- Arrest van 14 januari 2014

14/01/2014 - P.13.1415.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering uitspraak doet, kan een door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid aangetaste handeling van het onderzoek of van bewijsverkrijging nietig verklaren, alsook de stukken die daar noodzakelijk uit voortvloeien en de verwijdering van al die stukken uit het dossier en de neerlegging ervan ter griffie bevelen, maar de rechtsmacht die de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van die bepaling kan uitoefenen, strekt zich niet uit tot de vordering van het openbaar ministerie, de beslissingen van de onderzoeksgerechten of de conclusies van partijen, ook niet wanneer die stukken melding maken van gegevens uit de nietig verklaarde handelingen; een goede rechtsbedeling vereist immers dat het openbaar ministerie in zijn vorderingen, de partijen in hun conclusies en het onderzoeksgerecht in zijn beslissing de stukken waarvan de nietigheid wordt gevorderd kan vermelden, citeren en bespreken, zonder dat de naderhand uit te spreken nietigheid van die stukken leidt tot de nietigheid van die vorderingen, conclusies en beslissingen (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1415.N

ALERIS ALUMINIUM DUFFEL bvba, met zetel te 2570 Duffel, Adolf Stocletlaan 87,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. E T,

burgerlijke partij,

2. K V E,

burgerlijke partij,

3. D V E,

burgerlijke partij,

4. A V E,

burgerlijke partij,

5. E V E,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 juni 2013.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft op 5 december 2013 schrifte-lijke conclusie neergelegd ter griffie.

Op de rechtszitting van 14 januari 2014 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde eerste advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 131, § 1, en 235bis, § 6, Wet-boek van Strafvordering: spijts de partiële nietigverklaring van de opdracht van de onderzoeksrechter aan de deskundige en van het deskundigenverslag zelf, gaat het arrest ten onrechte niet in op het verzoek van de eiseres om de navolgende dos-sierstukken die door de vastgestelde onregelmatigheid zijn aangetast, eveneens nietig te verklaren, waaronder de vorderingen in hoger beroep van het openbaar ministerie en de conclusies van de eiseres waarin de nietig verklaarde passages van de opdracht en het deskundigenverslag zijn opgenomen; artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering of een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, als daartoe grond bestaat de nie-tigheid uitspreekt van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging en dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie; de verwijzing naar "een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging" impliceert dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet alleen de nietigheid uitspreekt van de concrete handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging waarop de onregelmatigheid, het verzuim of de nietigheid betrekking heeft, maar eveneens van de daaropvol-gende rechtspleging waarvan wordt vastgesteld dat die noodzakelijk voortvloeit uit of onlosmakelijk verstrengeld is met de nietige handeling; dat is de wettelijke neerslag van het principe dat onrechtmatig verkregen bewijs noch rechtstreeks noch onrechtstreeks door de rechter in aanmerking mag worden genomen; artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering bepaalt niet dat de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet zou uitstrekken tot door partijen ter gelegenheid van de rechtspleging neergelegde processtukken zoals de vordering van het openbaar ministerie en door partijen neergelegde conclusies, indien die noodzakelijk voortvloeien uit of onlosmakelijk verbonden zijn met de nietig ver-klaarde handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging; het arrest dat door overname van de redengeving van de vordering van de procureur-generaal oord-eelt dat artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering niet inhoudt dat de door de wet voorgeschreven stukken van de procedure tot zuivering van nietigheden en met name de vordering en de conclusies van het openbaar ministerie en de partijen eveneens uit het dossier dienen te worden verwijderd en neergelegd ter griffie en aldus deze stukken uit het toepassingsgebied van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering sluit, beperkt op onwettige wijze zijn bevoegdheid.

2. Er bestaat geen rechtsbeginsel dat de rechter nooit onrechtmatig verkregen bewijs in aanmerking mag nemen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Artikel 235bis, § 6, eerste zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Wan-neer de kamer van inbeschuldigingstelling een onregelmatigheid, verzuim of nie-tigheid als bedoeld in artikel 131, § 1, of een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering vaststelt, spreekt zij, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het ge-heel van de erop volgende rechtspleging."

Artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de nietigheid uit van de handeling en een deel of het geheel van de erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt die een invloed heeft op:

1° een handeling van het onderzoek;

2° de bewijsverkrijging."

4. De kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering uitspraak doet, kan een door een onregelmatig-heid, verzuim of nietigheid aangetaste handeling van het onderzoek of van be-wijsverkrijging nietig verklaren, alsook de stukken die daar noodzakelijk uit voortvloeien en de verwijdering van al die stukken uit het dossier en de neerleg-ging ervan ter griffie bevelen.

