- Arrest van 14 januari 2014

14/01/2014 - P.12.1777.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bij zijn verhoor door de politie toegang heeft tot een raadsman, indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt (1). (1) Cass. 17 april 2012, AR P.11.0975.N, AC 2012, nr. 228; Cass. 26 maart 2013, AR P.12.0145.N, AC 2013, nr. 210; Cass. 26 maart 2013, AR P.12.0387.N, AC 2013, nr. 211; Cass. 30 april 2013, AR P.12.1133.N, AC 2013, nr. 269.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1777.N

F J S L,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur van de BBI Gent, met kantoor te 9050 Gent (Lede-berg), Gaston Crommenlaan 6,

burgerlijke partij,

2. GARAGE GEBR. VAN DAMME AUTOMOBIELCENTER nv, met zetel te 9280 Lebbeke, Nieuwstraat 68,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht het arrest van het hof van beroep te Gent, correctio-nele kamer, van 25 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen A.3, A.5 en G in de zaak II.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: hoewel het vaststaat dat de eiser talrijke malen werd verhoord zonder bijstand van een raadsman, oordeelt het arrest ten onrechte dat die miskenning niet hoeft te worden gesanctioneerd omdat de eiser niet van zijn vrijheid werd beroofd, niet bleek dat zijn zwijgrecht werd miskend en omdat hij tussen de verhoren de tijd had om een advocaat te raadplegen; het recht op bij-stand van een raadsman bestaat voor elk verhoor, ook indien de verdachte niet van zijn vrijheid is beroofd; indien ingevolge verhoren zonder bijstand van een advo-caat het recht op een eerlijk proces onherstelbaar is miskend, leidt dit hetzij tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, hetzij tot de uitsluiting als bewijs van de zonder bijstand afgelegde verklaringen; alleen als de miskenning van het recht op een eerlijk proces is geremedieerd doordat de verdachte ingevolge andere waarborgen zijn recht van verdediging kon uitoefenen, mogen de zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen worden gebruikt, maar mag de schul-digverklaring van de verdachte niet op determinerende wijze erop worden ge-steund; de door het arrest aangehaalde omstandigheden volstaan niet om de mis-kenning van eisers rechten te remediëren; minstens had de eiser dienen gewezen te worden op zijn zwijgrecht, wat het arrest echter niet vaststelt; het arrest houdt dan ook ten onrechte rekening met verhoren die met miskenning van het recht op bijstand van een raadsman zijn afgelegd en het steunt ten onrechte de beslissing over eisers schuld op determinerende wijze op dergelijke verhoren.

3. Het door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk pro-ces, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bij zijn verhoor door de politie toegang heeft tot een raadsman, indien hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt.

In zoverre het middel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat een verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman bij elk verhoor door de politie, faalt het naar recht.

4. Het arrest (p. 32, ro 2.4) stelt vast dat:

- de eiser tijdens het strafonderzoek nooit van zijn vrijheid werd beroofd;

- nergens uit blijkt dat eisers zwijgrecht werd miskend;

- de eiser tussen de onderscheiden verhoren ruimschoots de tijd had om een raadsman te consulteren;

- de eiser ook een raadsman blijkt te hebben geconsulteerd daar hij op 5 februari 2008 verklaarde dat hij met zijn raadsman een dossier aan het samenstellen was met het oog op een klacht tegen de medebeklaagde.

Op die gronden kon het arrest wettig eisers verweer met betrekking tot de afwe-zigheid van bijstand van een raadsman verwerpen, oordelen dat zijn recht van verdediging niet was miskend en eisers schuldigverklaring laten steunen op zonder bijstand van een raadsman afgelegde verklaringen. Die beslissing is naar recht ver-antwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van een beklaagde op een behande-ling van zijn zaak binnen een redelijke termijn: het arrest bepaalt het aanvangs-tijdstip voor de berekening van de redelijke termijn op de datum van de kennisge-ving door de fiscale inspecteur aan het openbaar ministerie; het houdt aldus op geen enkele wijze rekening met de periode van het fiscaal onderzoek tussen de feiten en die kennisgeving.

