- Arrest van 10 januari 2014

10/01/2014 - F.13.0049.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De gevolgen van de opname van een schuldvordering in het passief van een failliete boedel, zijn beperkt tot hetgeen aangegeven, deugdelijk verklaard en aanvaard is (1). (1) Cass. 30 okt. 2008, AR C.07.0402.F, AC 2008, nr. 597.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0049.F

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. P. C., advocaat,

2. L.-P. P., advocaat,

als curatoren van het faillissement van de Sevima bvba,

in aanwezigheid van

BNP PARIBAS FORTIS nv,

tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 22 november 2012.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 68 en 72, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Aangevochten beslissingen

De vennootschap Sevima heeft van het faillissement aangifte gedaan en de rechtbank van koophandel te Luik heeft het faillissement bij vonnis van 10 april 2006 uitgesproken en de verweerders als curatoren aangewezen.

Datzelfde vonnis heeft de datum voor de neerlegging, op de griffie, van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen vastgesteld op 24 mei 2006.

[De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] heeft op 24 april 2006 op de griffie van de rechtbank van koophandel te Luik een aangifte van schuldvordering neergelegd voor een bedrag van 9.611,08 euro, die betrekking had op een kaskrediet (voor een bedrag van 6.626,74 euro) en een krediet op afbetaling (voor een bedrag van 2.984,34 euro). [Ze heeft] bovendien haar tweede schuldvordering, tot beloop van een provisioneel bedrag van 1,00 euro, aangehouden.

Op 8 mei 2006 legt de belastingontvanger van Luik 5 een aangifte van schuldvordering neer die enkel betrekking heeft op de bedrijfsvoorheffing, voor een bedrag van 9.795,73 euro.

Op 23 mei 2006 aanvaardt de curatele de opname van de vordering van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] in het gewoon passief, voor een bedrag van 9.609,08 euro, terwijl de vordering tot beloop van het provisionele bedrag van 1,00 euro wordt aangehouden.

Op 2 juni 2006 legt de ontvanger van Luik 5 een eerste aanvullende aangifte neer, die enkel betrekking heeft op de bedrijfsvoorheffing, voor een bedrag van 2.538,52 euro.

Op 22 februari 2007 legt de ontvanger van Luik 5 een tweede aanvullende aangifte neer, die deze keer betrekking heeft op een verkeersbelasting, voor een bedrag van 277,61 euro.

Op 25 april 2007 legt [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] een aangifte van schuldvordering neer ter aanvulling van de aangifte van 24 april 2006, op grond dat ze "in het voormelde faillissement over de volgende persoonlijkezekerheidstelling beschikt: verpanding, door de gefailleerde, van al haar huidige en toekomstige schuldvorderingen op de bank of op derden, overeenkomstig artikel 8 van de algemene voorwaarden van kredietopening (...)".

De curatele heeft bij brief van 3 september 2008 een eerste ontwerp van rekening en verantwoording doorgestuurd, in het kader waarvan de ontvanger van Luik 5 een bedrag van 11.193,41 euro diende te ontvangen.

In een nieuwe brief van 17 september 2008 deelt de curatele mee dat de ontvanger van Luik 5 een bedrag van 5.622,10 euro moet ontvangen, op grond dat de vordering van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] bij voorrang moet worden betaald, aangezien die schuldeiser in het bezit is van "een pand op facturen".

Het hof van beroep verklaart het verweermiddel dat de eiser (meer bepaald de ont-vanger van Luik 5) op de terechtzitting van 28 oktober 2008 heeft aangevoerd, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter dat op 10 maart 2010 is gewezen door de rechtbank van koophandel te Luik, niet-gegrond.

Het hof van beroep wijst op de beginselen die van toepassing zijn op de aangiften van schuldvorderingen in faillissementen en aan de evolutie, in de wetgeving en de rechtspraak, in de volgende bewoordingen :

"Onder gelding van de Faillissementswet, zoals ze van toepassing was vóór de wet van 6 december 2005, wordt aangenomen dat ‘de gevolgen van de opname van een schuldvordering in het passief van een failliete boedel, beperkt zijn tot hetgeen aangegeven, deugdelijk verklaard en aanvaard is. Op voorwaarde dat de schuldeiser binnen de bij artikel 72, derde lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalde termijn optreedt, kan hij, als zijn schuldvordering in het chirografaire passief is opgenomen, naderhand via een vonnis zijn recht van voorrang doen erkennen' (Cass., 30 oktober 2008, JT, 2008, p. 680).

Zo verhinderde de opname van een gewone schuldvordering niet dat de schuldeiser, zoals hier, zich naderhand beriep op het voordeel van een zekerheid, voor zover hij binnen de destijds geldende termijn van drie jaar optrad en de opname ervan bij vonnis verkreeg. De aldus gestelde voorwaarden houden verband met de regeling die op dat ogenblik van toepassing was op de aangifte van schuldvorderingen.

