- Arrest van 10 januari 2014

10/01/2014 - C.13.0339.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het tenietgaan van de overeenkomst tot arbitrage t.g.v. de vernietiging van de uitspraak die na het verstrijken van de door de partijen vastgestelde termijn is gedaan, leidt op zich niet tot de nietigheid van de uitspraken die vóór het verstrijken van die termijn regelmatig zijn gedaan (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2014, nr. … .

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0339.F

JICECO nv,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

E. C.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

in aanwezigheid van

F. G.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 29 januari 2013.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 13 december 2013 ter griffie een con-clusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, 1319, 1320, 1322, 1323, 1341, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen 807, 1138, inzonderheid 2°, 1698, tweede, derde en vierde paragraaf, 1704, § 2, inzonderheid a, c en d, en 1704, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen beginsel van het recht van verdediging;

- algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de partijen het voorwerp, de oorzaak en de grenzen van het geschil vrij bepalen ;

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Aangevochten beslissing

Het arrest

"Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond ;

Vernietigt het vonnis [van de eerste rechter], behalve in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart, de vordering tot tussenkomst van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] ontvankelijk verklaart en de tegen de vrijwillig tussengekomen partij ingestelde vordering tot veroordeling ontvankelijk maar zonder voorwerp verklaart en de rechtsplegingsvergoeding vaststelt;

Doet voor het overige opnieuw uitspraak :

- vernietigt de arbitrale uitspraak van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] tussen [de verweerster] en de [eiseres] dd. 7 juli 2010 en vernietigt, als gevolg daarvan, de arbitrale uitspraken van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] van 4 december 2006 en 15 juni 2009;

Veroordeelt de [eiseres] in de kosten van beide aanleggen".

Het arrest grondt die beslissingen op de volgende redenen :

"5.2. De termijn waarbinnen de uitspraak van 7 juli 2010 moest worden gedaan

5.2.1. Wanneer de arbiters in de overeenkomst tot arbitrage met name zijn aangewezen en de uitspraak niet binnen de termijn is gedaan, eindigt de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen (artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek).

Wanneer de arbiters niet met name zijn aangewezen in de overeenkomst tot arbitrage, eindigt de opdracht van de arbiters indien de arbitrale uitspraak niet binnen de gestelde termijn is gedaan, tenzij die termijn bij onderling goedvinden van partijen mocht zijn verlengd (artikel 1698.3 van het Gerechtelijk Wetboek).

5.2.2. Tenzij de termijn wordt geschorst bij onderling goedvinden van de partijen of krachtens een wettelijke bepaling (bijvoorbeeld artikel 1696.6 van het Gerechtelijk Wetboek), dient de arbiter de termijnen van de arbitrage in acht te nemen.

De arbiter ontleent zijn bevoegdheid in beginsel aan de overeenkomst van de partijen. Indien die overeenkomst rechtstreeks, of met verwijzing naar een ar-bitragereglement, een termijn bepaalt waarbinnen de arbiters uitspraak moeten doen, moeten zij die termijn in acht nemen.

Zodra de termijn verstreken is, zijn de arbiters niet meer bevoegd om over het geschil uitspraak te doen.

Artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer de uitspraak niet binnen de termijn is gedaan, de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege eindigt.

Indien de arbiter niet met name is aangewezen in de overeenkomst tot arbitrage en de termijn van de arbitrage daarenboven is verstreken, terwijl nog geen uitspraak is gedaan, wordt niet de overeenkomst tot arbitrage maar enkel de opdracht van de arbiter stopgezet. Een nieuwe arbitrageprocedure kan dus worden ingeleid.

De arbiter kan de duur van de arbitrage niet op eigen initiatief verlengen. Die oplossing is ingegeven door de vrees dat de arbiters zelf over de termijn van hun eigen opdracht zouden beslissen en de partijen aldus van hun wil afhankelijk zouden worden.

De eerste burgerlijke kamer van het Franse Hof van Cassatie heeft in een arrest van 15 juni 1994 beslist wat volgt : ‘le principe selon lequel le délai fixé par les parties, soit directement, soit par référence à un règlement d'arbitrage, et dans lequel les arbitres doivent accomplir leur mission, ne peut être prorogé par les arbitres eux-mêmes, traduit une exigence de l'ordre public aussi bien interne qu'international en ce qu'il est inhérent au caractère contractuel de l'arbitrage'.

