- Arrest van 3 januari 2014

03/01/2014 - C.10.0293.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De federale Staat is bevoegd om een recht voor controle en toezicht op te leggen voor het gebruik van een telecommunicatienet dat de punt-tot-puntverbinding verzekert tussen een studio waar radio-uitzendingen worden gemaakt en een zendinstallatie, die tot doel heeft die uitzendingen die uiteindelijk voor het publiek bestemd zijn, over te brengen (1). (1) Art. 11, Wet 30 juli 1979, vervangen door art. 338 van de programmawet van 22 dec. 1989 en gewijzigd door art. 3, KB 15 maart 1994.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0293.F

CONTACTSAT nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCH INSTITUUT VOOR POSTDIENSTEN EN TELECOMMUNICATIE,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 januari 2010.

Bij arrest van 25 mei 2012 heeft het Hof de uitspraak aangehouden tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de in het dictum van dat arrest weergegeven prejudiciële vraag.

Het Grondwettelijk Hof heeft op die vraag geantwoord in zijn arrest 95/2013 van 9 juli 2013.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijk bepalingen

- artikel 59bis, § 2, 1°, van de Grondwet van 7 februari 1831, thans artikel 127, § 1, 1°, van de gecoördineerde Grondwet en, voor zover nodig, dat artikel 127, § 1, 1°, zoals het was opgesteld zowel vóór als na de wijziging ervan op 25 februari 2005;

- de artikelen 33, 35, 38, 141, 142, 149 en 159 van de Grondwet.

- artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

- de artikelen 6, 1131, 1354, 1355 en 1356 van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel betreffende de afstand van een recht, volgens hetwelk afstand van een recht beperkend moet worden uitgelegd, niet kan worden vermoed en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn;

- algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt een beslissing, met name een rechtsnorm, toe te passen die een hogere rechtsnorm schendt;

- de artikelen 2, 3 en 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen;

- de artikelen 1, 7°, en 11 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioverbindingen, zoals die wet van toepassing was vóór de opheffing ervan, op 30 juni 2005, door de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart, "veroordeelt de [eiseres] om [aan de verweerder] een bedrag van 266.666,32 euro in hoofdsom te betalen en veroordeelt haar tot betaling van de moratoire interest tegen de wettelijke rentevoet op : - 76.262,40 euro vanaf 27 april 2004, - 181.982,54 euro vanaf 29 juli 2005, - 218.982,54 euro vanaf 29 juli 2005, - 218.552,64 euro vanaf 19 september 2006, - 266.666,32 euro vanaf 18 februari 2008, tot de dag van betaling".

Het verwerpt aldus de conclusie waarin de eiseres aanvoerde dat haar net van tweede categorie deel uitmaakte van het radioverbindingsnet van de Contact-groep, in zoverre het enkel werd gebruikt voor de overbrenging van radio-uitzendingen van de radioverbindingsstations van de Contact-groep (Radio Contact, Contact 2 of C2, Ath RC, Radio Sympathiek, Stella, Bierges C2, Contact 2 Vlaanderen), zodat de verweerder, die behoort tot de federale Staat, in de bevoegdheden van de gemeenschappen, waaronder die van de radioverbinding, is getreden, en dat het daarbij weinig ertoe deed dat het betrokken net, uit een technisch oogpunt, tussen vaste punten verzond, daar de verzonden informatie uiteindelijk (na herverwerking) naar het publiek werd verzonden, omdat het Grondwettelijk Hof in dat verband immers het "beginsel van technologische neutraliteit" had bevestigd.

Het bestreden arrest grondt zijn beslissing op de volgende redenen :

1° "33. De aanvragen van de [eiseres], [aan de verweerder], voor het verkrijgen van een vergunning voor het gebruik van straalverbindingen zijn, sinds 1999, steeds ingediend op grond van een standaardformulier, waarop duidelijk vermeld staat dat de aanvraag betrekking heeft op een vergunning voor de tweede categorie a).

34. Volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen gaat het om een rangschikking van radioverbindingsstations en -netten, en met name van vaste netten aangelegd met beroepsdoeleinden (veiligheidsdoeleinden of doeleinden van openbaar nut), met uitzondering van die welke in de zesde categorie gerangschikt kunnen worden.

