van de in de artikelen 58 en 59 bepaalde termijnen be-roep worden ingesteld bij het hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel 79.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat het hof van beroep uitspraak doet met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend in-zake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties en dat het de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging kan nemen.

Krachtens het derde lid kan het hof van beroep geldboetes en dwangsommen op-leggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling 8 van Hoofdstuk IV.

14. Volgens artikel 11, § 1, van de wet tot bescherming van de economische me-dedinging is de Raad voor de Mededinging een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid van beslissing heeft, alsmede de andere bevoegdheden die hem door die wet worden toegekend.

Op organiek vlak oefent hij zijn rechtsprekende bevoegdheid in alle onafhanke-lijkheid uit.

Zijn beslissingen inzake restrictieve mededingingspraktijken zijn van rechtspre-kende aard.

15. De parlementaire voorbereiding van artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging preciseert dat het hof van beroep, op het in die be-paling vastgelegde beroep, zijn beoordeling volledig in de plaats kan stellen van deze van de Raad voor de Mededinging en dat het niet alleen de beslissing waar-tegen beroep werd ingesteld kan annuleren, maar deze ook kan hervormen en een beslissing kan nemen die de aangevochten beslissing vervangt.

De volheid van rechtsmacht impliceert dat het hof van beroep, in de mate waarin het gevat is krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep in de zin van artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak doet over alle rechts- en feitelijke vragen van de zaak zoals zij door de Raad voor de Mededin-ging werd onderzocht.

16. De saisine van het hof van beroep is beperkt tot de bezwaren of gegevens die door de auditeur in zijn met redenen omkleed verslag in aanmerking zijn genomen en die door de Raad voor de Mededinging zijn onderzocht.

Krachtens de artikelen 45, § 4, en 48, § 4, van de wet tot bescherming van de eco-nomische mededinging kan de Raad voor de Mededinging slechts uitspraak doen over de bezwaren die in aanmerking zijn genomen in het met redenen omkleed verslag van de auditeur en enkel op grond van de gegevens die in dat verslag in aanmerking zijn genomen.

Het hof van beroep heeft niet de hoedanigheid van een mededingingsautoriteit. Het is een gerechtelijke beroepsinstantie die moet nagaan of de door de auditeur in aanmerking genomen gegevens een restrictieve mededingingspraktijk uitmaken en of de door hem verwoorde bezwaren bewezen zijn.

Het kan bijgevolg geen uitspraak doen over de bezwaren of gegevens waarover de Raad voor de Mededinging geen uitspraak heeft gedaan.

De ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad voor de Mededinging, die het hof van beroep volgens voornoemd ar-tikel 75, tweede lid, in aanmerking kan nemen, dienen uitsluitend ter verduidelij-king van de bezwaren en gegevens waarover de Raad voor de Mededinging uit-spraak heeft gedaan.

17. Artikel 76, § 2, achtste lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging bepaalt dat het hof van beroep het auditoraat bij de Raad voor de Mededinging kan verzoeken om een onderzoek in te stellen en hem zijn verslag mee te delen en dat het auditoraat, in dat geval, beschikt over de onderzoeksbe-voegdheden zoals bepaald bij Afdeling 1 van Hoofdstuk IV.

Nochtans volgt uit de opzet van de wet tot bescherming van de economische me-dedinging dat het verslag dat in dat geval door het auditoraat wordt opgesteld, niet gelijkstaat met een aanvullend verslag in de zin van artikel 48, § 4 en 6, en geen nieuwe bezwaren mag bevatten.

Krachtens artikel 45, § 4, eerste lid, van de wet tot bescherming van de economi-sche mededinging wordt een met redenen omkleed verslag neergelegd bij de Raad voor de Mededinging en omvat dat verslag het onderzoeksverslag, de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing.

Krachtens voornoemd artikel 76, § 2, achtste lid, krijgt het hof van beroep daaren-tegen enkel mededeling van een onderzoeksverslag.

Bovendien verwijst artikel 76, § 2, achtste lid, niet naar artikel 48, § 4.

Daaruit volgt dat het hof van beroep aan het auditoraat geen onderzoek naar nieu-we bezwaren of gegevens kan vragen.

18. Op de eerste vraag dient geantwoord te worden dat artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging aldus moet worden uitgelegd dat artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op een beroep te-gen een eindbeslissing van de Raad voor de Mededinging en dat het hof van be-roep, op verzoek van de partijen, uitspraak moet doen over alle feiten van de zaak en zeggen of ze restrictieve praktijken uitmaken, maar slechts in zoverre de Raad voor de Mededinging uitspraak heeft gedaan en enkel in het kader van de bezwa-ren en gegevens die door de auditeur in zijn met redenen omkleed verslag in aan-merking zijn genomen en door de Raad zijn onderzocht.

Over de tweede vraag:

19. Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst het hof van be-roep te achterhalen of zijn volheid van rechtsmacht in die zin moet worden uit-gelegd dat het geen uitspraak kan doen over de bezwaren of gegevens die door de auditeur niet in zijn eindverslag in aanmerking zijn genomen, dan wel of het daarover slechts uitspraak kan doen mits het voorafgaandelijk heeft vastgesteld dat de beslissing van de auditeur berust op een kennelijke beoordelingsfout.

20. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat de volheid van rechtsmacht van het hof van beroep in die zin moet worden begrepen dat het geen uitspraak kan doen over bezwaren of ge-gevens die door de auditeur in zijn met redenen omkleed verslag en eventueel in zijn aanvullend verslag niet in aanmerking zijn genomen.

Over de derde vraag:

21. Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst het hof van be-roep te achterhalen of zijn volheid van rechtsmacht in die zin moet worden be-grepen dat het over de bezwaren die door de auditeur in aanmerking zijn geno-men, maar door de Raad voor de Mededinging zijn verworpen slechts uitspraak kan doen mits het voorafgaandelijk de in het kader van een objectief beroep be-streden beslissing heeft vernietigd en voor zover de nieuwe beslissing geen enkele beoordelingsmarge vereist.

22. Artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is in de mate zoals gepreciseerd in het antwoord op de eerste vraag, van toepassing op een beroep tegen een eindbeslissing van de Raad voor de Mededinging.

Daaruit volgt dat het hof van beroep, in de regel, uitspraak kan doen over een be-zwaar dat de auditeur in aanmerking heeft genomen, maar door de Raad voor de Mededinging werd verworpen, zonder dat het daarbij voorafgaandelijk de in het kader van een objectief beroep bestreden beslissing hoeft te vernietigen, ook al vereist de nieuwe beslissing een beoordelingsmarge.

23. Zodra echter het door de Raad voor de Mededinging verworpen bezwaar een restrictieve mededingingspraktijk beoogt vast te stellen die een Europese dimensie heeft, moeten de bepalingen van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in aanmerking worden genomen.

Krachtens artikel 35 van die verordening wijzen de lidstaten de mededingings-autoriteit of -autoriteiten die bevoegd zijn de artikelen 101 en 102 van het Ver-drag toe te passen, zodanig dat de bepalingen van die verordening daadwerkelijk worden nageleefd.

Het hof van beroep is geen mededingingsautoriteit in de zin van artikel 35 van de verordening nr. 1/2003.

Het kan dus niet zelf een restrictieve praktijk sanctioneren die strijdig is met de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op basis van een bezwaar dat door de Raad voor de Mededinging is ver-worpen. Met betrekking tot een beslissing van de Raad voor de Mededinging die een restrictieve mededingingspraktijk in de zin van artikelen 101 of 102 van voor-noemd Verdrag afwijst, heeft het slechts een bevoegdheid tot nietigverklaring.

24. Op de derde vraag dient dus te worden geantwoord dat de volheid van rechtsmacht van het hof van beroep in die zin moet worden begrepen dat genoemd hof, in de regel, uitspraak kan doen over een bezwaar dat de auditeur in aanmerking heeft genomen, maar door de Raad voor de Mededinging werd verworpen, zonder dat het daarbij voorafgaandelijk de in het kader van een objectief beroep bestreden beslissing hoeft te vernietigen, ook al vereist de nieuwe beslissing een beoordelingsmarge, maar dat het hof van beroep, zodra de vermeende praktijk een Europese dimensie heeft, met betrekking tot een beslissing van de Raad voor de Mededinging die een inbreuk op de artikelen 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afwijst, slechts een bevoegdheid tot nietigverklaring heeft.

Betreffende de kosten:

25. De rechtspleging leidt niet tot kosten voor het Hof.

Dictum

Het Hof,

Zegt voor recht dat

Betreffende de eerste vraag :

Artikel 75 van de wet tot bescherming van de economische mededinging moet al-dus worden uitgelegd dat artikel 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op een beroep tegen een eindbeslissing van de Raad voor de Mededinging en dat het hof van beroep, op verzoek van de partijen, uitspraak moet doen over alle feiten van de zaak en zeggen of ze restrictieve praktijken uit-maken, maar slechts in zoverre de Raad voor de Mededinging uitspraak heeft ge-daan en enkel in het kader van de bezwaren en gegevens die door de auditeur in zijn met redenen omkleed verslag in aanmerking zijn genomen en door de Raad zijn onderzocht;

Betreffende de tweede vraag :

De volheid van rechtsmacht van het hof van beroep moet in die zin worden begre-pen dat het geen uitspraak kan doen over bezwaren of gegevens die door de audi-teur in zijn met redenen omkleed verslag en eventueel in zijn aanvullend verslag niet in aanmerking zijn genomen;

Betreffende de derde vraag:

De volheid van rechtsmacht van het hof van beroep moet in die zin worden begrepen dat genoemd hof, in de regel, uitspraak kan doen over een bezwaar dat de auditeur in aanmerking heeft genomen, maar door de Raad voor de Mededinging werd verworpen, zonder dat het daarbij voorafgaandelijk de in het kader van een objectief beroep bestreden beslissing hoeft te vernietigen, ook al vereist de nieuwe beslissing een beoordelingsmarge, maar dat het hof van beroep, zodra de vermeende praktijk een Europese dimensie heeft, met betrekking tot een beslissing van de Raad voor de Mededinging die een inbreuk op de artikelen 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie afwijst, slechts een bevoegdheid tot nietigverklaring heeft.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, de afdelingsvoorzitters Paul Maffei en Albert Fettweis, raadsheer Martine Regout, en in openbare terechtzit-ting van 20 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van grif-fier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Wet tot bescherming van de economische mededinging

  • Raad voor de Mededinging

  • Administratief rechtscollege

  • Restrictieve mededingingspraktijken

  • Beslissing van rechtsprekende aard