- Arrest van 17 januari 2014

17/01/2014 - C.12.0604.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bestuurders die niet ervoor gezorgd hebben het minimumkapitaal van een naamloze vennootschap vóór 1 juli 2001 aan te passen zijn hoofdelijk aansprakelijk vanaf dat tijdstip en herhalen hun schuldig gedrag elke dag waarop zij nalaten zich naar de wettelijke verplichting te schikken (1). (1) Zie Wet 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, Pasin. 1995, p. 1705 e.v.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0604.F

1. S. A.,

2. L. S.,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

F. D. V., advocaat, q.q. curator van het faillissement van Société d'importation de matériel industrielsa,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten aanzien van

J. A.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 april 2012.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht.

Procureur-generaal Jean-François Leclercq heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, voorheen artikel 194, vierde streepje, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen;

- artikel 111, § 2 en 3, van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.

Aangevochten beslissingen

De eisers en de heer A. concludeerden voor het hof van beroep dat de vordering van de curator verjaard was. Zij betoogden dat het onderlinge verband tussen ar-tikel 111 van de wet van 13 april 1995 en artikel 198, § 1, van het Wetboek van vennootschappen impliceert dat de op 28 februari 2007 door de curator ingesteld rechtsvordering sinds 1 juli 2006 verjaard is, aangezien het misdrijf, luidens eerstgenoemde bepaling, ontstaan is op 1 juli 2001.

Om de onderstaande redenen verwerpt het bestreden arrest die zienswijze:

"Krachtens artikel 198, § 1 van het Wetboek van vennootschappen verjaart de aansprakelijkheidsvordering tegen de bestuurders door verloop van vijf jaren te rekenen van het schadeveroorzakende feit, of indien het met opzet verborgen ge-houden is, te rekenen van de ontdekking. Die bepaling is van toepassing op elke rechtsvordering tegen de bestuurders, ongeacht de juridische grondslag ervan.

‘La responsabilité peut être fondée indifféremment sur un fait positif ou sur une abstention fautive. (...) C'est la question du défaut d'adaptation du capital des SA, SPRL ou SCRL dans le délai requis qui est le champ d'application de prédilection de la responsabilité pour omission fautive. Après l'expiration du délai transitoire prévu pour permettre aux dirigeants d'assurer la conformité de la société aux nouvelles exigences légales en matière de capital, les dirigeants négligents sont responsables de leur léthargie et de ses conséquences préjudiciables pour la société et/ou les tiers. Cette faute est continue et persiste aussi longtemps que le capital de la société n'a pas augmenté' (Y. De Cordt en M. Delvaux, ‘La responsabilité des dirigeants en droit des sociétés et en droit financier', La responsabilité des dirigeants de personnes morales, Die Keure, 2007, p. 74).

Artikel 111 van de wet van 13 april 1995 bepaalt niet wanneer de verjaringstermijn ingaat, maar legt het tijdstip vast waarop het kapitaal van de naamloze vennootschappen aangepast moest zijn en het tijdstip vanaf wanneer de aansprakelijkheid van de bestuurders in het gedrang kan komen. De datum van 1 juli 2001 is niet zonder relevantie, zelfs in de onderstelling van het voortdurend karakter van de fout.

De aan de bestuurders verweten fout is voortdurend, aangezien zij zich elke dag herhaalt waarop de vereiste aanpassing van het kapitaal niet gebeurt. De overwegingen die [de eisers] aan het strafrecht ontlenen, evenals de afwezigheid van een strafsanctie voor het aangevoerde verzuim, doen dienaangaande niet ter zake.

[De eisers] beweren tevergeefs dat de ratio legis van de korte vijfjarige verja-ringstermijn van artikel 198 van het Wetboek van vennootschappen impliceert dat het hun verweten verzuim moet worden beschouwd als een ogenblikkelijke overtreding, omdat anders de eventuele verjaring ervan onbeperkt zou worden uitgesteld bij gebrek aan een beëindiging van het mandaat. Deze zienswijze volgen, zou erop neerkomen dat het beginsel van de voortdurende fout in elke hypothese wordt uitgesloten, wat geenszins kan worden aanvaard. Vervolgens wordt het beginpunt van de verjaringstermijn niet tot in het oneindige uitgesteld, aangezien het voldoende is dat het mandaat wordt beëindigd opdat de verjaringstermijn kan beginnen te lopen (P. Kileste en C. Staudt, ‘La responsabilité des dirigeants d'entreprise', Les responsabilités d'entreprise, C.J.B., 2007, p. 430, nr. 135).