(...) 35. Bijgevolg heeft de [eiseres], die zich in al haar aanvragen (en conclusies) heeft omschreven als beheerder en dienstverlenend bedrijf op het gebied van telecommunicatie en als technisch operator, zich van bij de aanvang beschouwd als een operator die een aanvraag indient voor het gebruik van straalverbindingen in het kader van een radioverbindingsnet in de zin van artikel 1, 3° en 6°, van de wet van

30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving. Volgens die wetsbepalingen verstond men onder ‘radioverbinding : elke overbrenging, door middel van radio-elektrische golven, van inlichtingen van alle aard, inzonderheid van klanken, (teksten, beelden, overeengekomen tekens, numerieke of analoge uitdrukkingen, seinen voor afstandsbediening, seinen bestemd voor de opsporing of voor de bepaling van de plaats of de beweging van voorwerpen)' en onder ‘net voor radioverbinding: het geheel samengesteld uit verscheidene stations voor radioverbinding die met elkaar in verbinding mogen treden binnen de grenzen van een vergunning die aan een enkele fysische of morele persoon werd afgeleverd'.

36. Er is nooit sprake geweest van een radio-omroepdienst in de zin van artikel 1, 7°, van de voormelde wet van 30 juli 1979, dat wil zeggen een ‘dienst voor radioverbinding die uitzendingen doet welke bestemd zijn om rechtstreeks door het publiek in het algemeen te worden ontvangen'. Een dergelijke omschrijving zou ertoe hebben geleid dat het voormelde koninklijk besluit van 15 oktober 1979 geen toepassing zou vinden, aangezien het, zoals bepaald in artikel 2, niet van toepassing is op radio-omroepstations en dat, bijgevolg, de bij artikel 22 van datzelfde koninklijk besluit opgelegde rechten niet verschuldigd zouden zijn.

37. De [eiseres] heeft door haar eigen geschriften, met name de ingediende aanvragen en formulieren, de omschrijving van radioverbindingsnetten en -stations en haar rangschikking in de tweede categorie a) erkend. Zij heeft bovendien gedurende verschillende opeenvolgende jaren zonder voorbehoud debetnota's betaald, waarbij ze verwees naar de verplichting om de rechten te betalen ten gevolge van haar omschrijving en rangschikking.

Te dezen werden (vóór de dagvaarding) noch de omschrijving noch de rangschikking betwist; de betwisting beperkte zich tot de vaststelling dat de geëiste rechten ‘astronomisch hoog' waren, dat ze ‘eenzijdig en zonder voorafgaande waarschuwing' werden opgelegd en aldus ‘de economische situatie' van de [eiseres] ‘in het gedrang brachten'.

38. De vermelding, in het standaardformulier, onder de rubriek ‘soort uitzending: radio' verandert niets aan het feit dat de [eiseres] de rechten moet betalen en erkend heeft dat zij die moest betalen, aangezien het begrip ‘radio' een algemeen begrip is dat niet beperkt is tot de radio-omroep".

2° "39. Zoals [de verweerder] zeer duidelijk aangeeft, zonder dat de [eiseres] hiertegen een steekhoudend en gegrond argument aanvoert, moet bovendien erop gewezen worden dat de vaste stations straalverbindingen gebruiken met een frequentie rond de 1.500 MHz en dus frequenties gebruiken die niet overeenstemmen met die welke aan de gemeenschappen zijn toegekend (d.w.z. de frequenties tussen de 87.5 en 108 MHz). Die vaste stations vormen dus geen technisch toebehoren dat nodig is voor de overbrenging van radioboodschappen.

40. Die gevolgtrekking wordt gestaafd door het feit dat de aanvraag [van de eiseres] om straalverbindingen te gebruiken werd verantwoord door haar wens om de studio/zendstations te moderniseren, wat aantoont dat het gebruik van de bewuste vaste stations voor radioverbindingsactiviteiten helemaal niet onontbeerlijk was.

41. Uit al het voorgaande volgt ook dat de vraag naar de grondwettigheid niet aan de orde is, aangezien niet wordt betwist - of op zijn minst niet kan worden betwist - dat de federale Staat, daar het hier niet gaat om stations of netten voor radio-omroep, de bevoegdheden van de gemeenschappen niet heeft miskend en daarvan (in overleg met de gemeenschappen) geen kennis hoeft te nemen.

