- Arrest van 13 januari 2014

13/01/2014 - C.11.0596.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de hier nog toepasselijke artikelen 94, eerste lid, 95 en 96bis van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen volgt dat alle kosten die verband houden met het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en die niet worden opgesomd in artikel 95 Ziekenhuiswet, begrepen zijn in het budget van financiële middelen en dat daarvoor geen financiële vergoeding van de patiënt kan worden gevorderd (1)(2). (1) Zie concl. O.M. (2) Thans de artikelen 100, 102 en 104 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinstellingen van 10 juli 2008.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0596.N

X.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

HEILIG HARTZIEKENHUIS ROESELARE-MENEN vzw, met zetel te 8800 Roeselare, Wilgenstraat 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 24 juni 2010.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 21 oktober 2013 verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 21 oktober 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 94, 95 en 96bis van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, in de versie van toepassing vóór de coördinatie ervan bij een koninklijk besluit van 10 juli 2008;

- de artikelen 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- voor zoveel als nodig, de artikelen 1128, 1131 en 1133 van het Burgerlijk Wet-boek.

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart de rechtbank van eerste aanleg het hoger be-roep van de eiser slechts gegrond in de mate dat geen rekening werd gehouden met het op 10 april 2008 betaalde bedrag van 45 euro en hervormt zij het bestreden vonnis enkel op dat punt. Voor het overige verklaart de rechtbank van eerste aanleg het hoger beroep ongegrond en veroordeelt zij de eiser tot betaling van vier vijfde van de kosten van de procedure in graad van beroep. De rechtbank van eerste aanleg neemt die beslissing op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunt en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"5. Beoordeling

[...]

B. Aanrekening van 1.200 euro.

Voorafgaandelijk verduidelijkt de rechtbank [dat] de Ziekenhuiswet van 07.08.1987 gecoördineerd [werd] bij KB van 10.07.2008 waardoor (ondermeer) een nieuwe nummering werd verleend aan de geldende artikelen.

De rechtbank gebruikt de oude nummering (en derhalve als meest relevante artikelen de artikelen 94 en 95) gezien deze nummering verder aangehouden blijft in de besluiten van partijen die gedeeltelijk voor de coördinatie werden opgesteld).

a. Budget van de financiële middelen van een ziekenhuis.

Als eerste argument haalt [de eiser] aan dat het gebruik van de robot Da Vinci voor het uitvoeren van de radicale prostatectomie binnen het budget van financiële middelen zit en derhalve op grond van artikel 94 van de Ziekenhuiswet niet kan aangerekend worden aan de patiënt.

Art. 94. [...]

De Koning heeft bij KB van 25.04.2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen deze kosten omschreven.

De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van robotchirurgie begrepen is in het budget van financiële middelen zoals heel uitgebreid uiteengezet in het bewuste KB (artikel 7 en volgende) met name onder:

Art. 9. Onderdeel A1 heeft betrekking op de investeringslasten. De bestanddelen waarvan de kost door Onderdeel A1 van het budget worden gedekt, zijn:

1° de afschrijvingen van de lasten van opbouw, verbouwing, uitrusting en apparatuur;

De rechtbank volgt derhalve de stelling van de vrederechter op dit punt.

De Da Vinci - robot kan immers niet anders dan gecatalogeerd worden onder apparatuur, apparatuur die volgens artikel 9 van het KB van 25.04.2002 in de ligdagprijs begrepen is.

De rechtbank volgt de stelling van [de verweerster] niet dat voor diezelfde radicale prostatectomie twee maal een honorarium zou mogen aangerekend worden:

enerzijds één aan de patiënt aangerekend onder 261800 voor een bedrag gekoppeld aan dit nomenclatuurnummer met name 797,71 euro (met ereloonsupplement van 100 pct. gelet op artikel 90 Ziekenhuiswet en het verblijf van de patiënt op een individuele kamer) en anderzijds onder honorarium voor niet-vergoedbare prestaties voor het gebruik van de robot zelf.

