- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - F.12.0040.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar van de douaneschuld moet het uitvaardigen van een dwangbevel voorafgaan zodat het in strijd hiermede uitgevaardigd dwangbevel niet als basis kan dienen voor de invordering van de douaneschuld.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0040.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, voor wie optreedt de gewestelijk direc-teur der Douane en Accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Kattendijkdok - Oostkaai 22,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

GERLACH & C° nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Schouwkensstraat 7, Haven 200,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 mei 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De appelrechters stellen vast dat het bedrag van de rechten voortvloeiende uit de douaneschuld op 12 december 1995 werd opgenomen in de afzonderlijke boekhouding van de gewestelijke directie Hasselt en werd ingeschreven op de fiche 1552B.

Zij oordelen dat de fiche 1552B kan beschouwd worden als vermoeden van boe-king naar Belgisch recht en dat, aangezien dit vermoeden niet wordt weerlegd, moet vastgesteld worden dat het bedrag geboekt werd.

2. Gelet op dit oordeel vertoonde het ondergeschikt verweer van de eiser dat de opname van de douaneschuld in een dwangbevel kan gelden als boeking, geen belang meer zodat hierop niet meer diende te worden geantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede en derde onderdeel

3. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het ondergeschikt ver-weer van de eiser dat de opname van de douaneschuld in een dwangbevel kan gelden als boeking van de douaneschuld, geen belang heeft.

De onderdelen in zoverre gesteund op dit ondergeschikt verweer zijn niet ontvan-kelijk.

4. Krachtens artikel 314, § 1, van de algemene wet douane en accijnzen, oefent de met de invordering belaste ontvanger het recht van dadelijke uitwinning uit door middel van een door hem uitgevaardigd dwangbevel.

Krachtens artikel 221.1 van de Verordening 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair Douanewetboek, dient het bedrag van de rech-ten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schul-denaar te worden medegedeeld.

5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C-201/04, geoordeeld dat de mededeling aan de schul-denaar van het verschuldigd bedrag aan rechten beoogt hem passende informatie te waarborgen en hem in staat te stellen zijn rechten met kennis van zaken te ver-dedigen.

Bij de in huidige zaak gewezen beschikking van 9 juli 2008, C-477/07, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de mededeling van het be-drag aan in te vorderen rechten dient te worden voorafgegaan door de boeking van dit bedrag door de douaneautoriteiten van de lidstaat, en dat dit bedrag - wanneer het niet rechtmatig werd medegedeeld conform genoemde bepaling - door deze autoriteiten niet kan worden ingevorderd.

De douaneautoriteiten van de lidstaat kunnen dit bedrag evenwel opnieuw meede-len met inachtneming van de in genoemde bepaling gestelde voorwaarden, alsook van de verjaringsregels die golden op het tijdstip waarop de douaneschuld is ont-staan.

Bij arrest van 18 december 2008, Sopropé, C 349/07, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat aan de adressant van een bezwarend besluit de gelegenheid moet worden gegeven om zijn opmerkingen kenbaar te maken voordat dit besluit wordt genomen.

6. Hieruit volgt kennelijk dat de mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar het uitvaardigen van een dwangbevel moet voorafgaan en dat het in strijd hiermede uitgevaardigd dwangbevel niet als basis kan dienen voor de in-vordering van de douaneschuld.

Hieruit volgt tevens kennelijk dat de kennisgeving van het dwangbevel niet kan worden aangezien als de mededeling op de daartoe geëigende wijze van het be-drag van de rechten aan de schuldenaar, althans niet in het kader van de invorde-ring krachtens dit dwangbevel en de daarop geënte gerechtelijke procedure.

7. In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat de kennisgeving van het dwang-bevel kan gelden als de mededeling van het bedrag van de rechten op de daartoe geëigende wijze in het kader van de invordering krachtens dit dwangbevel en de daarop geënte gerechtelijke procedure, falen ze naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 148,07 euro en voor de verweerster op 288,36 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche B. Wylleman F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Invordering

  • Douaneschuld

  • Dwangbevel

  • Geldigheidsvoorwaarden

  • Tijdstip van uitvaardiging