Zoals [de verweerder] terecht aanvoert, is de federale wetgever immers enkel bevoegd voor de algemene politie van de radio-elektrische golven om elk van de elektrische golven in het geheel van die welke over het nationale grondgebied worden uitgezonden, mogelijk te maken en om wederzijdse storingen te vermijden. Die opdracht omvat de bevoegdheid om de technische normen betreffende de toewijzing van frequenties en het vermogen van de zendinstallaties uit te vaardigen, die gemeenschappelijk moeten blijven voor het geheel van de radioberichtgeving, ongeacht de bestemming ervan, en de bevoegdheid om de inachtneming van die normen te verzekeren.

Het begrip algemene politie van de radio-elektrische golven krijgt zijn volle betekenis door de dringende technische noodzaak om, met name, één instelling te belasten met het gecentraliseerde beheer van het spectrum van radio-elektrische golven, de toewijzing van frequenties die als een zeldzame grondstof beschouwd worden, de inschatting van de desbetreffende behoeften ten aanzien van het gebruik dat van die golven wordt gemaakt en ten aanzien van de gebruikers alsook de noodzaak om controles te verrichten teneinde storingen te voorkomen.

42. De wettelijke bepalingen die aan de basis van de debetnota's [van de verweerder] liggen, zijn te dezen van toepassing en mogen niet wegens ongrondwettigheid worden geweigerd.

Aangezien de in die debetnota's geëiste rechten conform de toepasselijke wettelijke bepalingen zijn, moet de vordering [van de verweerder] betreffende de betaling van zijn schuldvordering, tot beloop van een bedrag van 266.666,32 euro in hoofdsom, ontvankelijk en gegrond worden verklaard. De gevorderde interest moet worden toegekend vanaf de opeenvolgende data van ingebrekestelling, zoals hierna wordt verduidelijkt".

Het arrest steunt aldus, enerzijds, op het feit dat de eiseres, vóór de inleiding van de vordering van de verweerder, de omschrijving van haar net niet heeft betwist en dus zou hebben erkend dat het geen radio-omroepnet maar een gewoon radioverbindingsnet was en, anderzijds, op de omstandigheid dat de vaste stations die straalverbindingen gebruiken met een frequentie rond de 1.500 MHz en die dus frequenties gebruiken die niet overeenstemmen met de "radio"-frequenties die aan de gemeenschappen zijn toegekend, geen technisch toebehoren zijn dat nodig is voor de overbrenging van "radioboodschappen" en noch radio-omroepstations noch radio-omroepnetten zijn.

Grieven

Eerste onderdeel

1. De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten haar uitdrukkelijk toekennen (artikelen 33, inzonderheid tweede lid, en 35, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet). De gemeenschappen en de gewesten zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd voor de overige aangelegenheden onder de bij wet bepaalde voorwaarden (artikelen 33, inzonderheid tweede lid, en 35, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet). Artikel 38 van de Grondwet preciseert in dat opzicht dat "elke gemeenschap de bevoegdheden heeft welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste worden toegekend".

Uit het onderling verband tussen die grondwettelijke bepalingen en de artikelen 141 en 142, inzonderheid tweede lid, 1°, van de gecoördineerde Grondwet volgt dat de federale overheid niet in de bevoegdheden van de gemeenschappen mag treden.

2. De Franse en de Vlaamse Gemeenschap regelen bij decreet de "culturele aangelegenheden" (artikel 127, § 1, 1°, van de gecoördineerde Grondwet, oud artikel 59bis, § 2, 1°, van de Grondwet van 7 februari 1831).

Luidens artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, maken deel uit van de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 59bis, § 2, 1°, van de Grondwet van 7 februari 1831 (artikel 127, § 1, 1°, van de gecoördineerde Grondwet) en vallen bijgevolg onder de bevoegdheid van de Franse en de Vlaamse Gemeenschap, "de radio-omroep en de televisie, het uitzenden van mededelingen van de Nationale Regering uitgezonderd".