Uit de beschrijving van deze techniek blijkt duidelijk dat de geneesheer-specialist slecht(s) één operatie uitvoert: ofwel de klassieke prostatectomie ofwel de operatie met de robot.

Dit blijkt trouwens ook uit de beschrijving op de website van het Sint-Jansziekenhuis van Brugge als volgt:

[...]

Uit deze beschrijving blijkt duidelijk dat deze techniek de klassieke operatie vervangt: De chirurg voert dezelfde operatie uit via de robot.

De operatie met robot duurt weliswaar langer (volgens de literatuur ongeveer 1 uur langer en derhalve effectief vaak het dubbele van de klassieke operatie) en vergt uiteraard een voorafgaandelijke doorgedreven gespecialiseerde opleiding.

In de periode waarin de bewuste operatie bij [de eiser] werd uitgevoerd, was er (nog) geen terugbetaling voorzien voor deze techniek. De techniek van de robotchirurgie was (nog) niet opgenomen in de nomenclatuur zodat er geen tegemoetkoming was in het kader van de geneeskundige nomenclatuur.

Het bedrag van 1.200 euro is enkel een vergoeding voor het gebruik van een (duur) apparaat dat in de ligdagprijs begrepen dient te zijn conform artikel 94.

b. Informed consent ondertekend door [de eiser].

Waarop heeft de ‘informed consent' van [de eiser] betrekking?

[De eiser] heeft zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met de techniek van de operatie die zou uitgevoerd worden met name de ‘innoverende techniek van de robotchirurgie waarvan de voordelen U door Uw behandelende geneesheer werden uitgelegd.'.

Daarnaast werd hij uitdrukkelijk op de hoogte gebracht van het feit dat ‘deze techniek (nog) niet in de geneeskundige nomenclatuur of verpleegdagprijs is opgenomen en dat voor de ermee gepaard gaande kosten derhalve geen terugbetaling is voorzien door het ziekenfonds'.

Daaraan werd nogmaals uitdrukkelijk toegevoegd:

‘U gaat er derhalve uitdrukkelijk mee akkoord om deze kosten zelf ten Uwen laste te nemen.'.

Tenslotte wordt gemeld, waarmee [de eiser] zich eveneens uitdrukkelijk heeft akkoord verklaard, dat de ingreep ook op de klassieke methode kan worden uitgevoerd en dat daarvoor wel een terugbetaling is voorzien via de ziekteverzekering.

‘Desalniettemin kies ik uitdrukkelijk voor de innovatieve techniek.'.

Daaronder kan uiteraard enkel verstaan worden ‘en niet voor de klassieke ingreep'.

[De eiser] heeft uit twee mogelijke alternatieven de uitvoering van de ingreep gekozen met de kwestieuze robot ‘Da Vinci'.

Dit is precies wat bedoeld wordt in de wet van 22.08.2002 betreffende de rechten van de patiënt. De patiënt dient schriftelijke toestemming te geven voor bepaalde handelingen, voor de keuze van een bepaald [alternatief] indien verschillende alternatieven voor handen zijn, voor bedragen die ten laste zijn van de patiënt zelf.

Het ‘informed consent'-formulier daterend van 10.02.2006 dient inderdaad aan een kritisch onderzoek onderworpen te worden zoals de eerste rechter terecht deed.

De rechtbank is evenzeer terughoudend op dit gebied en is van oordeel dat elk formulier dient geëvalueerd te worden op zijn geldigheid in de geest van de wet op de bescherming van de rechten van de patiënt.

In casu dient, samen met de eerste rechter geconcludeerd te worden dat deze ‘informed consent' tijdig werd gegeven door de patiënt, met vermelding van het feit dat hij steeds op de gemaakte keuze kan terugkomen tot op het ogenblik van de operatie zelf, met een duidelijke vermelding van de alternatieven met de kostprijs en een expliciete vermelding van de kostprijs van de techniek van operatie van zijn keuze.

Bovendien werd nooit ontkend door [de eiser] dat de verschillende mogelijkheden voor de prostatectomie grondig en voorafgaandelijk met hem besproken werden waarna pas het informed consent formulier ondertekend werd.

