- Arrest van 14 januari 2014

14/01/2014 - P.13.1332.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de omstandigheid alleen dat de inventaris van het strafdossier onvolledig of gebrekkig zou zijn, kan geen miskenning van het recht van verdediging en ook geen schending van artikel 6 EVRM worden afgeleid wanneer de beklaagde kennis heeft gekregen van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn verweer en effectief tegenspraak heeft kunnen voeren over de gegevens waarop de beslissing steunt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1332.N

J E C,

beklaagde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 26 juni 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht van verdediging en het eerlijk karakter van het proces: het arrest veroordeelt de eiser hoewel hij had opgeworpen dat hijzelf en zijn advocaat tal-rijke stukken van het dossier niet konden begrijpen omdat zij niet in het Neder-lands, de taal van de rechtspleging, waren opgesteld; de appelrechters lieten de stukken niet vertalen, weerden ze ook niet uit het debat en boden ook geen kans om beroep te doen op een advocaat die de andere taal wel beheerst; het arrest steunt in belangrijke mate op verklaringen van R H zonder dat er tijdens het debat voor was gezorgd dat de verdediging de inhoud van deze anderstalige rechtsple-gingsstukken op een of andere wijze kon begrijpen.

2. Een Nederlandse vertaling van in het Frans gestelde rechtsplegingsstukken hoeft alleen dan bij het dossier te worden gevoegd, als de beklaagde, die alleen Nederlands verstaat, daarom heeft verzocht, overeenkomstig artikel 22 Taalwet Gerechtszaken.

3. Noch het eerlijk karakter van het proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, noch het recht van verdediging vereisen dat een beklaagde en zijn raads-man zouden kunnen beschikken over een schriftelijke vertaling van alle stukken van het strafdossier. De beklaagde heeft wel recht op een vertaling van de stukken die nodig zijn voor de effectieve uitoefening van het recht van verdediging.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

4. De rechter oordeelt onaantastbaar of aan die vereiste is voldaan en hij kan, in voorkomend geval, rekening houdend met alle ter zake relevante omstandighe-den, ter vrijwaring van het recht van verdediging, onder andere voorwaarden als bepaald in artikel 22 Taalwet Gerechtszaken, de vertaling van stukken in een an-dere landstaal bevelen.

5. De appelrechters overwegen dat :

- uit geen enkel proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat de eerste rechter besliste dat het openbaar ministerie ervoor diende te zorgen dat alle Franstalige stukken vertaald werden naar de taal van de rechtspleging, met name het Ne-derlands, noch dat hij enige uitspraak deed over de noodzaak bepaalde stukken van het strafdossier te laten vertalen;

- de eiser eerder in de strafprocedure werd bijgestaan door een tolk omdat hij de Nederlandse taal niet machtig was, zodat hij niet gerechtigd is een vertaling van de stukken te vorderen overeenkomstig artikel 22 Taalwet Gerechtszaken;

- de beweerde gebrekkige kennis van de Franse taal door de advocaat van de ei-ser te dezen niet relevant is omdat hij beschikt over de vrije keuze van een ad-vocaat en desgevallend bijkomend beroep kan doen op een advocaat met vol-doende kennis van het Frans.

6. Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing dat het recht van verdediging van de eiser niet is miskend, naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 163 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene motiverings-plicht: het arrest laat na te antwoorden op eisers verweer over de weerslag van het gebrek aan Nederlandse vertaling op het recht van verdediging doordat hij zelf geen kennis kon nemen van de stukken.

8. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de rechts-pleging voor het hof van beroep.

In zoverre faalt het middel naar recht.

9. Met het onaantastbaar oordeel dat de eiser de Nederlandse taal niet machtig is en overeenkomstig artikel 22 Taalwet Gerechtszaken niet gerechtigd is een ver-taling van de stukken te vorderen, beantwoordt het arrest (ro 2.1) eisers verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Derde middel

10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 423 Wetboek van Strafvordering en artikel 124 Tarief Strafzaken: het arrest oordeelt dat het niet ordentelijk of gebrekkig inventariseren van het dossier eisers recht van verdedi-ging niet miskent omdat hij toegang had tot het strafdossier en zich van de inhoud ervan kon vergewissen; aldus miskent het arrest het recht op tegenspraak vermits niet meer na te gaan is welke stukken aan tegenspraak werden onderworpen en welke stukken konden worden betwist, terwijl het duidelijk is dat deze een grote rol hebben gespeeld bij de beoordeling van eisers verweer dat hij gebrekkig was geïnformeerd over de hem ten laste gelegde feiten; in het bijzonder is dit het geval voor de verwijzingen in het arrest naar een internationaal aanhoudingsmandaat van 24 februari 2006, eisers uitlevering door Venezuela, en de betekening in de gevangenis aan de eiser van het verstekvonnis.

11. Uit de omstandigheid alleen dat de inventaris van het strafdossier onvolledig of gebrekkig zou zijn kan geen miskenning van het recht van verdediging en ook geen schending van artikel 6 EVRM worden afgeleid wanneer de beklaagde kennis heeft gekregen van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor zijn verweer en effectief tegenspraak heeft kunnen voeren over de gegevens waarop de beslissing steunt.

In zoverre faalt het middel naar recht.

12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de in het middel bedoelde stukken deel uitmaken van het dossier en vermeld werden in de inventaris.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Vierde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 163 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wet-boek van Strafvordering: het arrest antwoordt niet op eisers verweer over de over-schrijding van de redelijke termijn door de duur van het gerechtelijk onderzoek; de vaststelling van een abnormaal lang verloop van het gerechtelijk onderzoek zou een bijkomende gunstige invloed hebben gehad op de strafmaat.

28. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de rechtsple-ging voor het hof van beroep.

In zoverre faalt het middel naar recht.

14. Het arrest oordeelt dat de redelijke termijn werd overschreden voor een pe-riode tussen 21 november 2008 en 22 januari 2010.

15. Aldus geeft het arrest te kennen dat de behandeling van de zaak daarbuiten geen vertraging opliep die aanleiding gaf tot de overschrijding van de redelijke termijn en beantwoordt het eisers verweer.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Onmiddellijke aanhouding

17. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep tegen de beslissing op de strafvordering, heeft deze beslissing kracht van gewijsde. Het cassatieberoep ingesteld tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhou-ding wordt bevolen, heeft derhalve geen bestaansreden meer.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 104,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Recht op een eerlijk proces

  • Strafzaken

  • Onvolledige of gebrekkige inventaris van het strafdossier

  • Miskenning