De wettelijke of overeengekomen termijn waarbinnen de arbiters hun opdracht moeten vervullen, kan slechts worden verlengd bij onderling goedvinden van de partijen of door de rechter, indien die laatstgenoemde mogelijkheid uitdrukkelijk in de wet is bepaald : zo kan het voorkomen dat de gerechtelijke overheden de termijn op verzoek van een van de partijen moeten verlengen, indien ze de termijn hebben moeten bepalen in het kader van artikel 1698.2, van het Gerechtelijk Wetboek en een dergelijke verlenging door onvoorziene omstandigheden vereist wordt.

5.2.3. [De verweerster] beroept zich hier op artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek en de [eiseres] voert haar verweer op grond van datzelfde artikel. De [eiseres] vordert dus niet de toepassing van artikel 1698.3 van het Gerechtelijk Wetboek. Het hof [van beroep] mag geen middelen aanvoeren die niet door de partijen worden aangevoerd.

Het hof [van beroep] zal zijn onderzoek bijgevolg beperken tot de vraag of de termijn al dan niet is overschreden en behoudt zich in voorkomend geval het recht voor om de sanctie van artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek op te leggen, zonder de zaak te moeten onderzoeken uit het oogpunt van artikel 1698.3 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien die discussie niet door de [eiseres] is opgeworpen.

5.2.4. Uit de stukken waarop het hof [van beroep] vermag acht te slaan, volgt dat de pleidooien zijn gehouden op 11 februari 2010, dat de laatste conclusies ruim vóór die datum zijn neergelegd en dat, na 11 februari 2010, de arbiter noch mondeling noch schriftelijk nog werd gecontacteerd en hijzelf de partijen evenmin heeft gecontacteerd.

De [eiseres] bevestigt in haar conclusie dat ‘de arbiter tijdens de laatste pleidooien in februari 2010 heeft aangekondigd dat, gelet op de lange termijn die reeds was verstreken en de verschillende taken die hij nog moest uitvoeren, een arbitrale uitspraak niet vóór einde juni mocht worden verwacht'.

Uit het feit dat de arbiter geen enkel contact meer met de partijen heeft gehad, dat hij daarenboven op 11 februari 2010 had aangekondigd dat hij andere taken te verrichten had en dat zijn uitspraak niet vóór einde juni mocht worden verwacht, volgt dat de zaak - in feite - op 11 februari 2010 in beraad is genomen.

Het hof [van beroep] wijst erop dat de arbiter, met het oog op zijn uitspraak van 15 juni 2009, in een proces-verbaal van 24 maart 2009, d.w.z. slechts enkele dagen nadat hij de conclusies van de partijen had ontvangen (namelijk op 20 maart 2009), heeft vastgelegd dat de zaak in beraad was genomen.

De arbiter heeft in maart 2009 dus wel degelijk geoordeeld dat logischerwijs ervan moest worden uitgegaan dat, zodra de arbiter kennisgenomen heeft van de conclusies van de partijen en van hun dossiers en de pleidooien en verklaringen van de partijen en hun raadslieden heeft gehoord, de zaak in beraad moet worden genomen.

Inzake arbitrage is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven dat er een proces-verbaal moet worden opgemaakt waarin wordt vastgesteld dat de zaak in beraad is genomen.

De datum waarop de zaak in beraad is genomen, kan in een arbitrageprocedure dus door alle bewijsmiddelen worden aangetoond.

De arbiter kan een dergelijk proces-verbaal echter niet op een willekeurig, door hem gekozen moment opmaken, zonder gegronde reden of enig verband met het verloop van de arbitrageprocedure [...].

Hierover anders beslissen zou de zin van artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek uithollen.

Het hof [van beroep] hoort geen uitspraak te doen over de aard van het proces-verbaal van 5 juli 2010, maar het blijft een feit dat het voormelde proces-verbaal niet de termijn van drie maanden waarbinnen uitspraak moest worden gedaan, kan doen ingaan.