Aangezien het bestuursmandaat [van de eisers] en [van] de heer A. op 14 novem-ber 2005 werd beëindigd door de beslissing tot invereffeningstelling van de vennootschap en de aanstelling van een vereffenaar, is de op 28 februari 2007 door de curator ingestelde rechtsvordering, niet verjaard."

Grieven

Artikel 8 van de wet van 13 april 1995 heeft het vereiste miniumkapitaal voor een naamloze vennootschap opgetrokken van 1.250.000 frank tot 2.500.000 frank. Krachtens artikel 111, § 2, van de wet van 13 april 1995 beschikken de naamloze vennootschappen over een termijn van vijf jaar om hun kapitaal te verhogen, dus tot 1 juli 2001.

Het kapitaal van de vennootschap SIMI werd echter niet binnen de wettelijk vereiste termijn opgetrokken.

De curator stelt de eisers op grond van artikel 111 van de wet van 13 april 1995 aansprakelijk in hun hoedanigheid van bestuurder van SIMI.

Artikel 111 van de wet van 13 april 1995 luidt als volgt: "Indien bij het verstrijken van die termijn het kapitaal van een naamloze vennootschap het in artikel 29, § 1, bepaalde minimumbedrag niet bereikt, zijn de bestuurders, niettegenstaande enige andersluidende bepaling, jegens de betrokkenen hoofdelijk gehouden tot betaling van het verschil tussen het geplaatste kapitaal en het in artikel 29, § 1, bepaalde minimumkapitaal. Zij zijn van die aansprakelijkheid ontslagen indien zij binnen die termijn aan de algemene vergadering voorstellen het kapitaal dienovereenkomstig te verhogen, dan wel de vennootschap om te zetten of te ontbinden. De vennootschap die de vereiste maatregelen binnen de gestelde termijn niet heeft genomen, kan op verzoek van enige belanghebbende gerechtelijk worden ontbonden".

De verjaring van een op die bepaling gesteunde rechtsvordering wordt geregeld door artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen (voorheen artikel 194, vierde streepje, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen) luidens hetwelk door verloop van vijf jaren verjaren "alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen, of indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking".

Uit het onderling verband tussen de twee voornoemde bepalingen volgt dat de rechtsvordering van de curator verjaard is sinds 1 juli 2006, aangezien de verja-ringstermijn begon te lopen op 1 juli 2001, de uiterste datum waarop het kapitaal van de vennootschap aangepast had moeten zijn.

De omstandigheid dat het kapitaal van de vennootschap niet werd aangepast voor 1 juli 2001 vormt immers een eenmalige en aflopende fout die de vijfjarige verjaringstermijn doet ingaan.

De schending van artikel 111 van de wet van 13 april 1995 beschouwen als voortdurend, zou tot gevolg hebben dat de eventuele verjaring ervan onbeperkt wordt uitgesteld zolang het mandaat niet wordt beëindigd, wat strijdig is met de ratio legis van de korte vijfjarige verjaringstermijn van artikel 198 van het Wetboek van vennootschappen.

Het hof van beroep verwerp die argumentatie en beslist dat de fout van de eisers voortdurend is, in zoverre "zij zich elke dag herhaalt waarop de vereiste aanpassing van het kapitaal niet gebeurt".

Het hof van beroep beslist: "De zienswijze [van de eisers] volgen, zou erop neerkomen dat het beginsel van de voortdurende fout in elke hypothese wordt uitgesloten, wat geenszins kan worden aanvaard" en "vervolgens wordt het beginpunt van de verjaringstermijn niet tot in het oneindige uitgesteld, aangezien het voldoende is dat het mandaat wordt beëindigd opdat de verjaringstermijn kan beginnen te lopen".

