- Arrest van 7 januari 2014

07/01/2014 - P.12.1681.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het enkele feit dat het aanvankelijke proces-verbaal waarbij een ademtest en ademanalyse als bedoeld in artikelen 59 en 60 Wegverkeerswet wordt weergegeven, geen melding maakt van één der wettelijke vormvereisten, heeft niet voor gevolg dat dit proces-verbaal zijn wettelijke bewijswaarde verliest; dit proces-verbaal behoudt zijn wettelijke bewijswaarde met betrekking tot de andere vermeldingen die het wel bevat en het bestaan van de niet-vermelde vormvereiste kan blijken uit andere gegevens, zoals een navolgend proces-verbaal (1). (1) Zie Cass. 26 november 2008, AR P.08.1293.F, AC 2008, nr. 672 met concl. van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1681.N

F M V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Filip Laeveren, advocaat bij de balie te Mechelen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Leuven van 20 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het bestreden vonnis verklaart de strafvordering voor de telastlegging A vervallen door verjaring.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis oor-deelt enkel op grond van een anderhalf jaar na de vaststellingen opgesteld aanvul-lend proces-verbaal dat het mondstuk telkens en dus ook bij de tweede ademana-lyse werd vervangen; in het strafdossier wordt nochtans geen melding gemaakt dat het mondstuk ook bij de tweede ademanalyse werd vervangen, zodat dient te worden vastgesteld dat het bewijs onregelmatig werd verkregen en dient te wor-den geweerd; de laattijdigheid van het opgestelde proces-verbaal is van aard om te twijfelen aan de juistheid van de gedane vaststellingen en tast zijn geloofwaardig-heid aan; de eiser is in de onmogelijkheid het proces-verbaal te weerleggen, aan-gezien het zijn woord is tegen dat van de verbalisant; minstens hadden de appel-rechters de verbalisant over deze feiten moeten horen; door zich te steunen op het proces-verbaal miskent het bestreden vonnis eisers recht van verdediging en is zijn recht op een eerlijk proces aangetast.

3. Het enkele feit dat het aanvankelijke proces-verbaal waarbij een ademtest en ademanalyse als bedoeld in artikelen 59 en 60 Wegverkeerswet wordt weergege-ven, geen melding maakt van één der wettelijke vormvereisten, heeft niet voor gevolg dat dit proces-verbaal zijn wettelijke bewijswaarde verliest. Dit proces-verbaal behoudt zijn wettelijke bewijswaarde met betrekking tot de andere ver-meldingen die het wel bevat. Het bestaan van de niet-vermelde vormvereiste kan blijken uit andere gegevens, zoals een navolgend proces-verbaal.

4. De omstandigheid dat dit navolgend proces-verbaal is opgesteld een zekere tijd na het aanvankelijke proces-verbaal, houdt niet in dat het noodzakelijk zijn geloofwaardigheid verliest. De rechter oordeelt onaantastbaar over de bewijs-waarde van dat stuk. Het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, waarvan de wapengelijkheid deel uitmaakt, zijn gevrijwaard doordat dit stuk aan de tegenspraak van de partijen is onderworpen, die daarover betwisting kunnen voeren.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling in feite door de appelrechters van de bewijswaarde van het navolgend proces-verbaal of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 64,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Ademtest en ademanalyse

  • Wettelijke vormvereisten

  • Vermelding