- Arrest van 22 januari 2014

22/01/2014 - P.14.0065.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien samenhang geen wettelijke basis is voor de uitbreiding van de internationale strafrechtelijke bevoegdheid van België, staat het misdrijf dat door een vreemdeling op het grondgebied van het Rijk is gepleegd niet toe hem in België te vervolgen wegens misdrijven die hij in het buitenland heeft gepleegd, ook al zijn ze samenhangend of verbonden met het eerste door eenzelfde misdadig opzet (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2013, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0065.F

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL,

tegen

A. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 januari 2014.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de tenuit-voerlegging weigert van het Europees aanhoudingsbevel gegrond op het ar-rest van het hof van beroep te Arnhem van 15 september 2003

Eerste middel

Naar luid van artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, wordt de tenuitvoer-legging van het bevel geweigerd ingeval de strafvordering of de straf is verjaard en de Belgische gerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de feiten.

Artikel 4 Strafwetboek bepaalt dat het misdrijf, buiten het grondgebied van het Rijk door Belgen of door vreemdelingen gepleegd, in België niet wordt gestraft dan in de gevallen bij de wet bepaald.

Het Belgisch gerecht neemt alleen kennis van zaken waarbij een vreemdeling een misdrijf pleegt in het buitenland, ten nadele van vreemdelingen, in de gevallen die in de artikelen 6 tot 12bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zijn opgesomd.

Samenhang vormt geen wettelijke basis voor de uitbreiding van de internationale strafrechtelijke bevoegdheid van België.

Het misdrijf dat door een vreemdeling op het grondgebied van het Rijk is ge-pleegd, maakt het niet mogelijk hem in België te vervolgen wegens misdrijven die hij in het buitenland heeft gepleegd, ook al zijn ze samenhangend of verbonden met het eerste door eenzelfde misdadig opzet.

Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is slechts van toepassing wanneer de Belgische rechter bevoegd is voor het geheel van de feiten.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het Europees aanhoudingsbevel met name steunt op een arrest van het hof van beroep te Arnhem van 15 september 2003 dat de eiser, die de Nederlandse nationaliteit heeft, veroordeelt tot dertig maanden gevangenisstraf wegens feiten van zware diefstal, pogingen tot zware diefstal, uitgifte van een vals bankbiljet, deelneming aan een criminele organisatie en inbreuken op de wapenwetgeving. Volgens de buitenlandse beslissing werden alle feiten in Nederland gepleegd, met uitzondering van één van de dertien zware diefstallen, die in Antwerpen is gepleegd.

Het bestreden arrest vermeldt dat één van de feiten waarvoor de samengevoegde straf is uitgesproken, in België werd gepleegd.

De kamer van inbeschuldigingstelling, die enkel op die grond weigert het bevel ten uitvoer te leggen wegens verjaring, beslist niet naar recht dat de Belgische ge-rechten bevoegd waren voor de feiten die de verweerder de gevangenisstraf heb-ben opgeleverd waarvoor hij nu wordt gezocht.

Het middel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het weigert het Europees aanhoudings-bevel, gegrond op het arrest van het hof van beroep te Arnhem van 15 september 2003, ten uitvoer te leggen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van in-beschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 22 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging door België

  • Verplichte weigeringsgrond

  • Artikel 4, 4°, Wet Europees Aanhoudingsbevel

  • Verjaring van de straf

  • Belgische gerechten bevoegd om kennis te nemen van de feiten

  • Misdrijven gepleegd door een vreemdeling

  • Misdrijf gepleegd op het grondgebied

  • Samenhangende misdrijven gepleegd in het buitenland

  • Uitbreiding van bevoegdheid