- Arrest van 8 januari 2014

08/01/2014 - P.13.1380.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek verplicht de rechter de heropening van het debat te bevelen alvorens een vordering af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden opgeworpen; die verplichting is niet van toepassing in strafzaken, ook niet wanneer de strafrechter uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering (1). (1) Cass. 19 jan. 2000, AR P.99.0503.F, AC 2000, nr. 45.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1380.F

FREYMAN bvba,

Mrs. Jean-Luc Dessy, advocaat bij de balie te Hoei, en Antoine Chomé, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. N. L.,

2. AMBIANCE BOIS, naamloze vennootschap in vereffening, optredend via haar vereffenaar Thierry Dubois.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 20 juni 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel voert de schending aan van artikel 774 Gerechtelijk Wetboek en de miskenning van het "algemeen rechtsbeginsel van omschrijving van de grondslag van de vordering".

Het arrest wordt ten grieve geduid dat het de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres afwijst, op grond dat ze als schade het bedrag vordert van de ongedekte cheques die ze als betaling voor haar schuldvordering heeft ontvangen. Het mid-del voert aan dat de schade niet door het uitschrijven van de cheques maar door het onvermogen van de schuldenaar is veroorzaakt.

Artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek verplicht de rechter de heropening van het debat te bevelen, alvorens een vordering af te wijzen op grond van een ex-ceptie die de partijen voor hem niet hadden opgeworpen. Die verplichting is niet van toepassing in strafzaken, ook niet wanneer de strafrechter uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Het door het middel aangevoerde algemeen rechtsbeginsel bestaat niet.

De feitenrechter moet weliswaar ambtshalve de rechtsmiddelen opwerpen waar-van de toepassing geboden is door de feiten die de partijen inzonderheid tot sta-ving van hun vordering hebben aangevoerd. Hij mag het voorwerp van de vorde-ring echter niet wijzigen door een andere eis in te willigen dan die welke bij hem aanhangig is gemaakt.

De eiseres heeft voor het hof van beroep een conclusie neergelegd waarin ze de veroordeling vordert van haar tegenpartijen tot betaling van een bedrag van acht-tienduizend euro, te vermeerderen met de interesten vanaf 1 mei 2003, datum van uitgifte van vier door de eerste verweerster getekende cheques, tot beloop van het hogervermelde totaalbedrag.

De eiseres heeft aangevoerd dat die cheques haar waren overhandigd ter betaling van niet-betwiste facturen die overeenkomen met de prijs van de prestaties die ze als zelfstandig handelsvertegenwoordiger aan de tweede verweerster heeft gele-verd.

Tot staving van haar eis heeft de eiseres voorts aangevoerd dat een ongedekte cheque uitschrijven als dusdanig reeds een schadeverwekkend feit is, dat haar me-decontractante aangifte van faillissement had moeten doen en dat de tweede ver-weerster, door haar winstgevende activiteit voort te zetten zonder haar facturen te betalen, haar "over de ganse lijn heeft opgelicht".

Uit die conclusie kan niet worden afgeleid dat de eiseres de schade heeft bepaald als de schade voortvloeiend uit het onvermogen van haar schuldenaar en evenmin dat dit onvermogen speciaal werd aangevoerd om de vergoeding te verkrijgen van schade die niet met de onbetaalde schuldvordering samenvalt.

De appelrechters, die de vordering van de eiseres afwijzen op grond dat ze het be-drag van de cheques vordert terwijl de houder van een ongedekte cheque die zich burgerlijke partij stelt voor de strafrechter, slechts de vergoeding kan eisen van de schade die voortvloeit uit het uitschrijven van de cheque, verantwoorden de afwij-zing van die vordering naar recht, zonder het voorwerp ervan te wijzigen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 8 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Heropening van het debat

  • Artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek

  • Toepassing in strafzaken