- Arrest van 14 januari 2014

14/01/2014 - P.12.1015.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een “straf” is in de zin van artikel 6 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn; voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijk aard is, zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, erop toepassing moeten vinden (1). (1) Cass. 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N, AC 2008, nr. 590; Cass. 4 nov. 2008, AR P.08.0081.N, AC 2008, nr. 608 met concl. eerste adv.-gen. De Swaef; Cass. 6 jan 2009, AR P.08.0674.N, AC 2009, nr. 7; Cass. 17 feb. 2009, AR P.08.1587.N, AC 2009, nr. 131; Cass. 9 juni 2009, AR P.09.0023.N, AC 2009, nr. 383; Cass. 23 juni 2009, AR P.09.0276.N, AC 2009, nr. 432; Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.0278.N, AC 2009, nr. 689; Cass. 25 jan. 2011, AR P.10.0369.N, AC 2011, nr. 69; Cass. 27 sept. 2011, AR P.10.2020, AC 2011, nr. 500.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1015.N

1. D M,

beklaagde,

2. F F,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Marc Smout, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1820 Steenokkerzeel, Anjelierenlaan 24, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, handelend in naam van het Vlaamse Gewest, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant, met burelen te 3000 Leuven, Blijde Inkomstraat 105,

eiser tot herstel,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 7 mei 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf grieven aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest stelt vast dat de strafvordering met betrekking tot de feiten van de telastlegging A vervallen is door verjaring en ontslaat de eisers van rechtsvervolging voor de telastlegging B. Het verklaart zich ook onbevoegd uitspraak te doen over de herstelvordering in zoverre zij betrekking heeft op andere constructies dan deze vervat in de telastlegging A.

In zoverre de cassatieberoepen ook tegen deze beslissingen zijn gericht, zijn zij niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Eerste grief

Eerste en tweede onderdeel

2. De onderdelen voeren schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: de behandeling van een herstelvordering, zoals te dezen geformuleerd op 12 juli 1996, dient te gebeuren binnen een redelijke termijn (eerste onderdeel); het arrest dat de overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, verbindt slechts een louter formele consequentie aan het overschrijden van de redelijke termijn (tweede on-derdeel); aldus verleent het arrest de eisers geen daadwerkelijke rechtshulp.

3. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke staat een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn.

Voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Bel-gisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring erop toepassing moeten vinden.

4. Bij de straftoemeting in de zin van de strafwet vormen de ernst van het be-wezen verklaarde misdrijf en de schuld en de persoonlijkheid van de beklaagde, criteria op grond waarvan de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt. Binnen die beleidsruimte is er plaats voor mil-dering om reden van de onzekerheid die de betrokkene door de langdurige vervol-ging heeft moeten doorstaan.

5. De herstelvordering heeft niet zozeer een bepaald misdrijf als grondslag, maar wel de stedenbouwkundige verplichting die moet worden nageleefd en waarvan de niet-naleving leidt tot een met de wet strijdige toestand waardoor het openbaar belang wordt geschaad en waaraan een einde moet worden gesteld.

Deze noodzaak om de goede ruimtelijke ordening te handhaven en waar nodig te herstellen, biedt wegens de aard zelf van de herstelvordering, geen ruimte tot mil-dering om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en onvere-nigbaar zijn met de doelstellingen van de wet.

6. De rechter gaat overeenkomstig artikel 159 Grondwet en artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bij de wettigheidstoets van het gevorderde herstel na of dit nog steeds steunt op motieven die de ruimtelijke ordening betref-fen en op een opvatting van de ruimtelijke ordening die niet kennelijk onredelijk is. Daarbij komt ook het ruime tijdsverloop in aanmerking in die zin dat door de aldus gewijzigde omstandigheden, een verder herstel zoals gevorderd kennelijk onredelijk kan voorkomen.

7. Voor het overige staat het aan de rechter te oordelen in welke mate de om-standigheden van de zaak hem toelaten een passend en redelijk verantwoord rechtsherstel te verlenen dat voldoet aan de artikelen 6.1 en 13 EVRM zonder dat hij daarbij de bevoegdheden hem toegekend door artikel 6.1.41, § 1, Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening zou overschrijden. De noodzaak van een passend rechtsherstel wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarbij beïn-vloed door de omstandigheid dat de betrokkene in afwachting van de uitspraak langdurig voordeel heeft kunnen halen uit de door hemzelf gecreëerde onwettige toestand.

Bij onmogelijkheid om dit rechtsherstel te verlenen stelt hij de overschrijding van de redelijke termijn op authentieke wijze vast, waarbij het dan aan de betrokkene behoort zich tot de bevoegde rechter te wenden teneinde dit passend rechtsherstel te verkrijgen.

In zoverre de onderdelen aanvoeren dat de strafrechter zelf in alle gevallen voor-meld rechtsherstel moet verlenen, falen zij naar recht.

8. De appelrechters die oordelen dat het gevorderde herstel nog steeds steunt op motieven die de ruimtelijke ordening betreffen en op een opvatting van de ruimtelijke ordening die niet kennelijk onredelijk is, stellen op authentieke wijze de overschrijding van de redelijke termijn vast.

