- Arrest van 8 januari 2014

08/01/2014 - P.13.0774.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien wegens het ten laste gelegde feit een strafvervolging wordt ingesteld, wordt de vordering wegens laster geschorst tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid; in geval van een beslissing tot seponering wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2014, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0774.F

F. R. F. D. M.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

R. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 maart 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 24 december 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Op de rechtszitting van 8 januari 2014 heeft raadsheer Gustave Steffens verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het arrest de vordering van de burgerlijke partij verwerpt, tot verwijzing van de verweerster wegens valsheid en gebruik van valse stukken

De eiser voert geen middel aan.

B. In zoverre het arrest zegt dat er geen grond is om de verweerster te ver-volgen wegens lasterlijke aangifte, laster en eerroof

Middel

Eerste onderdeel

Artikel 447, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging, de vordering wegens laster wordt ge-schorst tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.

Naar luid van het vijfde lid van dat artikel wordt, in geval van een beslissing tot seponering, de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent.

Dat vijfde lid moet vermijden dat de vordering wegens laster onbeperkt wordt op-geschort door een sepotbeslissing, die geen eindbeslissing is in de zin van het der-de lid.

Daaruit volgt evenwel niet dat de beslissing van de procureur des Konings om de zaak te seponeren, ook al is ze ingegeven door de ontoereikendheid van de bezwa-ren, de valsheid van het aangegeven feit aantoont.

Het vermoeden van onschuld dat de persoon geniet die wegens lasterlijke aangifte wordt vervolgd, heeft als logisch gevolg dat de vervolgende partij met name de valsheid van het aangegeven feit dient te bewijzen.

Het arrest, dat beslist dat de eiser het lasterlijk karakter niet aantoont van de aan-gifte waarvoor hij klacht indient, niettegenstaande de seponering die hij heeft ge-noten, miskent dat vermoeden dus niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser verwijt het arrest dat het de bestanddelen van de laster niet bewezen ver-klaart, hoewel de dader van de telastlegging opzettelijke slagen de waarheidsge-trouwheid van die feiten niet heeft aangetoond door een veroordelend vonnis over te leggen. Hij leidt daaruit een schending af van artikel 447 Strafwetboek.

De aangevoerde regel uit het tweede lid van dat artikel heeft betrekking op de te-lastlegging van een feit dat niet onder de uitoefening van de bediening valt maar tot het privéleven behoort van de dragers of agenten van het gezag, van de perso-nen met een openbare hoedanigheid bekleed of die behoren tot een gesteld li-chaam.

Het middel, dat uitgaat van de bewering dat het tweede lid algemeen geldig is, ongeacht de hoedanigheid van de belasterde persoon, hoewel het alleen slaat op de personen die in het eerste lid zijn opgesomd, faalt naar recht.

Voor het overige dient, inzake laster, de aangever van de lasterlijke aantijgingen de waarheidsgetrouwheid van het ten laste gelegde feit te bewijzen.

Het arrest oordeelt dat de verweerster het bewijs heeft geleverd van de slagen waarvan ze beweert het slachtoffer te zijn, door haar relaas dat met foto's en een medisch getuigschrift wordt gestaafd. Het arrest voegt hieraan toe dat die aantij-ging alleen voortvloeit uit de bekommernis van de aangever om haar rechten te vrijwaren en niet uit het oogmerk om te schaden.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 8 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vordering wegens laster

  • Schorsing

  • Duur

  • Strafrechtelijke vervolging wegens het tenlastegelegde feit

  • Beslissing tot seponering