Immers :

- artikel 11 van de Faillissementswet bepaalde dat de rechtbank van koophandel, bij vonnis van faillietverklaring, ‘(...) beveelt dat de schuldeisers van de gefailleerde ter griffie aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring (...)' ;

- artikel 62 herinnerde daarenboven eraan dat ‘(...) de schuldeisers gehouden zijn aangifte van hun schuldvorderingen, samen met hun titels, ter griffie van de rechtbank van koophandel neer te leggen uiterlijk op de door het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag';

- artikel 72 van de wet regelde het geval waarin de schuldeisers in gebreke bleven ‘hun schuldvorderingen aan te geven of te bevestigen binnen de termijn bij het vonnis van faillietverklaring bepaald' door hen een sanctie op te leggen (ze komen niet in aanmerking voor de verdelingen), maar hen niettemin in de gelegenheid te stellen opname te vorderen' ‘tot de vergadering bedoeld in artikel 79 (...) (artikel 72, tweede lid, van de wet), met dien verstande dat ‘het recht opname te vorderen verjaart na verloop van drie jaar te rekenen van het faillietverklarend vonnis' (artikel 72, derde lid, van de wet). Hierop waren twee uitzonderingen voorzien: ‘de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening' en ‘de schuldvordering [die] tijdens de vereffening [is] vastgesteld door een andere rechtbank dan de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken'.

Tijdens de termijn die was vastgesteld in het faillietverklarend vonnis en die uiterlijk dertig dagen bedroeg, kon de schuldeiser de aangifte van zijn schuldvordering met andere woorden zonder meer neerleggen ter griffie, terwijl hij, na het verstrijken van die termijn, in rechte moest optreden, door dagvaarding of vrijwillige tussenkomst, en de opname bij vonnis moest trachten te verkrijgen, met dien verstande dat het recht daartoe verjaarde na verloop van drie jaar te rekenen van het faillietverklarend vonnis".

Dan vraagt het hof van beroep zich af:

"Is die regeling op de helling komen te staan als gevolg van de wijziging van de procedure tot aangifte en verificatie van de schuldvorderingen door de wet van 6 december 2005, daar de vennootschap Sevima op 10 april 2006 failliet is verklaard en het huidige geschil dan ook moet worden onderzocht op grond van de laatstgenoemde wet?"

en beslist vervolgens :

"Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. Immers:

De artikelen 11 en 62 van de wet zijn in dat opzicht weliswaar niet gewijzigd - de schuldeisers moeten van hun schuldvordering nog steeds aangifte doen binnen de in het faillietverklarend vonnis vastgestelde termijn - maar ‘la nouvelle loi a cependant, au travers du mécanisme des procès-verbaux de vérification successifs, introduit la faculté pour les créanciers de déclarer leurs créances, sans autre formalité, au-delà de la date fixée dans le jugement de faillite (...) le nouvel article 68 de la loi sur les faillites dispose en son alinéa 2 que les procès-verbaux de vérification complémentaires reprennent, notamment, les créances qui ont été déposées au greffe depuis le précédent procès-verbal de vérification. Eu égard au fait que les procès-verbaux de vérification complémentaires doivent être déposés dans les seize mois suivant la date du dépôt du premier procès-verbal de vérification, cet alinéa implique que les créanciers sont autorisés à déclarer leurs créances jusqu'au dépôt du dernier procès-verbal de vérification complémentaire, c'est-à-dire bien après la date fixée par le jugement de faillite' (J. Siaens, Développements en matière de faillite après la loi du 4 septembre 2002, Annales de Droit de Louvain, 2006, p. 277- 278). De aangifte van schuldvordering door gewone neerlegging ter griffie wordt dus verlengd tot na de strikte termijn die in het faillietverklarend vonnis is vastgesteld.

Daarenboven moet worden opgemerkt dat ‘la loi du 6 décembre 2005 n'a pas mo-difié le principe selon lequel les créanciers retardataires doivent citer les curateurs en admission de leur créance s'ils veulent prétendre à un quelconque dividende' mais alors qu'auparavant le délai pour introduire une action en admission était de trois ans, ‘la nouvelle loi a fortement réduit le délai de prescription de l'action en admission en prévoyant que celle-ci doit désormais être intentée avant la convoca-tion à l'assemblée clôturant la liquidation et au plus tard dans un délai d'un an à dater du jugement déclaratif de faillite' (J. Siaens, op. cit., p. 278-279).

Door de termijn van drie tot één jaar in te korten maar - vooral - door die termijn nog steeds te doen ingaan vanaf het faillietverklarend vonnis, heeft de wetgever een incoherentie doen ontstaan, ‘en autorisant, d'une part, la déclaration de créance par simple dépôt au greffe endéans un délai de l'ordre de dix-sept mois (nouvel article 68) et en limitant, d'autre part, le droit de citer le curateur en admission de sa créance à douze mois' (J. Siaens, op. cit., p. 279).

