- Arrest van 6 januari 2014

06/01/2014 - C.10.0527.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De artikelen 181 en 182, §1, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, die de regering van het Waals Gewest toestaan gebruik te maken van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, geregeld bij de wet van 26 juli 1962, stellen haar niet vrij van de verplichting om, onder het toezicht van de rechter, vast te stellen dat de onmiddellijke inbezitneming van het onteigende pand ten algemenen nutte onontbeerlijk is.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0527.F

1. A. R.,

2. C. R.,

3. A. R.,

4. N. R.,

5. M. R.,

6. A. R.,

7. E. R.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

WAALS GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering, in de persoon van de Minister-President.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 2 februari 2010 van het hof van beroep te Luik.

Bij beschikking van 9 december 2013 wordt de zaak door de eerste voorzitter naar de derde kamer verwezen.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 16 van de Grondwet;

- artikel 79, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals van kracht na de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;

- de artikelen 1, en voor zoveel nodig, 7, tweede lid, en 16 van de wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte vervat in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen.

- de artikelen 181 en 182, § 1, van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium (de titel zoals gewijzigd bij het decreet van het Waalse Gewest van 18 juli 1991 maar vóór de wijziging ervan bij het decreet van het Waalse Gewest van 19 april 2007; artikel 181 zoals van kracht na de wijziging ervan bij het decreet van het Waalse Gewest van 27 november 1997 maar vóór de wijziging ervan bij het decreet van 1 april 2004 en de daaropvolgende decreten; artikel 182, § 1, zoals van kracht na de wijziging ervan bij het decreet van het Waalse Gewest van 27 november 1997 en zoals van kracht vóór en na de wijziging ervan bij het decreet van het Waalse Gewest van 18 juli 2002 maar vóór de opheffing ervan bij het decreet van het Waalse Gewest van 1 april 2004 en de vervanging en wijzigingen ervan bij de daar-opvolgende decreten);

- voor zoveel nodig, artikel 159 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de eisers, voor de rechtbank van eerste aanleg, een vorde-ring tot herziening van de beslissingen van de vrederechter van 20 maart, 22 april en 13 juni 2003 betreffende de onteigening van het terrein, genaamd "Fonderie de fer" hebben ingesteld.

Het arrest, 1. bevestigt het beroepen vonnis en "zegt voor recht dat de onteigeningsprocedure regelmatig is", en, 2. verwerpt, bijgevolg, met gedeeltelijke bevestiging van het voornoemde vonnis en evocatie van de zaak voor het overige, de vordering tot herziening van de eisers, veroordeelt hen, voor zoveel nodig, hoofdelijk tot terugbetaling van 213,28 euro aan de verweerder en veroordeelt hen ten slotte in de kosten en de rechtsplegingsvergoeding van de beide aanleggen.

Die beslissing steunt met name op de volgende redenen: "de eisers voeren ook aan dat 'een feitelijke verantwoording ontbreekt om gebruik te maken van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden' en dat de verweerder zich daarop niet mocht beroepen. Hier wordt vergeten dat artikel 181, tweede lid, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, stelt dat de onroerende goederen die gelegen zijn binnen de omvang van een te saneren afgedankte bedrijfsruimte 'worden onteigend op de wijze bepaald bij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake de onteigening ten algemenen nutte'. De verweerder moet dus op die wijze onteigenen aangezien hij daartoe wettelijk verplicht is. Tot besluit [..] zijn de door de eisers aangevoerde middelen van onregelmatigheid en onwettigheid ongegrond. Bijgevolg zijn de hoofdvorderingen van de eisers [...] ongegrond".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens de artikelen 181 en 182, § 1, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, wordt, wanneer de Regering, zoals te dezen, bepaalt dat de onteigening van een te saneren afgedankte bedrijfsruimte van algemeen nut is, "onteigend op de wijze bepaald bij de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake de onteigening ten algemenen nutte".

De rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening van de Onteigeningswet Autosnelwegen, waarnaar artikel 181, tweede lid, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991 verwijst, kan enkel worden toegepast wanneer de Koning of de betrokken executieve vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is (artikel 1, Onteigeningswet 1962). Die voorwaarde inzake het onontbeerlijk karakter van een onmiddellijke inbezitneming moet zowel op het moment van het besluit van toestemming tot onteigening als op het moment van de aanvang van de gerechtelijke procedure aanwezig zijn. Het behoort toe aan de rechterlijke macht concreet na te gaan of aan die voorwaarde van hoogdringend-heid is voldaan.

De artikelen 181, tweede lid, en 182, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, moeten in die zin worden uitgelegd dat ze niet afwijken van de bepalingen van de Onteigeningswet 1962 en ze dus geenszins de onteigenende overheid van de verplichting ontslaan vast te stellen, onder het latere toezicht van de rechter, dat de onmiddellijke inbezitneming van één of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is.