De arbiter heeft op de terechtzitting van 11 februari 2010 de datum voor het in beraad nemen van de zaak blijkbaar niet geschorst, aangezien de [eiseres] aanvoert dat de arbiter, op die datum, mondeling heeft aangekondigd dat zijn uitspraak niet vóór eind juni mocht worden verwacht. Indien de arbiter de partijen in de gelegenheid had willen stellen nota's, memories, conclusies, stukken, na 11 februari 2010 in te dienen, dan had hij dat beslist in een proces-verbaal aangegeven door de partijen strikte termijnen op te leggen.

Hier volgt uit het geheel van de feitelijke gegevens (namelijk : de geheel andere houding van de arbiter bij het in beraad nemen van de zaak vóór de uitspraak van 15 juni 2009; de verklaring dat er geen uitspraak vóór eind juni mocht worden verwacht; het proces-verbaal van 5 juli 2010 van de arbiter, dat geen verband houdt met het verloop van de arbitrageprocedure) dat de arbiter de zaak in feite en in werkelijkheid op 11 februari 2010 in beraad heeft genomen en dat hij pas op 7 juli 2010, d.w.z. meer dan drie maanden na de datum waarop de zaak in beraad is genomen, uitspraak heeft gedaan.

5.2.5. [De verweerster] vordert de vernietiging van de uitspraak van 7 juli 2010 wegens overschrijding van de termijn van drie maanden, te rekenen van de datum waarop de zaak in beraad is genomen, op grond van de artikelen 1704.2, c (geen geldige overeenkomst tot arbitrage), d (het scheidsgerecht heeft zijn rechtsmacht of zijn bevoegdheden overschreden), en a (de openbare orde is miskend). Het hof [van beroep] vernietigt de uitspraak van 7 juli 2010 op grond van artikel 1704.2, c, d, en a, van het Gerechtelijk Wetboek.

5.2.6. Voor zover [de verweerster en de eiseres] erkennen dat, in casu, de brief van 7 augustus 2006 - waarmee de partijen hun geschil aan arbitrage onderwerpen door [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] met name als arbiter aan te wijzen - in werkelijkheid ‘de overeenkomst tot arbitrage' vormt, bestaat de sanctie van de vernietiging erin dat de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege eindigt (artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek).

5.2.7. Voor zover de overeenkomst eindigt, moet, als gevolg daarvan, de vernietiging van de uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 worden uit-gesproken.

Bij gebrek aan een geldige overeenkomst tot arbitrage kan er geenszins rechtsgeldig uitspraak worden gedaan. Geen enkele uitspraak kan dus uitwerking krijgen.

5.2.8. Er bestaat geen grond tot onderzoek van de andere grieven, daar ze geen ruimere vernietiging tot gevolg kunnen hebben [...].

6. Beslissing

Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond. De tussenvordering van de [eiseres] is niet gegrond.

Er bestaat grond tot vernietiging van de arbitrale uitspraak van 7 juli 2010 op basis van artikel 1704.2, c, d, en a, van het Gerechtelijk Wetboek en tot vernietiging, als gevolg daarvan (met toepassing van artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek), van de arbitrale uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009.

De [eiseres] is de partij die in het ongelijk wordt gesteld en die in de kosten van de twee instanties wordt veroordeeld".

Grieven

Het arrest vernietigt, om de in het middel weergegeven redenen, de arbitrale uitspraak van 7 juli 2010 op grond van artikel 1704.2, a, c, en d, van het Gerechtelijk Wetboek en vernietigt, als gevolg daarvan, de arbitrale uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 en veroordeelt de eiseres in de kosten van de twee instanties.

Het arrest grondt die beslissingen hierop dat de uitspraak van 7 juli 2010 méér dan drie maanden na het in beraad nemen van de zaak zou zijn gedaan en dat de zaak, in werkelijkheid, op 11 februari 2010 in beraad was genomen.

(...)

Vierde onderdeel

Het arrest, dat beslist dat de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege was geëindigd omdat de arbitrale uitspraak van 7 juli 2010 buiten de termijn was gedaan, leidt daaruit het volgende af :

"Voor zover de overeenkomst eindigt, moet, als gevolg daarvan, de vernietiging van de uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 worden uitgesproken.

Bij gebrek aan een geldige overeenkomst tot arbitrage kan er geenszins rechtsgeldig uitspraak worden gedaan. Geen enkele uitspraak kan dus uitwerking krijgen".

