- Arrest van 22 januari 2014

22/01/2014 - P.13.1828.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bewijsvoering door middel van een genetisch onderzoek berust hoofdzakelijk op de vergelijking van DNA-profielen op grond van aangetroffen of afgenomen celmateriaal, met de profielen bewaard in de gegevensbanken 'Veroordeelden' en 'Criminalistiek'; de geldigheid van die vergelijking hangt af van het naleven van de voorschriften voor accreditatie en erkenning van de laboratoria die de profielen opmaken, met de bewaring ervan en met het optreden van de deskundige (1). (1) Zie Cass. 25 mei 2005, AR P.05.0672.F, AC 2005, nr. 297.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1828.F

P. B.,

Mr. Jacques Bailly, advocaat bij de balie te Verviers,

tegen

S. H.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 17 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen de eiser

Eerste middel

De eiser verwijt het arrest dat het zijn beslissing grondt op met name een genetisch onderzoek op een schroevendraaier die op de plaats van de agressie is aange-troffen en die door het slachtoffer aan de politie is overhandigd.

Volgens de eiser is het deskundigenonderzoek, dat een overeenkomst vaststelt tussen zijn profiel en het profiel dat op het overtuigingsstuk is gevonden, nietig omdat er vóór de inbeslagneming van dat voorwerp geen gerechtelijke uitslui-tingsperimeter werd ingesteld, met name een zone waartoe enkel de technische en wetenschappelijke politie of de daartoe speciaal opgeleide deskundigen toegang hebben.

Volgens het middel volgt daaruit een schending van artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 februari 2002 ter uitvoering van de wet van 22 maart 1999 betref-fende de identificatieprocedure via DNA-onderzoek in strafzaken.

De bewijsvoering door middel van een genetisch onderzoek berust hoofdzakelijk op de vergelijking van DNA-profielen op grond van aangetroffen of afgenomen celmateriaal, met de profielen bewaard in de gegevensbanken "Veroordeelden" en "Criminalistiek".

Uit het verslag aan de Koning, dat aan het koninklijk besluit van 4 februari 2002 voorafgaat, blijkt dat de geldigheid van de voormelde vergelijking afhangt van het naleven van de voorschriften voor accreditatie en erkenning van de laboratoria die de profielen opmaken, van de bewaring ervan en van het optreden van de deskun-dige.

Het middel voert niet aan dat een van die voorschriften werd miskend. Het vorm-vereiste dat volgens het middel niet is nageleefd, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar het niet-naleven ervan kan gevolgen hebben voor de be-trouwbaarheid van het bewijs.

In dat geval staat het aan de rechter om te beoordelen in hoeverre de omstandig-heden waarin menselijk celmateriaal is afgenomen op de plaats van het misdrijf of op een voorwerp dat ermee verband houdt, van dien aard zijn dat ze de resultaten van het vergelijkend onderzoek onzeker maken.

Het arrest wijst erop dat de identificatie van de eiser door genetisch onderzoek be-antwoordt aan de voorschriften van de methode die voor het onderzoek van cel-materiaal en het opmaken van profielen dient te worden gevolgd, alsook aan de voorschriften inzake vergelijking en statistische waarschijnlijkheid, vervat in de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 4 februari 2002 en in de bijlage daarvan.

Het arrest oordeelt dat weliswaar geen gerechtelijke uitsluitingsperimeter kon worden bevolen vóór de klager het overtuigingsstuk aan de politieagenten die ter plaatse kwamen overhandigde, maar dat het verzuim waartegen de eiser opkomt het hof van beroep nog niet de bevoegdheid ontzegt de bewijswaarde te beoorde-len van het genetisch onderzoek als element dat, samen met andere elementen, een geheel aan gewichtige, welbepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaakt.

Die motivering schendt de voormelde wetsbepalingen niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het arrest wordt verweten dat het zich grondt op een deskundigenonderzoek dat, omdat het van een gedeeltelijk genetisch profiel is uitgegaan, geen waarschijnlijk-heidsberekening bevat van de mate waarin de overeenkomst tussen het aangetrof-fen profiel en het referentieprofiel louter toeval kon zijn.

Artikel 8, § 1, van het koninklijk besluit van 4 februari 2002 bepaalt dat het ver-slag van de deskundige onder meer een statistische waarschijnlijkheid bevat die aangeeft in hoeverre de identificatie verschilt van een toevallige overeenkomst. Dat artikel vermeldt geen aanvullende statistische berekening wanneer de identifi-catie reeds mogelijk was aan de hand van een gedeeltelijk profiel.

Het arrest, dat verwijst naar de overeenkomst die de deskundigen hebben aange-toond, wijst erop dat het aantal identieke allelen tussen de genetische profielen van de stalen, de hypothese staaft dat die stalen afkomstig zijn van één en de-zelfde persoon en niet van een toevallige niet-verwante persoon binnen dezelfde bevolking.

Steeds met verwijzing naar het deskundigenonderzoek preciseert het arrest dat, over het algemeen, in het geval van overeenkomst tussen twee profielen, de voor-gestelde hypothese een miljard aantal malen waarschijnlijker is dan de tegenover-gestelde hypothese.

Aangezien het aantal identieke allelen voldoende werd geacht om de door de des-kundigen aangetoonde overeenkomst te bewijzen, dienden deze, niettegenstaande het gedeeltelijk karakter van het profiel van het spoor, in hun verslag geen andere waarschijnlijkheid te vermelden dan die welke, volgens het arrest, erin wordt vermeld.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 22 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • DNA-onderzoek

  • Vergelijken van DNA-profielen

  • Geldigheid van de vergelijking

  • Te volgen voorschriften