In het arrest nr. 131/2002 van 18 september 2002 heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat de voornoemde artikelen 181 en 182 de bevoegdheidverdelende regels en inzonderheid de artikelen 16 van de Grondwet en 79, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 niet schenden in zoverre zij in die zin zouden worden geïnterpreteerd dat zij niet afwijken van de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 en zij de onteigenende overheid geenszins vrijstellen van de vaststelling, onder het latere toezicht van de rechterlijke macht, dat de onmiddellijke inbezitneming van één of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is.

Het Grondwettelijk Hof heeft in hetzelfde arrest echter beslist dat de genoemde artikelen 181 en 182 de bevoegdheidverdelende regels schenden in zoverre zij in die zin zouden worden geïnterpreteerd dat zij een vermoeden van hoogdringende omstandigheden invoeren, waardoor de onteigenende overheid wordt vrijgesteld van de verplichting tot vaststelling dat de onmiddellijke inbezitneming van het goed ten algemenen nutte onontbeerlijk is en de rechterlijke macht zou worden belet na te gaan of de onmiddellijke inbezitneming onontbeerlijk is.

2. Te dezen, betoogden de eisers in hun syntheseconclusie in hoger beroep voor-namelijk dat geen enkel element het gebruik van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden verantwoordt, aangezien de onmiddellijke inbezitneming van het goed niet ten algemenen nutte onontbeerlijk is. Zo betoogden zij dat "geen enkel element, in feite of in rechte, verantwoordt om gebruik te maken van die rechtspleging die hoogdringende omstandigheden vooronderstelt. De site levert geen enkel gevaar op voor de bevolking en is niet verontreinigend [...]. De onteigenende overheid heeft zich trouwens sinds 2003 nauwelijks gemanifesteerd. De onteigenende overheid heeft voor die site geen dringend project in petto [...]. Naast het ontbreken van een feitelijke verantwoording om gebruik te maken van die rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bevestigt ook de houding van de onteigenende overheid dat daarop geen beroep mocht worden gedaan. De onteigenende overheid heeft die procedure eind 1997 opgestart en de gerechtelijke procedure ving slechts in maart 2003 aan. De jaren die daaroverheen gingen, zijn het beste bewijs dat er geen sprake was van door het onteigeningsbesluit aangevoerde hoogdringende omstandigheden".

3. Het arrest dat het middel van de conclusie van de eisers verwerpt betreffende het ontbreken van hoogdringende omstandigheden en dat beslist met de in de aanhef van het middel weergegeven redenen dat de verweerder " op die wijze moest onteigenen" (namelijk de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden) "aangezien hij daartoe wettelijk verplicht is ", schendt de artikelen 181 en 182 van het W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, en de ter zake die-nende bepalingen van de Onteigeningswet 1962, waaruit blijkt dat de verweerster wel degelijk diende vast te stellen, onder het latere toezicht van de rechterlijke macht, dat de onmiddellijke inbezitneming van het onteigende goed concreet onontbeerlijk is in de bijzondere gegeven omstandigheden (schending van artikel 1 van de Onteigeningswet 1962 vervat in artikel 5 van de Onteigeningswet Autosnelwegen en van de artikelen 181 en 182, § 1, van het W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, zoals ze in de aanhef van het middel worden vermeld, en, voor zoveel nodig, van de artikelen 7, tweede lid, en 16 van de voornoemde Onteigeningswet 1962).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens de artikelen 181 en 182, § 1, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, zoals van toepassing op het geschil, wordt , wanneer de Regering besluit tot de onteigening ten algemenen nutte van een site die gelegen is in een afgedankte bedrijfsruimte waarvan de sanering van gewestelijk belang is , onteigend op de wijze bepaald bij de Onteigeningswet 1962.

Artikel 1, van de genoemde wet van 26 juli 1962 bepaalt dat, wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is, de onteigening van die onroerende goederen geschiedt overeenkomstig de navolgende regels.

De artikelen 181 en 182, § 1, W.W.R.O.S.P.E., Stedenbouwdecreet Wallonië 18 juli 1991, die de Waalse Gewestregering toestaan gebruik te maken van de rechts-pleging bij hoogdringende omstandigheden, geregeld bij de Onteigeningswet 1962, stellen haar niet vrij van de verplichting om, onder het toezicht van de rech-ter, vast te stellen dat de onmiddellijke inbezitneming van het onteigende pand ten algemenen nutte onontbeerlijk is.

Het arrest dat, om het middel te verwerpen dat door de eisers is afgeleid uit het niet-naleven van die voorwaarde, oordeelt dat de verweerder, krachtens artikel 181, tweede lid, van hetzelfde wetboek, "[...] op [de] wijze [van de rechtspleging bij de hoogdringende omstandigheden] [moet] onteigenen aangezien hij daartoe wettelijk verplicht is", schendt de voornoemde wettelijke bepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op kant van het vernietigde ar-rest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak voor het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 6 januari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden

  • Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, bepaald bij artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en de concessies voor de bouw van de autosnelwegen

  • Verplichting tot vaststelling van het onontbeerlijke karakter van de onmiddellijke inbezitneming van de plaats