Het informed consent werd ondertekend op 10.02.2006. De operatie werd uitgevoerd op 26.03.2006 of ruim zes weken na het ondertekenen van de informed consent en van de betaling van het bedrag van 1.200 euro, dat bestempeld werd als ‘voorschot'.

Vraag is of [de eiser] zich kon akkoord verklaren met een van de Ziekenhuiswet afwijkende bepaling in die zin dat een ‘kost' die normaal gezien in het budget van de financiële middelen zit en derhalve conform artikel 94 Ziekenhuiswet niet aan de patiënt kan aangerekend worden.

Zijn de bepalingen met betrekking tot het budget van financiële middelen m.a.w. van openbare orde?

De ingreep dateert van na de opheffing van artikel 89 (met ingang van 01.07.2002 bij artikel 83 van de wet van 14.01.2002) dat voorzag dat ‘de prijs per verpleegdag die, niettegenstaande elk strijdig beding, mag worden aangerekend de prijs is die overeenkomstig de bepalingen van deze gecoördineerde wet wordt vastgesteld door de Minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.'

De ingeroepen cassatierechtspraak (Cass. 01.10.2007) betreft een ziekenhuisopname van 2000 en dus voor de opheffing van dit artikel.

Ook de in graad van hoger beroep ingeroepen rechtspraak (cassatiearrest van 15.09.2008) is rechtspraak die gaat over een ingreep van voor de wetswijziging, wat trouwens uitdrukkelijk vermeld wordt in het arrest.

De rechtbank is van oordeel dat een aantal bepalingen van de Ziekenhuiswet ongetwijfeld van openbare orde zijn.

Dit is onder meer het geval voor de artikelen uit de Ziekenhuiswet die verband houden met de erkenning van de ziekenhuizen, gezien deze vanzelfsprekend de volksgezondheid zelf betreffen.

De rechtbank is, samen met de eerste rechter van oordeel dat tussen patiënt/ziekenhuis wel degelijk een afwijkende overeenkomst mag afgesloten worden.

De eerste rechter heeft terecht gewezen op het feit dat in het vroegere artikel 89 van de Ziekenhuiswet letterlijk en expliciet stond ‘niettegenstaande elk strijdig beding' terwijl dit artikel bij wet van 14.01.2002 werd opgeheven.

Conclusie.

Het hoger beroep van [de eiser], gericht op de hervorming van het bestreden vonnis met betrekking tot de afwijzing van [de] door [de eiser] gevorderde terugbetaling van het betaalde voorschot van 1.200 euro wordt afgewezen en het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

De rechtbank verklaart het hoger beroep enkel gegrond op het punt waar ten onrechte een bedrag van 45 euro werd toegekend, waar dit bedrag in de loop van de procedure in eerste aanleg reeds betaald werd en waaromtrent geen discussie bestaat."

Grieven

1. Luidens artikel 94 van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, hieronder afgekort als Ziekenhuiswet, in de versie van toepassing vóór de coördinatie ervan bij een koninklijk besluit van 10 juli 2008, dekt, onverminderd artikel 90, het budget van financiële middelen op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf in een gemeenschappelijke kamer en de verstrekking van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in daghospitalisatie zoals omschreven door de Koning. Het komt de Koning toe de hiervoor bedoelde kosten te omschrijven.

Krachtens artikel 95 van de Ziekenhuiswet zijn niet begrepen in het budget van financiële middelen:

1° de prijs van de farmaceutische specialiteiten en van de generische genees-middelen,

2° het honorarium van de geneesheren en van de paramedische practici in verband met hiernavolgende geneeskundige verstrekkingen:

- de gewone zorgen en technische verstrekkingen op het gebied van de diagnose en de behandeling door de geneesheren die de algemene geneeskunde beoefenen en de geneesheren-specialisten, alsmede de tandheelkundige zorgen ter bewaring of herstelling;

- de zorgen verstrekt door de kinesisten;

- de verlossingen door gediplomeerde vroedvrouwen;

- het verstrekken van brillen en andere oogprothesen, hoortoestellen, orthopedische toestellen en andere prothesen;