Hoewel uit het onderling verband tussen de artikelen 3 en 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 betreffende de radioverbindingen, die artikel 11 van de thans opgeheven wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving uitvoeren, volgt dat de verweerder in beginsel rechten mag vorderen van de exploitanten van netten voor radioverbinding, met name voor het toezicht erop, volgt uit het onderling verband tussen de arresten van het Grondwettelijk Hof - toen Arbitragehof - nr. 7/90 van 25 januari 1990 en nr. 1/91 van 7 februari 1991, die verklaren dat artikel 11 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioverbindingen, zoals het was opgesteld zowel vóór als na de wijziging ervan door de wet van 22 december 1989, strijdig is met de in de Grondwet vastgelegde regels wat betreft de private radio-omroepdiensten, dat de Koning geen rechten mag opleggen voor het toezicht op de diensten en netten voor radioverbinding. Diezelfde arresten preciseren wat dat betreft dat, onder voorbehoud van de bevoegdheid van de algemene politie van de nationale overheid, de gemeenschappen ook bevoegd zijn, met naleving van de nationale technische normen, voor de specifieke technische aspecten van de radio-omroep en voor de toewijzing van frequenties (arrest nr. 7/90 van 25 januari 1990, punt 2.B.3, en arrest nr. 1/91 van 7 februari 1991, punt B.5). In die zin bepaalt artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, zoals het bestreden arrest vermeldt (nr. 36), dat dit artikel niet van toepassing is op de radio-omroepstations.

3. Daarenboven volgt uit de arresten van het Grondwettelijk Hof - toen Arbitragehof - nrs. 132/2004 van 14 juli 2004 (punten B.10.1 en B.10.2) en 128/2005 van 13 juli 2005 (punten B.7.1 tot B.7.5) dat de radio-omroep, waaronder televisie, zich in de zin van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen niet onderscheidt door de aard of de frequentie van de gebruikte golven, maar door de verspreiding van informatie zonder vertrouwelijk karakter die, vanuit het oogpunt van degene die ze uitzendt, bestemd is voor het publiek in het algemeen of voor een deel ervan, zelfs als de uitzending ervan geschiedt op individueel verzoek en ongeacht de techniek die hiervoor wordt aangewend, dus ook, zoals in dit geval, de "punt-tot-punt"-techniek.

Het arrest van 13 juli 2005 erkent bovendien dat radio-omroep ook bestaat in "het overdragen van programma's tussen ondernemingen met het oog op doorgifte daarvan aan het publiek" (punt B.7.4).

Het Grondwettelijk Hof kiest aldus voor een functionele omschrijving van de radio-omroep, en niet voor een technische omschrijving, aangezien dat Hof "radio-omroep" omschrijft op grond van de uitgezonden informatie (hun niet-vertrouwelijk karakter) en de eindbestemming ervan (het publiek of een gedeelte ervan). Die functionele omschrijving wijkt af van de oorspronkelijke draagwijdte van artikel 1, 7°, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, dat het begrip radio-omroepdienst omschreef als de "dienst voor radioverbinding die uitzendingen doet welke bestemd zijn om rechtstreeks door het publiek in het algemeen te worden ontvangen".

4. Het bestreden arrest, dat overweegt dat het litigieuze net van de eiseres niet als radio-omroep kon worden beschouwd, op grond dat het om vaste stations ging die geen gebruik maakten van golven met frequenties die aan de gemeenschappen waren toegekend, dat die stations geen technisch toebehoren vormen dat nodig is voor de overbrenging van radioboodschappen of voor radioverbindingsactiviteiten, daar het enkel nodig was voor "het moderniseren van de studio/zendstations" en ze (uit een technisch oogpunt) geen "stations of netten voor radio-omroep" vormen, zodat "de vraag naar de grondwettigheid niet aan de orde is", aangezien "de federale Staat, daar het hier niet gaat om stations of netten voor radio-omroep, de bevoegdheden van de gemeenschappen niet heeft miskend en daarvan geen kennis hoeft te nemen",

1° miskent het begrip "radio-omroep" in de zin van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (schending van dat artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en, voor zover nodig, van artikel 59bis, § 2, 1°, van de gecoördineerde Grondwet van 7 februari 1831 en van artikel 127, § 2, 1°, van de gecoördineerde Grondwet);

2° kent aan de federale Staat bijgevolg onwettig de bevoegdheid toe om rechten op te leggen die betrekking hebben op de controle en het toezicht op de netten voor de radioverbinding van de studio/zendstations en kent dus aan de verweerder het recht toe om dergelijke rechten te factureren krachtens de artikelen 3, 21 tot 25, en inzonderheid 22, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, op grond dat die netten, vanuit een technisch oogpunt, noch radio-omroepstations noch radio-omroepnetten zijn, hoewel zij informatie zonder vertrouwelijk karakter die uiteindelijk bestemd is voor het publiek, overbrengen en aldus radio-omroepnetten zijn in de zin van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (schending van de artikelen 33, inzonderheid tweede lid, 35, eerste lid, 38, 127, § 1, 1°, 141, 142, inzonderheid tweede lid, 1°, van de gecoördineerde Grondwet, 59bis, § 2, 1°, van de Grondwet van 7 februari 1831 en 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen) ;