Aldus voldoen zij aan het bepaalde in de artikelen 6.1 en 13 EVRM.

In zoverre kunnen de onderdelen niet aangenomen worden.

Derde en vierde onderdeel

9. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest leidt uit artikel 21ter, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering af dat de feitenrechter tot teruggave moet veroordelen zo daartoe aanleiding be-staat doordat hij geen ruimte heeft zich milder op te stellen, zelfs zo de redelijke termijn voor de behandeling van de herstelvordering werd overschreden (derde onderdeel); het geeft ook herhaaldelijk aan dat de redelijke termijn werd over-schreden, wat niet anders kan uitgelegd worden dan dat die termijn "onredelijk ruim en dus al te ruim" werd overschreden (vierde onderdeel); door impliciet de al te ruime overschrijding verenigbaar te achten met het voorschrift van de daad-werkelijke rechtshulp van artikel 13 EVRM, ontwikkelt het arrest een tegenstrij-dige redenering; het haalt "niet pertinente motieven (aan) om de rechtsgevolgen van (artikel) 13 voormeld uit de weg te gaan en het gezag daarvan louter te be-perken tot een weliswaar authentieke vaststelling zonder enig praktisch rechtsge-volg te velde."

10. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat de appelrechters aan de eisers een passend rechtsherstel wegens de overschrijding van de redelijke termijn wei-geren om de enkele reden dat artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen ruimte zou toelaten zich milder op te stellen, houdt het geen rekening met de overige motieven van het arrest met als besluit dat het gevorderde herstel niet kennelijk onredelijk, maar nog steeds noodzakelijk is.

In zoverre berusten de onderdelen op een onvolledige lezing van het arrest, en missen zij feitelijke grondslag.

11. Met de redenen die het arrest (p. 7-10) bevat, oordelen de appelrechters zonder tegenstrijdigheid dat de redelijke termijn werd overschreden en dat de au-thentieke vaststelling van die overschrijding volstaat. Het behoort dan aan de be-trokkenen zich tot de bevoegde rechter te wenden teneinde dit passend rechtsher-stel te verkrijgen.

In zoverre missen de onderdelen eveneens feitelijke grondslag.

Tweede grief

12. De grief voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 2 en 65 Strafwetboek: het arrest stelt vast dat er samenloop was tussen het oprich-tingsmisdrijf (telastlegging A) en het instandhoudingsmisdrijf (telastlegging B) ten tijde van de aanhangigmaking van de strafvordering, maar oordeelt dat aan de samenloop een einde gekomen is door de interpretatieve werking van artikel 6.1.2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; het achterliggende motief dat de feiten-rechter ertoe heeft aangezet samenloop in te roepen, te weten "het ter zijde schui-ven van de redelijke rechtsgevolgen bij overschrijding van de redelijke termijn ter beoordeling van de herstelvordering", gesteund op de telastlegging A, die zich meer dan zeventien jaren tevoren heeft voorgedaan, is ontoelaatbaar; het arrest "schendt daardoor niet alleen [artikel 2 Strafwetboek] (beginsel der mildere strafwet) door niet te motiveren in de zin van gebrek aan weergave van de werke-lijke motieven, en dan niet alleen door en om het beginsel der mildere strafwet te omzeilen"; het arrest geeft de indruk niet overtuigd te zijn van de verjaring van de telastlegging A op 27 september 2000; "artikel 65 [Strafwetboek] (werd) ingeroe-pen met een doeleinde vreemd aan dat wetsartikel, wat erop neerkomt dat samen-loop niet werd (vastgesteld) overeenkomstig [artikel 65 Strafwetboek]; wat dus neerkomt op een gebrek aan redengeving en qua tale een schending van de moti-veringsverplichting zoals zij voortvloeit uit [artikel 149 Grondwet]."

13. In zoverre de grief betrekking heeft op het verval van de strafvordering we-gens de verjaring van de telastlegging A op 27 september 2000, komt hij op tegen een beslissing waartegen de cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn. Hij heeft evenmin betrekking op de ontvankelijkheid van die cassatieberoepen.

In zoverre behoeft de grief geen antwoord.

14. Het arrest stelt vast dat:

- de eisers onder meer werden vervolgd om tussen 1 mei 1995 en 28 augustus 1995 een bouwwerk te hebben opgericht zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen (te-lastlegging A);

- de eiseres 2 op 25 januari 2000 werd verhoord;

- bij schrijven van 15 juli 1996 aan de procureur des Konings, de gemachtigde ambtenaar de afbraak vorderde van de in overtreding opgerichte gebouwen, onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 frank per dag vertraging;

- die vordering samen met de strafvordering bij dagvaardingsexploot van 27 sep-tember 2000, voor de rechtszitting van 14 december 2000, overgeschreven op het hypotheekkantoor op 28 november 2000, bij de strafrechter aanhangig werd gemaakt.

Daaruit blijkt dat de verjaring van de strafvordering voor het oprichtingsmisdrijf (telastlegging A) gestuit werd op 25 januari 2000 en aldus minstens liep tot 24 ja-nuari 2005, ongeacht eventuele schorsingsgronden.

