- Arrest van 13 januari 2014

13/01/2014 - C.12.0576.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Zo uit artikel 37bis van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden volgt dat indien er verzachtende omstandigheden zijn, de administratieve stadionverboden bepaald in artikel 24, §2, kunnen worden verminderd tot beneden hun minimum, zonder dat zij ooit lager kunnen zijn dan drie maanden, dan laat evenwel geen enkele wettelijke bepaling toe aan de bij artikel 26, §1, eerste lid, bedoelde aangewezen ambtenaar, en bijgevolg evenmin aan de jeugdrechtbank die oordeelt over het verhaal dat tegen diens beslissing is ingesteld, om de duur van het in voormeld artikel 24quater bepaalde administratief stadionverbod te verminderen tot beneden het minimum van drie maanden (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0576.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, voor wie optreedt de algemene directie veiligheid en preventiebeleid, voetbalcel, met kantoor te 1000 Brussel, Waterloolaan 76,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de eiser woon-plaats kiest,

tegen

1. A,

2. S.,

3. C.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de jeugdrecht-bank te Brugge van 26 januari 2012.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 november 2013 verwe-zen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 22 november 2013 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De tweede en derde verweerders waren geen partij bij de bestreden beslis-sing en hebben thans geen hoedanigheid meer om hun meerderjarig geworden zoon, de eerste verweerder, in rechte te vertegenwoordigen.

In zoverre het cassatieberoep tegen de tweede en derde verweerders is gericht, is het niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. De jeugdrechtbank oordeelt dat de aan de eerste verweerder ten laste geleg-de inbreuk op artikel 23ter van de wet van 21 december 1998 betreffende de vei-ligheid bij voetbalwedstrijden, hierna: Voetbalwet, waarvoor de bestreden admini-stratieve beslissing hem een administratief stadionverbod van drie maanden had opgelegd, bewezen is.

Zij vermindert het administratief stadionverbod tot een maand, op grond dat zij tot een andere beslissing over de duur van het stadionverbod als jeugdbeschermingsmaatregel was gekomen indien zij over dezelfde feiten had moeten oordelen in het kader van een "MOF-dossier", dit gelet op de persoonlijkheid van de eerste verweerder, zijn medische toestand, zijn spijtbetuiging en zijn minderjarigheid.

3. Krachtens artikel 24quater Voetbalwet en artikel 38bis, 2°, Jeugdbescher-mingswet kan in geval van overtreding van artikel 23ter Voetbalwet een admini-stratief stadionverbod voor een duur van drie maanden tot vijf jaar worden opge-legd aan de minderjarige boven de veertien jaar op het ogenblik van de feiten.

4. Zo uit artikel 37bis Voetbalwet volgt dat indien er verzachtende omstandig-heden zijn, de administratieve stadionverboden bepaald in artikel 24, § 2, kunnen worden verminderd tot beneden hun minimum, zonder dat zij ooit lager kunnen zijn dan drie maanden, dan laat evenwel geen enkele wettelijke bepaling toe aan de bij artikel 26, § 1, eerste lid, bedoelde aangewezen ambtenaar, en bijgevolg evenmin aan de jeugdrechtbank die oordeelt over het verhaal dat tegen diens be-slissing is ingesteld, om de duur van het in voormeld artikel 24quater bepaalde administratief stadionverbod te verminderen tot beneden het minimum van drie maanden.

5. Het vonnis dat aan de eerste verweerder een vermindering van het admini-stratief stadionverbod tot beneden het minimum van drie maanden toekent, schendt aldus artikel 24quater Voetbalwet.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

6. Krachtens artikel 62 Jeugdbeschermingswet gelden, behoudens afwijkingen, voor de in titel II, hoofdstuk III bedoelde procedures, de wetsbepalingen betref-fende de vervolgingen in correctionele zaken.

7. Artikel 31 Voetbalwet, zoals gewijzigd bij artikel 17, 2°, van de wet van 10 maart 2003, bepaalt:

"§ 1. De overtreder die de beslissing van de in artikel 26, § 1, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en de buitengewone rechtsmiddelen.

§ 2. Indien de beslissing genomen wordt ten opzichte van een minderjarige die veertien jaar was op het ogenblik van de feiten, wordt het beroep bij de jeugd-rechtbank ingediend."

Bij artikel 2 van de wet van 7 mei 2004 werd in artikel 36 Jeugdbeschermingswet ingevoegd: "De jeugdrechtbank neemt kennis (...) 6° van het hoger beroep inge-steld bij kosteloos verzoekschrift tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel [24quater] van de wet van 21 de-cember 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, aan minderjarigen die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten."

8. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de wetswijziging doorvoerde om tegemoet te komen aan de door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest 155/2002 van 6 november 2002 gewenste procedurele waarborgen tegenover minderjarigen die inbreuk plegen op de Voetbalwet en aan wie krachtens artikel 24quater Voetbalwet een administratief stadionverbod kan worden opgelegd. De Voetbalwet werd daarom aangevuld met specifieke procedurele waarborgen voor de minderjarigen die geïnspireerd zijn op die waarin de wet van 8 april 1965 voorziet, wat betreft de mededeling van informatie aan de personen die de minderjarige onder hun bewaring hebben, het verhoor van de minderjarige en de aanwezigheid van een advocaat, en de beroepsmogelijkheid voor minderjarigen ouder dan 14 jaar aan wie een tijdelijk stadionverbod wordt opgelegd bij de jeugdrechtbank in plaats van de politierechtbank.

9. Hieruit volgt niet dat de wetgever, wat de procedure ten aanzien van min-derjarigen in de Voetbalwet betreft, van de overige voorschriften van artikel 31, § 1, Voetbalwet, zoals de toepasselijkheid van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek op het verhaal bij de rechtbank en de buitengewone rechtsmiddelen, is afgeweken.

10. Uit de samenhang tussen de voormelde bepalingen volgt aldus dat de bepa-lingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op het verhaal dat door een minderjarige bij de jeugdrechtbank wordt ingesteld tegen een beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie als bedoeld in artikel 24quater Voetbalwet.

11. Het vonnis dat oordeelt dat de bepalingen betreffende de vervolgingen in correctionele zaken van toepassing zijn op de procedure en op die grond beslist dat aan de verweerders geen rechtsplegingsvergoeding kan worden opgelegd, ver-antwoordt die beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre dit het administratief stadionverbod dat aan de eerste verweerder is opgelegd, vermindert tot één maand en oordeelt over de kosten.

Verwerpt het cassatieberoep in zoverre het gericht is tegen de tweede en derde verweerders.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de jeugdrechtbank te Kortrijk.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 630,80 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols

K. Moens

B. Wylleman

G. Jocqué

K. Mestdagh

B. Deconinck

Vrije woorden

  • Jeugdrechtbank

  • Voetbalwet

  • Administratieve sanctie

  • Verzachtende omstandigheden

  • Mogelijkheid