Door te beslissen dat de fout van de eisers, die erin bestaat dat zij het kapitaal van de vennootschap SIMI niet hebben aangepast vóór 1 juli 2001, een voortdurend karakter vertoont en dat de verjaring van de op artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen gegronde rechtsvordering van de curator begint te lopen op het einde van hun bestuursmandaat, namelijk op 14 november 2005, terwijl de schending van de artikel 111 van de wet van 13 april 1995 een eenmalige en aflopende fout vormt die de verjaringstermijn van vijf jaar te rekenen van die fout doet ingaan, schendt het bestreden arrest bijgevolg de artikelen 111,§§ 2 en 3, van de wet van 13 april 1995 en 198 van het Wetboek van vennootschappen.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van verjaring van de eisers ook om de volgende reden:

"Er dient op gewezen dat de curator zijn vordering ook grondt op artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen, dat luidt als volgt: ‘de bestuurders zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen of van de statuten'. Als schade vordert hij ten voordele van de gezamenlijke schuldeisers het verschil tussen het door het Wetboek van vennootschappen vastgelegde mimimumkapitaal en het werkelijke vennootschapskapitaal.

De heer A. betoogt tevergeefs dat de wet van 13 april 1995 de toepassing van genoemd artikel belet, aangezien die wet een bijzondere wet is die afwijkt van de algemene wet. Niets belet de curator om zijn vordering op de ene of de ander bepaling, of op beide samen, te gronden.

In zoverre de vordering van de curator steunt op artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen, voeren [de eisers] en de heer A. de verjaring van de vordering van de curator niet aan".

Grieven

Krachtens artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen zijn "de bestuurders (...), hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen of van de statuten".

Op grond van dat artikel vorderde de curator, als schadevergoeding voor de gezamenlijke schuldeisers, het verschil tussen het door het Wetboek van vennootschappen vastgelegde mimimumkapitaal van de vennootschap en het werkelijke vennootschapskapitaal.

Het bestreden arrest stelt vast:"in zoverre de vordering van de curator steunt op artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen, voeren [de eisers] en de heer A. de verjaring van de vordering van de curator niet aan".

De argumentatie van de eisers in het corpus van hun appelconclusie betreffende de verjaring van de vordering van de curator steunt weliswaar op het bepaalde in de artikelen 111 van de wet van 1995 en 198 van het Wetboek van vennootschappen, maar uit het dictum van hun appelconclusie blijkt dat de exceptie van verjaring wordt opgeworpen met betrekking tot het voorwerp van de vordering van de curator. In het dictum vorderen de eisers immers in hoofdzaak dat "de hoofdvordering niet-ontvankelijk wordt verklaard", welke hoofdvordering zowel steunde op artikel 111 van de wet van 1995 als op artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen.

De fout die aan de eisers wordt verweten, of zij nu steunt op artikel 111 van de wet van 1995 dan wel van artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen, is iden-tiek en is op hetzelfde tijdstip ontstaan.

De vordering van de curator, ongeacht of ze op de ene of de andere van de bepalingen steunt, heeft dus hetzelfde voorwerp, namelijk de veroordeling van de ei-sers tot betaling van 24.315,97 euro.

Zij heeft tevens dezelfde oorzaak, namelijk het uitblijven van de aanpassing van het vennootschapskapitaal van SIMI aan het wettelijk vereiste minimumbedrag.

Bijgevolg gold de door de eisers opgeworpen exceptie van verjaring voor de gehele vordering van de curator.

Het hof van beroep beslist niettemin: "in zoverre de vordering van de curator steunt op artikel 528 van het Wetboek van vennootschappen, voeren [de eisers] en de heer A. de verjaring van de vordering van de curator niet aan".

Aldus miskent het bestreden arrest de bewijskracht van de appelconclusie van de eisers doordat het iets niet leest dat erin staat, namelijk de exceptie van verjaring die tevens geldt ten aanzien van de op artikel 528 van het Wetboek van vennoot-schappen gegronde vordering, en schendt het, bijgevolg, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 8 van de wet van 13 april 1995 tot wijziging van de wetten op de han-delsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, verhoogt het in artikel 29, § 1, van die wetten bepaalde minimumkapitaal van de naamloze vennootschap van een miljoen tweehonderdvijftigduizend frank tot twee miljoen vijfhon-derdduizend frank.