Op grond daarvan is de beslissing dat het oprichtingsmisdrijf (telastlegging A) niet verjaard was op het ogenblik dat de herstelvordering bij de strafrechter werd ingeleid, naar recht verantwoord.

In zoverre kan de grief niet worden aangenomen.

15. In zoverre de grief de overwegingen van het arrest met betrekking tot de samenloop tussen het oprichtingsmisdrijf (telastlegging A) en het instandhou-dingsmisdrijf (telastlegging B) bekritiseert, is het bijgevolg gericht tegen een overtollige reden.

In zoverre is de grief niet ontvankelijk.

Derde grief

16. De grief voert schending aan van artikel "6.1.7 [Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening] juncto [artikel] 6.1.41, § 6, lid 1 [Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning] juncto [artikel] 6.1.10, lid 1 [Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]": de verweerder heeft in conclusie verwezen naar een andere oorzaak voor zijn herstel-vordering; hij kon evenwel slechts overgaan tot inleiding voor de rechter van een herstelvordering waarvan de oorzaak was gewijzigd, mits voorafgaand positief advies van de Hoge Raad voor Handhavingsbeleid; op straffe van onontvankelijk-heid van de herstelvordering moet dit positief advies gevoegd worden, tenzij wordt aangetoond dat de aanvraag daartoe vruchteloos is gebleven door het ver-strijken van een vervaltermijn van zestig dagen bij toepassing van artikel 6.1.10, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

17. Artikel 6.1.7 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (dat van toepassing is vanaf 1 september 2009,) bepaalt: "De stedenbouwkundige inspecteur en het col-lege van burgemeester en schepenen kunnen slechts overgaan tot het inleiden van een herstelvordering voor de rechter of tot het ambtshalve uitvoeren van een her-stelmaatregel, wanneer de Hoge Raad daartoe voorafgaandelijk een positief advies heeft verleend."

Artikel 7.7.3 van dezelfde Codex bepaalt: "De rechter kan vóór 16 december 2005 ingediende herstelvorderingen die nog niet door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid of de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werden geadviseerd, alsnog voor advies voorleggen aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid."

18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, te weten de herstelvor-dering van 12 juli 1996 en de appelconclusie (p. 6) van de verweerder die de tekst van deze vordering letterlijk overneemt, blijkt niet dat de verweerder een nieuwe herstelvordering heeft ingeleid op of na 16 december 2005.

Het feit dat de verweerder in zijn appelconclusie bij zijn uiteenzetting van de fei-ten ook melding maakt van een mondeling stakingsbevel dat gegeven werd op het ogenblik van de initiële vaststellingen, maakt zijn herstelvordering niet nieuw.

De herstelvordering die werd ingeleid vóór de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en letterlijk werd hernomen bij appelconclusie van de verweerder, neergelegd ter rechtszitting van het hof van beroep te Brussel van 27 september 2011, diende bijgevolg noch door de verweerder noch door de ap-pelrechters vooraf voor advies aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid te worden voorgelegd.

De grief kan niet worden aangenomen.

Vierde grief

19. De grief voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6.1.11 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening juncto artikel 6.1.6 Vlaamse Codex Ruim-telijke Ordening: het arrest oordeelt dat het facultatief advies van de Hoge Raad voor Handhavingsbeleid mogelijk maar niet opportuun is op grond van informatie die veel kans maakt verouderd te zijn; dit is geen consistente redenering, zeker nu de adviezen van de Hoge Raad voor Handhavingsbeleid volgens nieuwe inzichten en wetgeving slechts twee jaar geldig blijven en er ook een decretaal beoorde-lingskader werd uitgetekend.

20. De grief die een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen het onaantastbaar oordeel in feite van de appelrechters over het nut de herstelvordering eerst nog voor advies voor te leggen aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

De grief is niet ontvankelijk.

Vijfde grief

21. De grief voert miskenning aan van "het algemeen rechtsbeginsel over de re-delijke termijn ter behandeling van een rechtsvordering", het zorgvuldigheidsbe-ginsel en het voorzorgbeginsel: het arrest is impliciet van oordeel dat de redelijke termijn voor de beoordeling van de herstelvordering "te" ruim overschreden is; in zulk geval wordt "het facultatieve advies van de [Hoge Raad voor Handhavings-beleid] (...) verplicht zonder verplichtend te zijn" omdat het te belangrijke infor-matie kan opleveren.

22. De appelrechters stellen vast dat de redelijke termijn is overschreden.

23. Artikel 7.7.3 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt: "De rechter kan vóór 16 december 2005 ingediende herstelvorderingen die nog niet door de Hoge Raad voor het Herstelbeleid of de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werden geadviseerd, alsnog voor advies voorleggen aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid."

24. De vaststelling dat de redelijke termijn voor de beoordeling van de herstel-vordering die werd ingeleid vóór 16 december 2005, is overschreden, verplicht de rechter niet haar voor advies voor te leggen aan de Hoge Raad voor het Handha-vingsbeleid.

De grief faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek

25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 79,86 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Herstelvordering

  • Herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand

  • Straf in de zin van artikel 6.1 E.V.R.M.