- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - F.12.0044.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

In het kader van de aftrekregeling van de BTW, kan het recht op aftrek ook geweigerd worden als de BTW-plichtige te goeder trouw is nu de desbetreffende bepalingen geen onderscheid maken naargelang de BTW-plichtige te goeder trouw is of niet (1). (1) Zie concl. O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0044.N

L V,

eiser,

met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie te Leuven, met kantoor te 3050 Oud-Heverlee, Waversebaan 134A,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de rekenplichtige van het btw-ontvangkantoor Tienen, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 september 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 25 juni 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 3, § 1, van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt:

"Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige:

1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies, van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde."

Artikel 5 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 over de voldoening van de be-lasting over de toegevoegde waarde, zoals hier van toepassing, bepaalt dat de hiervoor bepaalde factuur de datum van levering van het goed moet vermelden.

2. Voormelde bepalingen maken geen onderscheid naargelang de btw-plichtige te goeder trouw is of niet.

3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het recht op aftrek alleen kan gewei-gerd worden als de btw-plichtige te kwader trouw is, faalt het naar recht.

4. In zijn arrest C-123 en 330/87 van 14 juli 1988, Jeunehomme en EGI, heeft het Hof van Justitie beslist dat de artikelen 18, lid 1, sub a, en 22, lid 3, sub a en b, van de Zesde Richtlijn (77/388) van de Raad van 17 mei 1977 de lidstaten toe-staan om de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk te stellen van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen die nodig zijn om de in-ning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Die vermeldingen mogen niet zo talrijk of technisch zijn dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Het komt aan de nationale rechter toe om te oorde-len of de door de lidstaten opgelegde vermeldingen aan de genoemde criteria vol-doen.

5. Door te oordelen dat de vermelding van de datum van levering van de goe-deren nodig is om de inning van de belasting en de controle daarop door de admi-nistratie mogelijk te maken en dat de verweerder bijgevolg terecht het recht op af-trek met betrekking tot de facturen waarop de leveringsdatum niet is vermeld heeft verworpen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert in zijn diverse onderdelen grieven aan, maar wijst voor elk van de grieven afzonderlijk niet aan welke wettelijke bepalingen geschonden zou-den zijn.

Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Derde middel

Eerste onderdeel

7. Het middel voert diverse grieven aan, maar wijst voor elk van de grieven af-zonderlijk niet aan welke wettelijke bepalingen geschonden zouden zijn.

Het onderdeel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert uitsluitend schending aan van artikel 2 Strafwetboek.

Die bepaling is niet van toepassing op administratieve sancties die geen straffen zijn in de zin van het Strafwetboek.

Het onderdeel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 210,41 euro en voor de verweerder op 342,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Recht op aftrek