- alle andere zorgen en verstrekkingen die voor de revalidatie en de herscholing zijn vereist, voor zover de uitvoering ervan niet gebonden is aan de specifieke werkzaamheden van de dienst waarin de zieke is opgenomen;

3° de vergoeding voor de verstrekkingen door apothekers of licentiaten in de scheikundige wetenschappen die gemachtigd zijn analyses van klinische biologie te verrichten;

4° de kosten verbonden aan het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese, wanneer deze hetzij het voorwerp zijn van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering, hetzij voorkomen op een door de minister van Sociale Zaken vast te stellen lijst, nadat er een voorstel tot opname in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen werd geformuleerd conform artikel 35, § 2, van de Ziektewet.

Artikel 95 van de Ziekenhuiswet somt aldus op limitatieve wijze de kosten op die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen en die dus niet gedekt zijn door het in artikel 94 bedoelde forfait.

Krachtens artikel 96bis van de Ziekenhuiswet kan voor de tussenkomsten, diensten en verstrekkingen van zorgen waarvan de kosten op forfaitaire wijze door het budget van financiële middelen worden gedekt, geen financiële vergoeding van de patiënt worden gevorderd.

Uit de voorgaande bepalingen volgt onder meer dat alle kosten die verband houden met de verstrekking van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en die niet worden opgesomd in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, begrepen zijn in het budget van financiële middelen en dat daarvoor geen financiële vergoeding van de patiënt kan worden gevorderd.

2. Krachtens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen. Krachtens het eerste lid van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken alleen de overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, de partijen tot wet. Uit de artikelen 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de partijen in hun overeenkomst alle bedingen mogen opnemen, voor zover zij niet strijdig zijn met een wettelijke bepaling van openbare orde of van dwingend recht, noch met de goede zeden.

Volgens de artikelen 1131 en 1133 van datzelfde wetboek kunnen verbintenissen geen gevolg hebben wanneer hun oorzaak door de wet is verboden of strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde. Overigens kunnen krachtens artikel 1128 van het Burgerlijk Wetboek alleen zaken die in de handel zijn, het voorwerp van een overeenkomst uitmaken.

3. Na te hebben overwogen dat het bedrag van 1.200 euro enkel een vergoeding is voor het gebruik van een duur apparaat dat met toepassing van artikel 94 van de Ziekenhuiswet in de ligdagprijs dient begrepen te zijn, stelt de rechtbank van eerste aanleg vast dat de eiser een ‘informed consent'-formulier ondertekende, waarin hij:

- zich akkoord verklaarde met de techniek van de operatie die zou worden uitge-voerd, met name met de innoverende techniek van de robotchirurgie;

- uitdrukkelijk op de hoogte werd gebracht van het feit dat die techniek nog niet was opgenomen in de geneeskundige nomenclatuur of verpleegdagprijs en voor de ermee gepaard gaande kosten derhalve in geen terugbetaling is voorzien door het ziekenfonds;

- zich uitdrukkelijk akkoord verklaarde die kosten zelf ten zijne laste te nemen.

De rechtbank van eerste aanleg stelt voorts vast dat de eiser zijn ‘informed consent' tijdig heeft gegeven, met de vermelding dat hij steeds op de gemaakte keuze kon terugkomen tot op het ogenblik van de operatie zelf, met een duidelijke vermelding van de alternatieven met de kostprijs en een expliciete vermelding van de kostprijs van de techniek van operatie van zijn keuze. Ook stelt de rechtbank vast dat de eiser nooit heeft ontkend dat de verschillende mogelijkheden grondig en voorafgaandelijk met hem werden besproken waarna het ‘informed consent'-formulier pas werd ondertekend.

1. Eerste onderdeel

Een wet is van openbare orde als hij de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of als hij, in het privaatrecht, de juridische grondslagen bepaalt waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust.

De artikelen 94, 95 en 96bis, minstens de artikelen 95 en 96bis, van de Ziekenhuiswet, raken de openbare orde.

