- Arrest van 21 januari 2014

21/01/2014 - P.12.1642.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 6.3., a EVRM, dat bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldigingen, bedoelt met de “reden” van de ingestelde beschuldiging de strafbare feiten die ten laste worden gelegd, maar niet de omschrijving ervan, en met de “aard” van die beschuldiging de juridische kwalificatie ervan (1). (1) Cass. 4 maart 2008, AR P.08.0332.N, AC 2008, nr. 155

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1642.N

I

G H F L,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadslieden mrs. Carl en Kristiane Hubrechts, advocaten bij de balie te Leuven,

II

J F A S,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Marc Decat, advocaat bij de balie te Leuven,

III

R H E V V,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Marc Decat, advocaat bij de balie te Leuven,

IV

D.S.V. nv, met zetel te 3200 Aarschot, Terheidelaan 69,

inverdenkinggestelde,

eiseres,

met als raadsman mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout,

alle cassatieberoepen tegen

1. REGIE DER GEBOUWEN, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87 bus 2,

burgerlijke partij,

met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie te Hasselt, met kan-toor te 3580 Beringen, Scheigoorstraat 5, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. VAN DEN BRANDE TECHNIEKEN nv, met zetel te 1861 Meise (Wolvertem), De Biest 31 ,

burgerlijke partij,

3. C P,

burgerlijke partij,

4. PRESIAUX nv, met zetel te 1780 Wemmel, Korenveldlaan 17,

burgerlijke partij,

5. C B,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 september 2012 (nr. 3179)

Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 september 2012 (nr. 3180).

Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 september 2012 (nr. 3181).

Het cassatieberoep IV is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 september 2012 (nr. 3182).

De eiser I, de eisers II en III samen en de eiseres IV voeren in drie memories die aan dit arrest zijn gehecht, eenzelfde middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, alsmede mis-kenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest verklaart de strafvordering met betrekking tot de telastleggingen A.1, A.6, B.8, C.8 en D.12, die de materiële gedragingen van het gebruik van valse stukken niet preciseren, ten onrechte ontvankelijk omdat geen enkele wettelijke of verdrags-rechtelijke bepaling het openbaar ministerie verplicht om op straffe van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, in een schriftelijke verklaring tot verwij-zing een ten laste gelegde gebruik van duidelijk omschreven valse stukken nader te bepalen; bij de regeling van de rechtspleging heeft de inverdenkinggestelde het recht naar aard en redenen ingelicht te worden over de tegen hem ingebrachte be-schuldiging; dit houdt in dat niet alleen de juridische kwalificatie, maar ook de materiële feiten in de vordering van het openbaar ministerie moeten worden ge-formuleerd; inzake valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken houdt dit in dat de materiële feiten van gebruik moeten worden omschreven; het verzuim daaraan te voldoen levert een miskenning van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces op, die resulteert in de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.

2. Artikel 6.3.a EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingestelde beschuldigingen.

3. Deze bepaling bedoelt met de "redenen" van de ingestelde beschuldiging de strafbare feiten die ten laste worden gelegd, maar niet de omschrijving ervan, en met de "aard" van die beschuldiging de juridische kwalificatie ervan.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de vermelde verdragsbepaling met de re-denen van de beschuldiging de omschrijving van de feiten bedoelt, faalt het naar recht.

4. Wanneer een telastlegging onduidelijk is, staat het aan het onderzoeksge-recht erop toe te zien dat ze wordt gepreciseerd, zodat de inverdenkinggestelde ingelicht wordt waartegen hij zich moet verdedigen. Die omstandigheid leidt evenwel niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het evenzeer naar recht.

5. Hoewel het recht van verdediging vereist dat een inverdenkinggestelde vol-doende ingelicht wordt over de hem ten laste gelegde feiten, schrijft geen enkele bepaling voor dat die inlichting alleen kan voortvloeien uit de vordering tot ver-wijzing of uit de verwijzingsbeslissing van het onderzoeksgerecht. Die inlichting kan mede gegeven worden aan de hand van de stukken van het strafdossier, waar-van de inverdenkinggestelde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij voor het onderzoeksgerecht zijn recht van verdediging vrij heeft kunnen uitoefenen.

In zoverre het middel aanvoert dat die inlichting dient te blijken uit die vordering of die beslissing, faalt het nogmaals naar recht.

6. Wanneer valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken worden ge-pleegd door dezelfde persoon met hetzelfde bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, worden die misdrijven als één misdrijf beschouwd dat blijft voortduren zolang het door de beginhandeling beoogde en gerealiseerde doel blijft bestaan, ofschoon geen nieuwe positieve handelingen worden gesteld door wie dan ook.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat in dat geval de valsheid en het gebruik onderscheiden misdrijven zijn, zodat het gebruik het bestaan van op zichzelf staande materiële handelingen vereist, faalt het naar recht.

7. Met de redenen die het middel weergeeft, is de beslissing dat de omschrij-ving van de ten laste gelegde feiten voldoende duidelijk is en de eisers toelaat hun recht van verdediging uit te oefenen, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM, alsmede mis-kenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de omschrijving van het gebruik van valse stukken in de telastleggingen A.1, A.6, B.8, C.8 en D.12 voldoende duidelijk is en volstaat om de eisers toe te laten voor de vonnisrechter al hun verweermiddelen te laten gel-den, zodat het recht van verdediging niet is miskend; in casu omschrijft echter geen enkele telastlegging de feitelijke gebruiksdaden en zijn de eisers als vervolg-de personen daarover niet in bijzonderheden geïnformeerd; evenmin hebben de appelrechters het materieel aanwenden van het vals geschrift zelf omschreven of verwezen naar stukken uit het strafdossier.

9. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.

10. De onderzoeksgerechten dienen te oordelen of de in de vordering tot verwijzing van het openbaar ministerie gegeven omschrijving van de ten laste gelegde feiten voldoende gedetailleerd is opdat de inverdenkinggestelde zijn recht van verdediging doelmatig kan uitoefenen.

De onderzoeksgerechten oordelen op dit punt onaantastbaar in feite, op voorwaar-de zij daarbij de bewijskracht van de vordering tot verwijzing niet miskennen.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit oordeel van de appelrechters, is het evenmin ontvankelijk.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt het verweer van de eisers niet dat noch de processen-verbaal waarnaar de eindvordering van het openbaar ministerie ver-wijst, noch andere processen-verbaal uit het strafdossier een feitelijke en concrete omschrijving bevatten van het materiële gebruik, zodat ze zich in het stadium van de regeling van de rechtspleging niet kunnen verdedigen tegen de telastleggingen inzake gebruik van valse stukken en de strafvordering niet ontvankelijk is.

12. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste en het tweede onder-deel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.

13. De eiser heeft zijn in het onderdeel aangehaalde argument enkel aangevoerd tot staving van zijn verweer dat de materiële handelingen van het gebruik in de te-lastleggingen A.1, A.6, B.8, C.8 en D.12 niet zijn omschreven. Met de redenen weergegeven in het middel, beantwoordt het arrest dit verweer zodat het eisers ar-gument dat geen zelfstandig verweer uitmaakte, niet afzonderlijk dient te beant-woorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 239,31 euro waarvan de eisers I, II en III elk 59,83 euro verschuldigd zijn en de eiseres IV 59,82 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

A. Bloch F. Van Volsem P. Maffei

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.a

  • Recht van de vervolgde persoon onverwijld op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de beschuldiging