- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - F.12.0183.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 217 van het Communautair Douanewetboek bevat geen enkele verplichting om als drager van de boeking van de douaneschuld de boekhouding te kiezen, zodat een papieren of elektronische drager volstaat, mits het exacte bedrag aan douanerechten daarin wordt opgenomen; bijgevolg kan de inschrijving op de fiche 1552B die in de eerste plaats bedoeld is voor de opname van de rechten in de boekhouding van de eigen middelen van de Gemeenschap, een boeking zijn in de zin van voormeld artikel (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0183.N

GERLACH & C° nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Haven 200, Schouwkensstraat 7,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijke directeur der Douane en Accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 19 september 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 221.1 Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, hierna Communautair Douanewetboek, dient het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, bevat artikel 221.1 Communautair Douanewetboek een loutere procedureregel. Het Hof van Justitie oordeelt dat alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 Communautair Douanewetboek van toepassing zijn op de na 1 januari 1994 aan-gevatte invordering van een douaneschuld die vóór deze datum is ontstaan.

3. De bepalingen die de wijze van boeking van de rechten regelen, zijn bepalingen van materieel recht, waarop de bepalingen van toepassing zijn die op het ogenblik van het ontstaan van de douaneschuld gelden.

Het arrest, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, stelt vast dat de kwestieuze douaneschuld dateert van na 1 juli 1990 en van vóór 1 januari 1994.

4. Het onderdeel dat met betrekking tot de wijze van boeking van de rechten ervan uitgaat dat het op 1 januari 1994 in werking getreden artikel 217 Communautair Doua-newetboek van toepassing is op een voordien ontstane douaneschuld, faalt in zoverre naar recht.

5. Voor het overige bepaalt artikel 2.1, eerste lid, Verordening (EEG) 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoof-de van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of uitvoer, hierna Verordening 1854/89, dat elk bedrag aan rechten bij in- of uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, genoemd "bedrag aan rechten", door de douaneautoriteit moet worden berekend zodra de nodige gegevens beschikbaar zijn, en door de genoemde autoriteit moet worden geboekt.

Volgens artikel 1.2.c) Verordening 1854/89 is de boeking de inschrijving in de boeken of met gebruikmaking van enige andere drager door de douaneautoriteiten van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat overeenkomt met een douaneschuld.

Artikel 2.2, eerste lid, Verordening 1854/89 bepaalt dat de lidstaten nadere regels vast-stellen voor de praktijk van de boeking van de bedragen aan rechten.

Artikel 26, tweede en derde lid, Verordening 1854/89 bepaalt dat deze verordening van toepassing is met ingang van 1 juli 1990 en op de bedragen aan rechten die met ingang van die datum worden geboekt.

6. De bepalingen van Verordening 1854/89 betreffende de omschrijving van het be-grip "boeking" zijn in wezen overgenomen in het Communautair Douanewetboek en met name in artikel 217.

Het Hof van Justitie oordeelde bij arrest van 8 november 2012, KGH Belgium, C-351/11 betreffende artikel 217 Communautair Douanewetboek dat het geen nadere voorschriften voor de "boeking" in de zin van deze bepaling en dus ook geen technische of vormelijke minimumvereisten vaststelt. Deze boeking moet dus zodanig worden verricht dat de be-voegde douaneautoriteiten het exacte bedrag aan rechten registreren in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienstdoet, opdat met name de boeking van de betrokken bedragen met zekerheid kan worden vastgesteld, ook ten aanzien van de schul-denaar. De lidstaten zijn bijgevolg niet verplicht om de nadere voorschriften voor de boe-king van de douanerechten in hun nationale wetgeving vast te stellen, interne bepalingen van de douaneadministratie volstaan. Artikel 217.2 Communautair Douanewetboek bevat geen enkele verplichting om als drager de boekhouding te kiezen. Een papieren of elek-tronische drager volstaat, mits het exacte bedrag aan douanerechten daarin wordt opge-nomen.

7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de inschrijving op de fiche 1552B die in de eer-ste plaats bedoeld is voor de opname van de rechten in de boekhouding van de eigen middelen van de Gemeenschap, geen boeking in de zin van artikel 217.1 Communautair Douanewetboek kan zijn, faalt naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel is volledig afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aange-voerde wetsschending.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Prejudiciële vraag

9. Het Hof acht zich voor de oplossing van het geschil voldoende ingelicht door de vermelde rechtspraak van het Hof van Justitie, waardoor een prejudiciële vraag overbodig is.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 748,99 euro en voor de verweerder op 109,05 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

F. Van Volsem G. Jocqué B. Deconinck

Vrije woorden

  • Douaneschuld

  • Invordering

  • Vereisten

  • Boeking van de douaneschuld