De rechtsmacht die de kamer van inbeschuldigingstelling op grond van die bepa-ling kan uitoefenen, strekt zich evenwel niet uit tot de vordering van het openbaar ministerie, de beslissingen van de onderzoeksgerechten of de conclusies van par-tijen, ook niet wanneer die stukken melding maken van gegevens uit de nietig verklaarde handelingen. Een goede rechtsbedeling vereist dat het openbaar minis-terie in zijn vorderingen, de partijen in hun conclusies en het onderzoeksgerecht in zijn beslissing de stukken waarvan de nietigheid wordt gevorderd kan vermelden, citeren en bespreken, zonder dat de naderhand uit te spreken nietigheid van die stukken leidt tot de nietigheid van die vorderingen, conclusies en beslissingen. Anders oordelen zou de toepassing van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvor-dering onmogelijk maken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest (ro 3.7.5, vierde en vijfde alinea, p. 10) oordeelt dat:

- de eigen conclusies van de eiseres en de vorderingen van het openbaar ministe-rie in hoger beroep niet door de begane onregelmatigheid zijn aangetast zodat zij niet uit het dossier dienen te worden geweerd;

- het gegeven dat in deze stukken de nietige passages worden aangehaald, niet ertoe leidt dat deze stukken zelf zijn aangetast.

Aldus verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 131, § 1, en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt niet wettig dat de omstandigheid dat de nietig verklaarde passages uit de opdracht aan de deskundige en het des-kundigenverslag, aangehaald in de eigen conclusies van de eiseres en de vorderin-gen van het openbaar ministerie in hoger beroep, niet ertoe leidt dat deze stukken eveneens door nietigheid zijn aangetast; artikel 235bis, § 6, Wetboek van Straf-vordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij een onre-gelmatigheid, verzuim of nietigheid vaststelt als bedoeld in artikel 131, § 1, Wet-boek van Strafvordering of een grond van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, als daartoe grond bestaat de nietigheid uitspreekt van de handeling die erdoor is aangetast en van een deel of het geheel van de volgende rechtsple-ging en dat de nietig verklaarde stukken uit het dossier worden verwijderd en neergelegd ter griffie; de verwijzing naar "een deel of het geheel van de erop vol-gende rechtspleging" impliceert dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet al-leen de nietigheid uitspreekt van de concrete handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging waarop de onregelmatigheid, het verzuim of de nietigheid be-trekking heeft, maar eveneens van de daaropvolgende rechtspleging waarvan wordt vastgesteld dat die noodzakelijk voortvloeit of onlosmakelijk verstrengeld is met de nietige handeling; dat is de wettelijke neerslag van het principe dat on-rechtmatig verkregen bewijs noch rechtstreeks noch onrechtstreeks door de rechter in aanmerking mag worden genomen; het staat aan de kamer van inbeschuldi-gingstelling om in feite te oordelen of en in welke mate de navolgende rechtsple-ging al dan niet noodzakelijk voortvloeit uit een door nietigheid aangetaste hande-ling van onderzoek of bewijsverkrijging en om die reden eveneens moet worden nietig verklaard; het Hof kan niettemin nagaan of de kamer van inbeschuldiging-stelling vanuit de onaantastbaar vastgestelde feiten op wettige wijze kon vaststel-len dat het geheel of een deel van de navolgende rechtspleging al dat niet noodza-kelijk voortvloeit uit de nietige handeling van onderzoek of bewijsverkrijging; eens de kamer van inbeschuldigingstelling heeft vastgesteld dat in de conclusies van de eiseres en in de vorderingen van het openbaar ministerie in hoger beroep nietige passages uit de opdracht aan de deskundige en uit het deskundigenverslag zijn aangehaald, kan zij onmogelijk oordelen dat deze nietigheid zich ook niet uit-strekt tot die conclusies en vorderingen; de vaststelling dat nietige passages in la-tere stukken worden aangehaald, impliceert immers noodzakelijk dat deze stuk-ken, minstens gedeeltelijk, uit de nietig verklaarde onderzoekshandelingen voort-vloeien.

7. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het eerste middel aangevoerde onwettigheden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet het in de appelconclusie van de eiseres aangevoerde verweer dat de nietigheid van de onregelmatige opdracht aan de deskundige en van het navol-gend deskundigenverslag zich eveneens uitstrekt tot de conclusies van de eiseres genomen voor de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling en tot de vordering van de procureur-generaal; zij voerde in het bijzonder aan dat deze stukken op onlosmakelijke wijze steunen op het nietige deskundigenverslag aangezien daarin de nietige passages werden besproken en geciteerd, zodat zij op grond van artikel 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering ook dienden nietig te worden verklaard; het arrest stelt enkel vast dat het gegeven dat in deze stukken de nietige passages uit de deskundigenopdracht en het deskundigenverslag worden aangehaald, niet ertoe leidt dat deze stukken zelf door een nietigheid zijn aangetast, maar het gaat evenwel niet in op de aanvoering dat deze stukken door nietigheid zijn aangetast omdat zij op onlosmakelijke wijze steunen op het nietige deskundigenverslag.

9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldi-gingstelling die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.

10. Met de redenen die het arrest (ro 3.7.5, vierde en vijfde alinea, p. 10) bevat, beantwoordt het wel degelijk de in het onderdeel vermelde aanvoering.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 166,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Handeling aangetast door een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Bevoegdheid tot nietigverklaring

  • Rechtsmacht

  • Reikwijdte

  • Grenzen

  • Conclusies van partijen, vorderingen van het openbaar ministerie en beslissingen van het onderzoeksgerecht