De mogelijkheid om een vordering tot opname in te stellen binnen de termijn van een jaar is ‘(...) dénuée d'effets pratiques' (Th. Bosly et M. Alhadeff, Les nouvelles règles applicables à la procédure de vérification de créance en cas de faillite, JT, 2005, p. 334 ; zie ook F. T'Kint, La faillite, Répertoire notarial, dl. XII, livre 12, p. 331). Zoals J. Siaens terecht opmerkt, ‘ce n'est que dans l'hypothèse relativement théorique où (i) la créance non encore déclarée était contestée devant un autre tribunal que celui de la faillite (dans quel cas l'action en admission se prescrit comme auparavant par six mois à dater du jugement définitif passé en force de chose jugée) et (ii) cet autre tribunal rend son jugement définitif passé en force de chose jugée plus de onze mois après le jugement de faillite que le texte légal actuel trouve à s'appliquer puisque ce n'est que dans cette hypothèse que l'action en admission ne sera pas prescrite avant le délai endéans lequel il est permis de dé-poser sa déclaration de créance sans autres formalités' (p. 279) ».

Het hof van beroep komt uiteindelijk tot het volgende besluit :

"Aangezien [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] hier op regelmatige wijze een aanvullende aangifte van schuldvordering had neergelegd overeenkomstig de vereenvoudigde procedure (artikel 68, tweede lid, van de wet), was zij geen in gebreke gebleven schuldeiser in de zin van artikel 72, eerste lid, van de wet, en hoefde zij haar schuldvordering dus niet via gerechtelijke weg te doen opnemen onder de voorwaarden van artikel 72, derde lid, van de wet".

Grieven

Het faillissement van de vennootschap Sevima werd uitgesproken op 10 april 2006. [De tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] heeft een eerste aangifte van schuldvordering neergelegd op 24 april 2006. Uit het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, afgesloten en neergelegd op 24 mei 2006, blijkt dat de schuldvordering van [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] is aanvaard als gewone schuldvordering, voor een bedrag van 9.608,08 euro. In het proces-verbaal wordt bovendien een schuldvordering van 1,00 euro aangehouden.

Na het verstrijken van de aanvaardingstermijn van een jaar, bepaald in artikel 72 van de wet van 8 augustus 1997, heeft [de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] een aangifte van schuldvordering neergelegd die de voormelde aangifte van 24 april 2006 aanvulde, op grond dat zij « in het voormelde faillissement over de volgende persoonlijkezekerheidstelling beschikt: verpanding, door de gefailleerde, van al haar huidige en toekomstige schuldvorderingen op de bank of op derden, overeenkomstig artikel 8 van de algemene voorwaarden van kredietopening (...)".

De curatele heeft het tegenstelbaar karakter van het beding van verpanding van de schuldvorderingen aangenomen en heeft het proces-verbaal van rekening en verantwoording gewijzigd.

De eiser heeft daartegen een verweermiddel aangevoerd en de derde kamer van de rechtbank van koophandel heeft in haar vonnis van 10 maart 2010 geoordeeld dat "wanneer de curator slechts het bedrag van de voorgelegde schuldvordering heeft gecontroleerd, wat hier het geval is, de schuldeiser, die naderhand bedenkt dat hij een recht van voorrang kan genieten, zijn aangifte kan ‘wijzigen'" en heeft het verweermiddel ongegrond verklaard en geweerd.

Het Hof heeft in zijn arrest van 30 oktober 2008 (C.07.0402.F) voor recht gezegd dat:

"De gevolgen van de opname van een schuldvordering in het passief van een failliete boedel, zijn beperkt tot hetgeen aangegeven, deugdelijk verklaard en aan-vaard is.

Op voorwaarde dat de schuldeiser binnen de bij artikel 72, derde lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 bepaalde termijn optreedt, kan hij, als zijn schuldvordering in het chirografaire passief is opgenomen, naderhand via een vonnis zijn recht van voorrang doen erkennen".

Artikel 13, 3°, van de wet van 6 december 2005 tot wijziging van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 heeft artikel 72, derde lid, van de Faillissementswet gewijzigd, zodat het voormelde lid bepaalt wat volgt : "Het recht opname te vorderen verjaart na verloop van één jaar te rekenen van het faillietverklarend vonnis, behalve voor de schuldvordering die vastgesteld wordt in een procedure tot tussenkomst of vrijwaring, vervolgd of ingesteld tijdens de vereffening".

Het hof van beroep miskent de in het middel bedoelde bepalingen, wanneer het het vonnis van de eerste rechter bevestigt, op grond dat "[de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij] te dezen op regelmatige wijze een aanvullende aangifte van schuldvordering had neergelegd overeenkomstig de vereenvoudigde procedure (artikel 68, tweede lid, van de wet)".

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De gevolgen van de opname van een schuldvordering in het passief van een fail-liete boedel, zijn beperkt tot hetgeen aangegeven, deugdelijk verklaard en aan-vaard is.

De schuldeiser die de opname van zijn schuldvordering in het gewone passief van het faillissement heeft verkregen, kan naderhand een recht van voorrang doen op-nemen door een verklaring op de griffie neer te leggen, voor zover die neerlegging plaatsvindt vóór die van het laatste aanvullend proces-verbaal van verificatie, be-paald in artikel 68, tweede lid, Faillissementswet van 8 augustus 1997.

Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Vordering tot bindendverklaring van het arrest

De verwerping van het cassatieberoep maakt de vordering tot bindendverklaring van het arrest doelloos.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Mireille Delange, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 10 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Schuldvordering

  • Opname in het passief

  • Uitwerking