- Arrest van 20 december 2013

20/12/2013 - F.12.0136.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het door de belastingplichtige gedane verzet tegen dwangbevel krijgt uitwerking op het tijdstip van de neerlegging van het verzoekschrift op tegenspraak op de griffie van de rechtbank (1); op dat tijdstip verliest het voorheen door de belastingadministratie gelegde vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden zijn bewarende aard en wordt die administratie door de wet belet om naderhand een gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden te leggen, zelfs om de bewarende aard te verzekeren (2). (1) Zie andersluidende concl. O.M. in Pas. 2013, nr. *** (2) Zie andersluidende concl. O.M. in Pas. 2013, nr. ***


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0136.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

N. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 29 maart 2012.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 29 november 2013 een conclusie neer-gelegd op de griffie.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 32, 2°, en 53bis Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 89 Btw-wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest overweegt: "Aangezien [de verweerder], door de neerlegging van zijn verzoekschrift op 15 juli 2010, verzet heeft gedaan tegen het dwangbevel dat hem op 2 juni 2010 ter kennis werd gebracht, werd het [de eiser] verboden betaling van zijn schuldvordering te verkrijgen via gedwongen tenuitvoerlegging, aangezien de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel effect sorteerde zodra het verzoekschrift ter griffie was neergelegd. Enkel die neerlegging maakt het verzet tegen dwangbevel bij de rechtbank aanhangig, en niet zoals [de eiser] ten onrechte staande houdt, de kennisgeving van het verzoekschrift die slechts geldt als oproeping tot de inleidende terechtzitting.

(...)

Daaruit volgt dat de datum van de expeditie of van de neerlegging ter griffie in aanmerking moet worden genomen wanneer het gaat om de belangen van de [verweerder], zoals hier het geval is, daar het gaat om de stuitende werking van de neerlegging van het verzoekschrift van verzet tegen dwangbevel.

De kennisgeving van dat verzoekschrift doet ten aanzien [van de eiser] geen enkele specifieke consecutieve termijn ingaan in het kader van de procedure tot invordering van de belasting zodat hij niet kan steunen op de ontvangsttheorie, die in dit geval niet van toepassing is."

Grieven

Hoewel volgens artikel 89, tweede lid, [Btw-wetboek] "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (...) slechts (kan) worden gestuit door een vordering in rechte", kan die tenuitvoerlegging slechts worden gestuit indien die rechtsvordering bekend is.

Artikel 1385decies Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering wordt ingesteld door een verzoekschrift op tegenspraak.

Anders dan de betekening die, volgens artikel 32, 1°, Gerechtelijk Wetboek bestaat in "de afgifte van een afschrift van de akte; zij geschiedt bij gerechtsdeurwaardersexploot", is de kennisgeving, luidens artikel 32, 2°, Gerechtelijk Wetboek "de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift; zij geschiedt langs de postdiensten, of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die de wet voorschrijft".

Uit dat onderscheid volgt dat, in het geval een gerechtsdeurwaardersakte, de partij aan wie zij wordt betekend terstond kennis ervan kan hebben terwijl, wanneer die akte hem ter kennis wordt gebracht, die kennisneming later gebeurt.

De wetgever heeft bij de wet van 13 december 2005 houdende bepalingen betref-fende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling, in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 53bis ingevoegd dat luidt als volgt:

"Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend:

1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aange-tekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;

2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst."

De parlementaire voorbereiding vermeldt: "Wanneer een akte per post ter kennis wordt gebracht van de geadresseerde, is er altijd ten minste één dag verschil tussen de dag van verzending en de dag van ontvangst. Er bestaat dus rechtsonzekerheid over het exacte moment waarop een termijn die begint te lopen na een kennisgeving, ingaat" (Gedr. St. Kamer, gew. zitt. 2005-2006, 1309/001, p. 6).

Bij de redactie van de wet beoogde de wetgever "dat één enkele algemene oplossing moet worden gevonden voor het vaststellen van de datum waarop de termijn ingaat die begint te lopen na een kennisgeving. Het optreden van de wetgever is des te meer verantwoord gelet op de uiteenlopende rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Arbitragehof, waardoor grote rechtsonzekerheid ontstaat.