De rechtbank van eerste aanleg overweegt dat de ingreep dateert van ná de ophef-fing van artikel 89 van de Ziekenhuiswet, dat bepaalde dat "de prijs per verpleegdag die, niettegenstaande elk strijdig beding, mag worden aangerekend, de prijs is die overeenkomstig de bepalingen van deze gecoördineerde wet wordt vastgesteld door de Minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft", en dat in het vroegere artikel 89 van de Ziekenhuiswet letterlijk en expliciet stond ‘niettegenstaande elk strijdig beding', maar dat dit artikel bij een wet van 14 januari 2002 werd opgeheven.

De rechtbank van eerste aanleg erkent vervolgens dat een aantal bepalingen van de Ziekenhuiswet ongetwijfeld van openbare orde zijn, maar beslist dat tussen de patiënt en een ziekenhuis wel degelijk een afwijkende overeenkomst mag worden gesloten.

Door aldus te oordelen dat tussen de patiënt en een ziekenhuis een van de artikelen van de Ziekenhuiswet betreffende het budget van financiële middelen afwijkende overeenkomst mag worden gesloten en meer bepaald dat de verweerder zich akkoord kon verklaren met een beding dat afwijkt van de regel dat een kost die in het budget van de financiële middelen zit en derhalve conform artikel 94 van de Ziekenhuiswet niet aan de patiënt kan aangerekend worden, miskent de rechtbank van eerste aanleg de artikelen 94, 95 en 96bis van die wet, die de openbare orde raken (schending van de artikelen 94, 95 en 96bis van de Ziekenhuiswet, en 6, 1128, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

Conclusie

De beslissing van de rechtbank van eerste aanleg dat het hoger beroep van de eiser gericht op de hervorming van het vonnis van de vrederechter in zoverre zijn vordering tot terugbetaling van het door hem betaalde voorschot van 1.200 euro werd afgewezen, ongegrond is, is niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 94, 95 en 96bis van de Ziekenhuiswet, en 6, 1128, 1131, 1133 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

2. Tweede onderdeel - in ondergeschikte orde

De artikelen 94, 95 en 96bis, minstens de artikelen 95 en 96bis, van de Ziekenhuiswet, zijn van dwingend recht.

Een dwingende wetsbepaling verhindert dat van een recht dat uit die bepaling voortvloeit, vooraf rechtsgeldig wordt afgeweken. Pas wanneer die bepaling op-gehouden heeft dwingend te zijn ten behoeve van de begunstigde en aldus aanvul-lend recht uitmaakt, kan ervan worden afgeweken, zo volgt uit de artikelen 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit wat voorafgaat volgt dat een patiënt niet vóór het ophouden van de bescher-ming die dwingende bepalingen verzekeren, afstand kan doen van de daaruit voortvloeiende rechten, noch daarvan rechtsgeldig kan afwijken. De beschermende werking van de artikelen 94, 95 en 96bis, minstens van de artikelen 95 en 96bis, van de Ziekenhuiswet, houdt maar op eens de medische ingreep heeft plaatsgevonden en de patiënt het ziekenhuis heeft verlaten.

Vóór het tijdstip waarop de patiënt, na te zijn behandeld, het ziekenhuis heeft verlaten, kan hij niet rechtsgeldig afzien van de door de artikelen 94, 95 en 96bis van de Ziekenhuiswet geboden bescherming. Derhalve kan een patiënt niet voorafgaandelijk aan een opname in een ziekenhuis zich bij overeenkomst ertoe verbinden meer te betalen dan wat hij op grond van de vigerende regelgeving verschuldigd is.

De rechtbank van eerste aanleg stelt vast dat het ‘informed consent'-formulier, waarin de eiser zich verbond tot betaling van een bedrag van 1.200 euro, door de eiser werd ondertekend op 10 februari 2006 en de operatie werd uitgevoerd op 26 maart 2006, of ruim zes weken na het ondertekenen van het ‘informed consent'-formulier.