Die beslissing is onwettig.

Het arrest stelt niet vast dat de overeenkomst tot arbitrage niet rechtsgeldig was, maar stelt enkel vast dat die overeenkomst drie maanden na het in beraad nemen van de zaak op 11 februari 2010 was geëindigd.

Een dergelijke vaststelling kan de vernietiging, "als gevolg daarvan", van de arbitrale uitspraken van vóór die van 7 juli 2010 niet verantwoorden.

Immers, hoewel de vernietiging van een beslissing leidt tot de vernietiging van de latere beslissingen, leidt zij niet tot de vernietiging van de eerdere proceshandelingen, hier de arbitrale uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 en de ter uitvoering van de eerste uitspraak verrichte deskundigenopdracht.

Hoewel de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege eindigt wanneer de uitspraak, met name die van 7 juli 2010, in voorkomend geval - quod non - buiten de gestelde termijn zou zijn gedaan, eindigt zij enkel voor het toekomende, zodat ze op het tijdstip van de uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 nog steeds van kracht was.

Hieruit volgt dat het arrest, dat impliciet maar zeker overweegt dat de overeenkomst tot arbitrage met terugwerkende kracht was geëindigd en beslist dat de uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 niet rechtsgeldig konden zijn omdat er geen rechtsgeldige overeenkomst tot arbitrage was, artikel 1698.4 van het Gerechtelijk Wetboek aldus gevolgen toekent die het niet heeft en bijgevolg het voormelde artikel 1698.4 schendt, alsook, als gevolg daarvan, artikel 1704.2 en 4 van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Vierde onderdeel

Artikel 1698.4 Gerechtelijk Wetboek, zoals het op het geschil van toepassing is, bepaalt dat, wanneer de arbiters in de overeenkomst tot arbitrage met name zijn aangewezen en de uitspraak niet binnen de door de partijen vastgestelde termijn is gedaan, de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege eindigt, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen.

Het tenietgaan van de overeenkomst tot arbitrage, dat voortvloeit uit de vernieti-ging van de uitspraak die na het verstrijken van de door de partijen vastgestelde termijn is gedaan, leidt op zich niet tot de nietigheid van de uitspraken die regel-matig zijn gedaan vóór het verstrijken van die termijn.

Het arrest stelt vast dat de overeenkomst tot arbitrage bepaalt dat "de arbiter bin-nen drie maanden na het in beraad nemen van de zaak uitspraak zal doen" en dat de zaak, na de eerste twee uitspraken, werd gepleit op de rechtszitting van 11 fe-bruari 2010.

Het arrest overweegt dat de zaak op die datum in beraad is genomen en dat de uitspraak van 7 juli 2010 bijgevolg na het verstrijken van de in de overeenkomst tot arbitrage vastgestelde termijn is gedaan en vernietigt die uitspraak.

Het stelt ook vast dat de arbiter, in zijn uitspraak van 4 december 2006, een des-kundigenmaatregel heeft bevolen en dat hij, in zijn uitspraak van 15 juni 2009, de heropening van het debat heeft bevolen.

Het arrest overweegt dat, aangezien de arbiter door de partijen met name is aan-gewezen in de overeenkomst tot arbitrage, de "sanctie van de vernietiging [van de uitspraak van 7 juli 2010] erin bestaat dat de overeenkomst tot arbitrage van rechtswege eindigt".

Het arrest, dat overweegt dat, "voor zover de overeenkomst eindigt, als gevolg daarvan de vernietiging van de uitspraken van 4 december 2006 en 15 juni 2009 moet worden uitgesproken", verantwoordt zijn beslissing om die twee uitspraken te vernietigen niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

De vordering tot bindendverklaring van het arrest

De eiseres heeft belang er bij dat dit arrest bindend wordt verklaard ten aanzien van de daartoe voor het Hof in de zaak opgeroepen partij.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het de arbitrale uitspraken van 4 decem-ber 2006 en 15 juni 2009 vernietigt.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van F. G.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten, houdt de andere helft aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Uitspraak buiten termijn

  • Vernietiging

  • Overeenkomst tot arbitrage

  • Tenietgaan

  • Uitspraken binnen de termijn