Het bereiken van een dergelijke oplossing is juist de doelstelling van de besproken bepaling, op grond waarvan een artikel 53bis in het Gerechtelijk Wetboek wordt ingevoegd" (Gedr. St. Kamer, gew. zitt. 2005-2006, 1309/001, p. 6).

De wetgever vermeldde echter in het bijzonder: "De theorie van de zogenaamde dubbele datum (G. De Leval, Eléments de procédure civile, Larcier, 2003, nr. 60, blz. 86) wordt zo niet opnieuw ter discussie gesteld." (Gedr. St. Kamer, gew. zitt. 2005-2006, 1309/001, p. 8).

Inzake de belasting over de toegevoegde waarde is het dwangbevel niet alleen de taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, maar de akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van de belasting-schuld (zie in die zin Cass., 9 maart 2006, C.04.0284.N).

Het verzet tegen dwangbevel doet een termijn ingaan waarbinnen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door de met de invordering belaste ambtenaar, tot op het ogenblik waarop een definitieve gerechtelijk beslissing valt, (artikel 92bis [Btw-wetboek]), wordt gestuit (artikel 89 [Btw-wetboek]).

Bijgevolg doet de kennisgeving van het verzet tegen dwangbevel een specifieke termijn ingaan ten aanzien van de eiser in het kader van de procedure van de in-vordering van de belasting aangezien hij niet langer maatregelen van tenuitvoer-legging kan nemen.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest de ratio legis de artikel 53bis van het Ge-rechtelijk Wetboek miskent en de in het middel weergegeven bepalingen schendt, enerzijds, wanneer het de gevolgtrekking maakt volgens welke "de datum van de expeditie of van de neerlegging ter griffie in aanmerking moet worden genomen wanneer het gaat om de belangen van de [verweerder], zoals hier het geval is, daar het gaat om de stuitende werking van de neerlegging van het verzoekschrift van verzet tegen dwangbevel" en anderzijds dat "de kennisgeving van dat verzoekschrift (...) ten aanzien [van de eiser] geen enkele specifieke consecutieve termijn (doet) ingaan in het kader van de procedure tot invordering van de belasting zodat hij niet kan steunen op de ontvangsttheorie, die in dit geval niet van toepassing is", zonder na te gaan of de eiser wel degelijk op de hoogte kan zijn van de stuiting van tenuitvoerlegging van het dwangbevel.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 85bis en 89 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep stelt vast dat "artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek], op straffe van verval van het bewarend effect van het vereenvoudigde derdenbeslag, de belastingadministratie oplegt een deurwaardersexploot aan te wenden op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer de derde-beslagene haar heeft gemeld dat de schuldenaar zich verzet tegen dat vereenvoudigde derdenbeslag, wat [de verweerder] heeft gedaan bij brief van 18 juni 2010", en beslist vervolgens, enerzijds, dat "[de eiser] door de betekening van het deurwaardersexploot [aan de verweerder] op 19 juli 2010, de gedwongen tenuitvoerlegging ten aanzien [van de verweerder] wilde bewerkstelligen, wat hem wettelijk werd belet door de eerdere neerlegging, op 15 juli 2010, van het verzoek-schrift tot verzet tegen dwangbevel" en, anderzijds, bijgevolg, dat "[de eiser] zich derhalve niet kan beroepen op het, in artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek] bedoelde be-warend effect van het op 17 juni 2010 ter kennis gebrachte vereenvoudigde derdenbeslag, wegens de onwettigheid van het op 19 juli 2010 betekende gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden".

Het hof van beroep bevestigt bijgevolg het beroepen vonnis dat de opheffing be-veelt van de derdenbeslagen die werden gelegd volgens de aangetekende brief van 17 juni 2010 en volgens het exploot van 19 juli 2010.

Grieven

Artikel 89, tweede lid, [Btw-wetboek] bepaalt: "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte".

Artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek] luidt als volgt:

"Het uitvoerend beslag onder derden moet geschieden door middel van een deurwaardersexploot op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer blijkt uit de verklaring waartoe de derde-beslagene gehouden is na het beslag gedaan bij een ter post aangetekende brief overeenkomstig § 1:

1° dat de beslagen schuldenaar zich verzet tegen het uitvoerend beslag onder derden;

2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de beslagen schuldenaar betwist;

3° dat vóór het beslag door de rekenplichtige een andere schuldeiser zich heeft verzet tegen de afgifte door de derde-beslagene van de door deze verschuldigde sommen.

In deze gevallen blijft het door de rekenplichtige bij een ter post aangetekende brief gelegd beslag zijn bewarend effect behouden wanneer een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd als bepaald bij artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na de afgifte ter post van de verklaring van de derde-beslagene".

De btw-ontvanger heeft gehandeld op grond van artikel 85bis [Btw-wetboek], dat een specifieke fiscale bepaling is.

De eiser was niet van plan het vóór het verzet tegen dwangbevel gelegde vereen-voudigde uitvoerend beslag onder derden te bewerkstelligen, maar wel het te bevestigen, met toepassing van artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek].

Een fiscaal beroep inzake belasting over de toegevoegde waarde stuit evenwel de tenuitvoerlegging van het dwangbevel zodat de maatregelen van tenuitvoerlegging van vóór het verzet tegen dwangbevel hun bewarend effect behouden.

De eiser meent dienaangaande te kunnen verwijzen naar de beslissingen van de bodemrechters, zoals ze hierboven werden vermeld onder de rubriek "Voorafgaande opmerkingen over de formulering van de cassatiemiddelen".

De uitlegging van het hof van beroep zou alle ingelichte schuldenaars bij wie een vereenvoudigd derdenbeslag wordt gelegd, de mogelijkheid bieden om onmiddellijk verzet tegen dwangbevel te doen, waardoor die invorderingsmaatregel totaal ondoeltreffend zou worden, zodat artikel 85bis [Btw-wetboek] in de praktijk volledig onwerkzaam zou worden, aangezien de eiser onmogelijk het eerder betwiste vereenvoudigde beslag via gerechtsdeurwaarder zou kunnen doen bevestigen.

Die uitlegging is des te erger, daar er in het [Btw-wetboek] geen voorafbepaalde termijn bestaat waarbinnen het verzet moet worden ingesteld.

Per slot van zaken zal de met de invordering belaste ambtenaar niet langer gebruik maken van die maatregel die onder meer "een beperking van de gerechtskosten beoogt" (Gedr. St. Kamer,. zitt. 1979-1980, nr. 323/47, p. 89) en zal hij onmiddellijk een tenuitvoerlegging via gerechtsdeurwaarder hanteren op gevaar af dat de gevolgen van de beslagen worden gestuit met toepassing van artikel 89 [Btw-wetboek].

Behalve indien men artikel 85bis [Btw-wetboek] elke betekenis wil ontnemen, moet integendeel noodzakelijkerwijs worden aangenomen dat de geldigheid van een dergelijke procedure beoordeeld wordt op het tijdstip van de uitvoering van het vereenvoudigde derdenbeslag en dat het er uiteindelijk weinig toe doet dat de eventuele door artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek] voorgeschreven validering ervan volgens de gemeenrechtelijke vormen tussenkomt voor of na het beroep ten gronde van de schuldenaar, aangezien het hier niet gaat om een nieuw beslag, maar om een loutere door de belastingwet voorgeschreven bevestiging van het oorspronkelijke vereenvoudigde beslag.

Wanneer de ontvanger, op grond van artikel 85bis, § 3, [Btw-wetboek], via een gerechtsdeurwaarder beslag doet leggen, beoogt hij daarmee enkel dat het vereenvoudigde derdenbelsag "zijn bewarend effect blijft behouden" volgens de bewoordingen van het tweede lid van die bepaling, terwijl artikel 89 [Btw-wetboek] enkel doelt op de stuiting van "de tenuitvoerlegging van het dwangbevel".