6. De door artikel 6.1 EVRM bedoelde redelijke termijn waarbinnen over de gegrondheid van een strafvervolging moet zijn beslist, neemt een aanvang op het ogenblik waarop de betrokkene is beschuldigd van de strafbare feiten waarvoor de strafvervolging is ingesteld, dit is wanneer hij in verdenking is gesteld of wanneer hij ingevolge enige andere daad van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

De in het kader van een administratief fiscaal onderzoek verrichte onderzoeks-handelingen stellen de betrokken belastingplichtige niet in verdenking en zijn ook geen daden van het opsporings- of het gerechtelijk onderzoek waardoor hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Het arrest (p. 41, ro 4.1) kon wettig het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn situeren op het ogenblik van de klacht door de bevoegde inspecteur van de belastingadministratie aan het openbaar ministerie. Die beslis-sing is naar recht verantwoord.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van een beklaagde op een be-handeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn: het arrest neemt ten onrechte de complexiteit van de zaak als determinerend criterium in aanmerking ter beoor-deling van de redelijke termijn-vereiste; die complexiteit kan niet het tijdsverloop van anderhalf jaar tussen het vonnis op verzet en de dagvaarding in hoger beroep verantwoorden; het complex karakter van de zaak I kan niet mede worden afge-leid uit het bestaan van de feiten van de zaak II; die zaken werden immers afzon-derlijk onderzocht en gedagvaard en de appelrechters nemen ook geen eenheid van opzet aan tussen de feiten van beide zaken.

9. Het staat aan de rechter ten gronde in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de be-klaagde en de houding van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden.

10. De complexiteit van een te beoordelen zaak kan een tijdsverloop tussen het in eerste aanleg gewezen eindvonnis en de dagvaarding in graad van hoger beroep verantwoorden.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Indien in het belang van een goede rechtsbedeling twee strafzaken samen worden behandeld en gevonnist, vermag de rechter bij de beoordeling van de re-delijke termijn-vereiste met betrekking tot de beide zaken, rekening te houden met de complexiteit van elke zaak afzonderlijk en het onderling verband tussen beide zaken, ook als hij oordeelt dat er tussen de feiten van beide zaken geen eenheid van opzet kan worden aangenomen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

12. Het arrest stelt vast dat:

- na de klacht van de bevoegde inspecteur van 3 oktober 2005 het onderzoek door het openbaar ministerie werd benaarstigd zonder dat het onderzoek on-aanvaardbaar lang bleef aanslepen;

- het onderzoek betrekking had op diverse vennootschappen en vrij complex was, waarbij onder meer een omvangrijk bankonderzoek diende te worden ge-voerd;

- het onderzoek zich in de loop van 2007 nog verder uitbreidde ingevolge ver-mogens- en faillissementsmisdrijven waarvan de meeste pas in de loop van 2007 werden gepleegd;

- de beklaagden in juli 2009 voor de correctionele rechtbank werden gedagvaard, waarbij minder dan een jaar later een eindvonnis werd gewezen (verstekvonnis van 10 mei 2010 en vonnis op verzet van 28 juni 2010);

- het ongeveer anderhalf jaar duurde om te verschijnen voor het hof van beroep op de rechtszitting van 13 maart 2012;

- de raadsman van de eiser voor het hof van beroep op de rechtszitting van 13 maart 2012 zelf nog om een uitstel verzocht.

Op die gronden kon het arrest oordelen dat er van een overschrijding van de rede-lijke termijn geen sprake is, ook niet ingevolge het stilzitten tussen het eindvonnis in eerste aanleg en de dagvaarding in hoger beroep.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en ar-tikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van een beklaagde op een behande-ling van zijn zaak binnen een redelijke termijn en het recht van verdediging: het arrest weigert ten onrechte de eiser vrij te spreken of hem geen straf op te leggen niettegenstaande de overschrijding van de redelijke termijn en de miskenning van zijn recht van verdediging ingevolge het verlies van cruciale stukken; het arrest neemt aan dat de curatoren en de vereffenaars van de verschillende betrokken vennootschappen tijdens het onderzoek bepaalde boekhoudkundige en andere do-cumenten niet meer konden voorleggen en bepaalde van die stukken zijn verloren gegaan; het kon niet oordelen dat eisers recht van verdediging niet is aangetast doordat hij als spilfiguur in de betrokken vennootschappen beter dan wie ook de boekhoudkundige en financiële situatie van de vennootschappen kende.