Door de overeenkomst die de eiser en de verweerster op 10 februari 2006 sloten, m.n. het ‘informed consent'-formulier, voor de partijen als bindend te beschouwen niettegenstaande uit de feitelijke vaststellingen blijkt dat de ondertekening ervan gebeurde, en bijgevolg de overeenkomst werd gesloten vóór de medische behandeling van de eiser in het ziekenhuis van de verweerster plaatshad, miskent de rechtbank van eerste aanleg de dwingende aard van de artikelen 94, 95 en 96bis van de Ziekenhuiswet en schendt zij de artikelen 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek.

Conclusie

De beslissing van de rechtbank van eerste aanleg dat het hoger beroep van de eiser gericht op de hervorming van het vonnis van de vrederechter in zoverre zijn vordering tot terugbetaling van het door hem betaalde voorschot van 1.200 euro werd afgewezen, ongegrond is, is niet naar recht verantwoord (schending van artikelen 94, 95 en 96bis van de Ziekenhuiswet, en 6 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens het hier nog toepasselijke artikel 94, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen, hierna: Ziekenhuiswet, dekt, onverminderd de toepassing van artikel 90, het budget van financiële middelen op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf in een gemeenschappelijke kamer en de verstrekking van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in daghospitalisatie zoals omschreven door de Koning. De Koning omschrijft krachtens artikel 94, tweede lid, de in het eerste lid bedoelde kosten.

Het hier nog toepasselijke artikel 95 Ziekenhuiswet somt op limitatieve wijze de kosten op die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen.

Krachtens het hier nog toepasselijke artikel 96bis Ziekenhuiswet kan voor de tus-senkomsten, diensten en verstrekkingen van zorgen waarvan de kosten op forfai-taire wijze door het budget van financiële middelen worden gedekt, geen financi-ele vergoeding van de patiënt worden gevorderd.

Uit deze bepalingen volgt dat alle kosten die verband houden met het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en die niet worden opgesomd in artikel 95 Ziekenhuiswet, begrepen zijn in het budget van financiële middelen en dat daarvoor geen financiële vergoeding van de patiënt kan worden gevorderd.

2. De artikelen 95 en 96bis Ziekenhuiswet die verband houden met de organi-satie, inzonderheid de financiering en de toegankelijkheid van de gezondheids-zorg, raken de openbare orde.

Van deze bepalingen kan niet worden afgeweken door een overeenkomst die een ziekenhuis sluit met een patiënt.

3. Het bestreden vonnis oordeelt vooreerst dat het door de eiser teruggevorder-de bedrag van 1.200 euro enkel een vergoeding is voor het gebruik van een duur apparaat dat in toepassing van artikel 94 Ziekenhuiswet begrepen dient te zijn in "de ligdagprijs".

Het stelt vervolgens vast dat de eiser een ‘informed consent'-formulier onderte-kende waarin hij verklaarde:

- ermee akkoord te gaan dat de operatie zou worden uitgevoerd met de inno-verende techniek van robotchirurgie;

- ervan uitdrukkelijk op de hoogte te zijn gebracht dat die techniek nog niet was opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de kosten ervan derhalve niet door het ziekenfonds worden terugbetaald;

- ermee akkoord te gaan die kosten zelf ten laste te nemen.

Het stelt verder vast dat het ‘informed consent'-formulier door de eiser werd on-dertekend op 10 februari 2006 en de operatie werd uitgevoerd op 26 maart 2006, dit is ruim zes weken na het ondertekenen van het ‘informed consent'-formulier, na de betaling van het als voorschot bestempelde bedrag van 1.200 euro.

Het bestreden vonnis dat vervolgens oordeelt dat de overeenkomst die de partijen op 10 februari 2006 afsloten geldig is en de eiser bindt, verantwoordt aldus zijn beslissing waarbij de door de eiser gevorderde terugbetaling van het betaalde voorschot van 1200 euro wordt afgewezen, niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, rechtszitting hou-dende in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué K. Mestdagh B. Deconinck

Vrije woorden

  • Verblijf in ziekenhuis

  • Verzorging patiënt

  • Kosten

  • Aanrekening aan patiënt

  • Overeenkomst