- Arrest van 21 januari 2014

21/01/2014 - P.12.1840.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het misdrijf “oplichting” vereist dat de dader ervan, die gehandeld heeft met het oogmerk zich andermans zaak toe te eigenen, zich deze zaak doet afgeven of leveren en zodoende het slachtoffer benadeelt; van zodra die dader erin geslaagd is zich die zaak te doen afgeven of leveren, is het misdrijf voltrokken zodat de teruggave van die zaak het misdrijf niet uitsluit of ongedaan maakt (1). (1) Cass. 27 oktober 1982, AR 2355, AC 1982-1983, nr. 141

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1840.N

I

J-M J M,

beklaagde,

eiser,

II

H F G L S,

beklaagde,

eiser,

III

W A M M,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie te Hasselt,

alle cassatieberoepen tegen

1. L M,

burgerlijke partij,

2. K O,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 10 oktober 2012.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eisers I en II voeren geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beant-woordt niet eisers verweer dat het aspect benadeling, constitutief element van het misdrijf oplichting, niet bewezen is omdat het strafdossier niet aantoont of er al dan niet een terugbetaling heeft plaatsgevonden.

2. Het misdrijf "oplichting" vereist dat de dader ervan, die gehandeld heeft met het oogmerk zich andermans zaak toe te eigenen, zich deze zaak doet afgeven of leveren en zodoende het slachtoffer benadeelt. Van zodra die dader erin geslaagd is zich die zaak te doen afgeven of leveren, is het misdrijf voltrokken. De teruggave van die zaak sluit het misdrijf niet uit of maakt het niet ongedaan.

3. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest (nr. 4.3.1, 2, eerste alinea) dat de eiser heeft deelgenomen aan de in de telastlegging A.1 bedoelde oplichting waarbij hij zich met het voormelde oogmerk gelden van de verweerster 1 heeft doen afgeven. Aldus oordeelt het arrest dat de eiser die verweerster heeft bena-deeld en beantwoordt het eisers verweer dat het tegendeel aanvoerde.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest leidt ten onrechte uit het feit dat torenhoge winsten zijn voorgesteld, af dat er lis-tige kunstgrepen zijn gebruikt; dat feit overstijgt echter de loutere leugen niet, te-meer daar het niet gepaard gaat met een bepaalde hoedanigheid van de dader of met feiten en omstandigheden die deze verklaring kracht bijzetten.

1. Louter leugenachtige beweringen leveren slechts listige kunstgrepen op in de zin van artikel 496 Strafwetboek wanneer zij gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen. Zulke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden.

2. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en op grond van ei-gen redenen oordeelt het arrest dat de verweerster 1 werd aangezet tot afgifte van de in de telastlegging A.1 vermelde zaken omwille van enerzijds de torenhoge winsten die werden vooropgesteld, anderzijds het afleveren van zogenaamde kwijtingen ter versterking van de geloofwaardigheid van de loze verhalen en ten slotte de omstandigheid dat een beroep werd gedaan op haar zoon om haar vertrouwen te winnen en ervoor te zorgen dat zij de gelden zou afgeven.

Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat misleidingen en listige kunstgrepen werden gebruikt zonder dewelke de verweerster 1 die zaken nooit zou hebben afgegeven.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in antwoord op het door de eiser in zijn beroepsconclusie gevoerde verweer over het bestaan van listige kunstgrepen, preciseert het arrest niet waarin die listige kunstgrepen bestaan en zich onderscheiden van loutere leugens.

4. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het arrest preciseert waaruit de van de loutere leugen onderscheiden listige kunstgrepen bestaan.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest is tegenstijdig gemotiveerd omdat het enerzijds aanneemt dat de eiser het bedrag van 55.000 euro, dat begrepen is in de telastlegging A.1, in Turkije heeft afgegeven, anderzijds oordeelt dat de eiser enkel gehandeld heeft om zichzelf te verrijken en hem schuldig verklaart aan die telastlegging met inbe-grip van die 55.000 euro, terwijl het bovendien oordeelt dat het verhaal van de zogenaamde investeringen in Turkije volkomen ongeloofwaardig en illusoir is; het feit dat de eiser de gelden heeft afgegeven in Turkije ondersteunt zijn relaas zoals opgenomen in besluiten; in dergelijk geval is er geen sprake van oplichting.

6. Oplichting vereist niet dat de dader ervan enkel een onrechtmatig voordeel voor zichzelf nastreeft. Hij kan dat voordeel ook nastreven voor een ander. Het door de dader nagestreefde voordeel moet evenmin de ganse onrechtmatig toege-eigende zaak betreffen, maar kan ook bestaan in een deel daarvan.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

7. Bij de beoordeling van eisers schuld aan de telastlegging A.2 oordeelt het arrest onder meer dat de eiser van de in de telastlegging A.1 bedoelde zaken, zijn-de een bedrag van 55.000 euro in contanten en twee kasbons van elk 2.500 euro, het bedrag van 55.000 euro naar Turkije heeft overgemaakt.

Dat oordeel houdt niet in dat het naar Turkije overgemaakte bedrag geen voor-werp kan zijn van de in de telastlegging A.1 bedoelde oplichting, noch dat het overige deel van de in die telastlegging bedoelde zaken geen door de eiser nage-streefd voordeel kunnen uitmaken en evenmin dat de zogenaamde investeringen in Turkije niet volkomen ongeloofwaardig en illusoir zijn.

De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

8. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 174,42 euro, waarvan de eisers elk 58,14 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Bestanddelen