14. Het arrest oordeelt dat de redelijke termijn-vereiste niet is miskend. Dit met het eerste en tweede onderdeel van dit middel tevergeefs bekritiseerde oordeel schraagt de met het onderdeel aangevochten beslissing.

Het onderdeel dat is gericht tegen een overtollig motief, is niet ontvankelijk.

Derde middel

15. Het middel voert schending aan van artikel 37 Gerechtelijk Wetboek, vóór de opheffing door artikel 2 van de wet van 6 april 2010 tot wijziging van diverse bepalingen wat de betekening en de kennisgeving bij gerechtsbrief betreft (hierna artikel 37 (oud) Gerechtelijk Wetboek), evenals miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de regel dat de bewijslast in strafzaken op het openbaar ministerie rust: het arrest verwerpt ten onrechte eisers aanvoering dat de betekening van de dagvaarding in de zaak II volgens artikel 37 (oud) Gerechtelijk Wetboek onregelmatig of nietig is; de verplichting voor de po-litiecommissaris om het afschrift ter hand te stellen strekt ertoe het recht van ver-dediging te vrijwaren; de niet-naleving van die verplichting leidt tot de nietigheid van de dagvaarding; met de reden dat de eiser gelet op het op zijn adres achterge-laten bericht in de mogelijkheid was om het exploot af te halen, holt het arrest de op de politiecommissaris rustende verplichting uit om zelf alle redelijke stappen te ondernemen om het exploot ter hand te stellen; met de reden dat nergens uit blijkt dat de politie niet de passende maatregelen zou hebben genomen om de eiser op de hoogte te brengen van de betekening miskent het arrest de op het openbaar mi-nisterie rustende last te bewijzen dat de politie wel de nodige inspanningen heeft geleverd.

16. Volgens artikel 37, § 1 (oud), Gerechtelijk Wetboek moet de gerechtsdeur-waarder, wanneer het exploot in strafzaken niet kan worden betekend overeen-komstig artikel 35, een afschrift van het exploot afgeven op het politiecommissa-riaat, met achterlating van een bericht op de woonplaats van de bestemmeling.

Volgens artikel 37, § 2 (oud), Gerechtelijk Wetboek dient in dat geval de politie-commissaris de passende maatregelen te nemen om het afschrift van het exploot ten spoedigste te doen toekomen aan de belanghebbende en om het openbaar mi-nisterie te berichten hetzij van de datum waarop het afschrift van het exploot aan de bestemmeling werd ter hand gesteld hetzij van de reden waarom dit niet kon gebeuren.

17. Een overeenkomstig artikel 37, § 1 (oud), Gerechtelijk Wetboek door de ge-rechtsdeurwaarder verrichte betekening, waarbij een afschrift van het exploot wordt afgeven op het politiecommissariaat, met achterlating van een bericht op de woonplaats van de bestemmeling, is een regelmatige betekening. De bestemmeling krijgt ingevolge het achtergelaten bericht kennis van de aanbieding van het exploot en de plaats waar hij het kan afhalen. Hij heeft derhalve de mogelijkheid om het daar afgegeven afschrift van het exploot af te halen.

Uit de enkele omstandigheid dat de politie geen inspanningen zou hebben verricht om het afschrift van het exploot te overhandigen aan de bestemmeling, kan geen miskenning van zijn recht van verdediging worden afgeleid.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing en op de strafvordering

18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 212,91 euro

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Recht op bijstand van een advocaat

  • Interpretatie Europees Hof voor de Rechten van de Mens

  • Draagwijdte

  • Grens

  • Voorwaarde

  • Toepassing