Krachtens artikel 111, tweede lid, van die wet is de aldus gewijzigde bepaling slechts vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet toepasselijk op de naamloze vennootschappen die op dat tijdstip bestaan, behalve wanneer hun duur wordt verlengd of hun kapitaal wordt gewijzigd.

Artikel 111, derde lid, van die wet bepaalt dat, indien bij het verstrijken van die termijn het kapitaal van een naamloze vennootschap het voortaan bepaalde mini-mumbedrag niet bereikt, de bestuurders, niettegenstaande enige andersluidende bepaling, jegens de belanghebbenden hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van het verschil tussen het geplaatste kapitaal en het minimumkapitaal. Zij zijn van die aansprakelijkheid ontslagen indien zij binnen die termijn aan de algemene verga-dering voorstellen het kapitaal dienovereenkomstig te verhogen, dan wel de vennootschap om te zetten of te ontbinden.

De wet van 13 april 1995 is, volgens artikel 113 in werking getreden op 1 juli 1996, zodat voor de naamloze vennootschappen die op dat tijdstip bestonden, ar-tikel 29, § 1, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935, zoals het werd gewijzigd door voornoemd artikel 8, van toepas-sing is geworden op 1 juli 2001.

Uit voornoemde bepalingen volgt dat de bestuurders die er niet voor gezorgd heb-ben het minimumkapitaal van een naamloze vennootschap vóór 1 juli 2001 aan te passen hoofdelijk aansprakelijk zijn vanaf dat tijdstip en hun schuldig gedrag her-halen elke dag waarop zij nalaten zich naar die wettelijke verplichting te schikken.

Artikel 194, vierde streepje, van de op 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, thans artikel 198, § 1, eerste streepje, van het Wetboek van vennootschappen, bepaalt dat alle aansprakelijkheidsvorderingen te-gen de bestuurders, wegens verrichtingen in verband met hun taak, verjaren door verloop van vijf jaren te rekenen van die verrichtingen, of indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking.

Het arrest dat overweegt dat "de fout van de eisers voortdurend is, in zoverre zij zich elke dag herhaalt waarop de vereiste aanpassing van het kapitaal niet ge-beurt", dat "het voldoende is dat het mandaat wordt beëindigd opdat de verja-ringstermijn kan beginnen te lopen" en dat "het mandaat [van de eisers] op 14 november 2005 werd beëindigd door de beslissing tot invereffeningstelling van de vennootschap en de aanstelling van een vereffenaar", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat "de op 28 februari 2007 door de curator ingestelde rechtsvordering, niet verjaard is".

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het arrest dat eerst, om de reden waartegen het eerste middel tevergeefs opkomt, de exceptie van verjaring heeft afgewezen, stelt vast dat de eisers "niet [...] van hun in artikel 111 bedoelde aansprakelijkheid kunnen worden ontslagen" en overweegt dat "[hun] aansprakelijkheid [...] in het gedrang komt", dat "[deze], volgens de bewoordingen van de wet van 13 april 1995, hoofdelijk is" en dat "het bedrag van de schade bepaald wordt op het verschil tussen het geplaatste kapitaal en het minimumkapitaal".

Die overwegingen, waartegen geen kritiek wordt uitgeoefend, volstaan als grond-slag van de beslissing om de eisers hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de verweerder van het bedrag van 24.315,97 euro, vermeerderd met interest.

Het middel, dat opkomt tegen een ten overvloede gegeven reden, kan niet tot cas-satie leiden

Het middel is zonder belang en bijgevolg niet ontvankelijk.

Betreffende de vordering tot bindendverklaring van het arrest

De vordering die ertoe strekt dat het arrest bindend wordt verklaard voor de partij die daartoe voor het Hof is opgeroepen, verliest haar belang doordat het cassatie-beroep werd verworpen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring van het arrest.

Veroordeelt de eisers in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 17 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanzigheid van procureur-generaal Jean-François Leclercq, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Bestuurders

  • Aansprakelijkheid

  • Minimumkapitaal

  • Blijvend schuldig gedrag