3° kent aan de artikelen 3, 21 tot 25, en inzonderheid 22, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 een draagwijdte toe die ze niet hebben, door ze toe te passen op een radio-omroepnet in de zin van artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waarop die artikelen niet van toepassing zijn, zowel krachtens de grondwettelijke bepalingen, bedoeld sub 2° hierboven, als krachtens artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 15 oktober 1979, dat uitgelegd moet worden overeenkomstig artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (schending van de artikelen 2, 3 en 21 tot 25 van dat koninklijk besluit van 15 oktober 1979) ;

4° schendt, op zijn minst, artikel 159 van de Grondwet (dat de gewone rechters verbiedt verordenende akten, en met name koninklijke besluiten, toe te passen die strijdig zijn met de wet of met de Grondwet) door de artikelen 3, 21 tot 25, en inzonderheid 22, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979 toe te passen, terwijl die artikelen de in het middel bedoelde grondwettelijke bepalingen schenden (met uitzondering van de artikelen 149 en 159 van de gecoördineerde Grondwet) alsook artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre die artikelen, in de zin van de laatstgenoemde wettelijke bepaling, toegepast hadden moeten worden op radio-omroepnetten;

5° en schendt, in zoverre het, ter verantwoording van de draagwijdte die het toekent aan de artikelen 2, 3, 21 tot 25, en inzonderheid 22, van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979, toepassing maakt van de artikelen 1, 7°, en 11 van de wet van 30 juli 1979, in een uitlegging die niet strookt met artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waardoor de federale Staat de bevoegdheden van de gemeenschappen miskent, de voormelde artikelen 1, 7°, en 11 van de wet van 30 juli 1979, die uitgelegd moeten worden overeenkomstig het voormelde artikel 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, of miskent, op zijn minst, het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt een beslissing, met name een rechtsnorm, toe te passen die een hogere rechtsnorm schendt;

6° stelt, nog meer subsidiair, het Hof niet in staat zijn toezicht uit te oefenen, daar het in zijn redenen niet onderzoekt en niet aangeeft wat de aard is en wie de uiteindelijke bestemmelingen zijn van de informatie die door de litigieuze netten worden overgebracht, zodat het niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Het Hof heeft bij arrest van 25 mei 2012 het Grondwettelijk Hof de vraag gesteld of artikel 11 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radiocommunicatie, als het aldus wordt uitgelegd dat het aan de Staat de bevoegdheid toekent om rechten te eisen voor controle en toezicht op een telecommunicatienet dat de punt-tot-puntverbinding verzekert tussen een studio waar radio-uitzendingen worden gerealiseerd en een zendstation dat die uitzendingen overbrengt welke bestemd zijn om door het publiek te worden ontvangen, de artikelen 127, § 1, 1°, Grondwet en 4, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen schendt.

Het Grondwettelijk Hof heeft die vraag bij arrest nr. 95/2013 van 9 juli 2013 ontkennend beantwoord. Het Hof beslist dat de bevoegdheid van de federale Staat om de andere vormen van telecommunicatie dan die van de radio-omroep te regelen, "de bevoegdheid omvat om een recht inzake controle en toezicht op te leggen voor het gebruik van een privénet voor radioverbinding, dat geen dienst van radio-omroep is. Dat is het geval voor een telecommunicatienet dat de punt-tot-puntverbinding verzekert tussen een studio waar radio-uitzendingen worden gerealiseerd en een zendinstallatie, die tot doel heeft die uitzendingen die uiteindelijk voor het publiek bestemd zijn, over te brengen",

Het bestreden arrest beslist derhalve wettig dat het litigieuze net geen radio-omroepdienst is en dat de verweerder derhalve bevoegd was om de rechten te innen overeenkomstig de artikelen 11 van de wet van 30 juli 1979, 3 en 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1979.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Michel Lemal, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 3 januari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Net voor radioverbinding

  • Rechten voor controle en toezicht

  • Bevoegdheid van de federale Staat

  • Omvang

  • Andere vormen van telecommunicatie dan radio-omroep