Die bedoeling strookt overigens met artikel 89 [Btw-wetboek], luidens hetwelk de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit door een vordering in rechte.

Door die uitspraak, holt het arrest de essentie uit van het verloop van de in artikel 85bis [Btw-wetboek] bepaalde procedure, in het kader waarvan, in de in paragraaf 3 vermelde gevallen, het bij deurwaardersexploot gelegde beslag op de wijze bepaald in de artikelen 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, en het vereenvoudigde derdenbeslag één en dezelfde procedure vormen.

Voor het overige schendt het arrest, op zijn minst, artikel 89, tweede lid, [Btw-wetboek], aangezien uit die bepaling volgt dat het instellen van een fiscaal beroep niet leidt tot nietigheid van de procedure van tenuitvoerlegging, maar enkel het bewerkstelligen ervan stuit.

Aangezien het bestreden arrest aanneemt dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, met toepassing van artikel 89 [Btw-wetboek], wordt gestuit door het op 15 juli 2010 ter griffie neergelegde verzet, schendt het op zijn minst dat artikel en miskent het de stuitende werking van het verzet van 15 juli 2010, wanneer het zijn beslissing bevestigt tot opheffing van het eerder, namelijk op 17 juni 2010, gelegde vereenvoudigde derdenbeslag.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens de artikelen 89 Btw-wetboek en 1385decies Gerechtelijk Wetboek wordt de tenuitvoerlegging van het door de administratie uitgevaardigde dwang-bevel met het oog op de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde gestuit door een bij verzoekschrift op tegenspraak ingestelde vordering in rechte.

Artikel 1034quinquies Gerechtelijk Wetboek, waarnaar voornoemd artikel 1385decies verwijst, bepaalt dat het verzoekschrift met zijn bijlage, bij aangete-kende brief gezonden wordt aan de griffier van het gerecht of ter griffie neerge-legd.

Het arrest dat vaststelt dat de verweerder op 15 juli 2010, datum van neerlegging van zijn verzoekschrift op tegenspraak, op de griffie van de rechtbank verzet heeft gedaan tegen het dwangbevel, beslist naar recht dat de eiser op 19 juli 2010 niet kon doen overgaan tot het litigieuze uitvoerend beslag onder derden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Krachtens artikel 85bis, § 3, Btw-wetboek, blijft het vereenvoudigde uitvoerend beslag onder derden, wanneer uit de verklaring van de derde-beslagene blijkt dat de schuldenaar zich tegen genoemd beslag verzet, slechts zijn bewarend effect be-houden wanneer een gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden wordt ge-legd binnen een maand na de afgifte ter post van zijn verklaring.

Die bepaling onderstelt dat het gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden op wettelijke wijze gebeurt.

Krachtens artikel 89, tweede lid, van dat wetboek kan de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts worden gestuit door een vordering in rechte. Hieruit volgt dat de administratie niet langer maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan nemen nadat de belastingschuldige daartegen verzet heeft ge-daan.

Het arrest stelt vast dat de eiser op 17 juni 2010 een vereenvoudigd uitvoerend be-slag onder derden heeft doen leggen, dat de verweerder bij een op 15 juli 2010 ter griffie neergelegd verzoekschrift verzet tegen het dwangbevel heeft gedaan en dat de eiser op 19 juli 2010 een gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden heeft doen leggen.

Het overweegt dat de eiser op laatstgenoemde datum wettelijk verhinderd was de gedwongen tenuitvoerlegging van het dwangbevel tegen de verweerder te bewerkstelligen omdat er voordien een verzoekschrift tot verzet was neergelegd, zodat genoemd beslag onwettig is.

Met die vermeldingen verantwoordt het naar recht zijn beslissing dat het vereen-voudigde uitvoerend beslag van 17 juni 2010 zijn bewarend effect verloren heeft.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 20 december 2013 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Invordering

  • Dwangbevel

  • Vereenvoudigd uitvoerend beslag onder derden

  • Verzet tegen dwangbevel

  • Verzoekschrift op tegenspraak

  • Tijdstip

  • Gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden

  • Bewarende aard

  • Wettigheid