- Arrest van 24 januari 2014

24/01/2014 - C.10.0537.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij die gegrond is op een subjectief recht (1). (1) Zie concl OM in Pas. 2014, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0537.F

J. S. K.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, minister voor Migratie- en Asielbeleid,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 26 mei 2010.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft op 18 december 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Mireille Delange heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 10, 11, 144, 145, 159 en 191 van de Grondwet;

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, 39/1, 39/2, 39/82, 39/84 en 58 van de wet van 15 december betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 3 zoals het werd gewijzigd door de wet van 15 juli 1996, artikel 58 zoals het werd gewijzigd door de wetten van 15 juli 1996 en 15 september 2006, de artikelen 39/1, 39/2, 39/82 en 39/84 zoals ze door de wet van 15 september 2006 werden ingevoegd in de wet van 15 december 1980;

- de artikelen 13 en 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955;

- de artikelen 2, § 3, a), 13, 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij de wet van 15 mei 1981;

voor zoveel als nodig:

- artikel 602, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een internationale verdragsnorm met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde moet voorgaan op het nationale recht.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast 1. dat de eiser, die de Kameroense nationaliteit heeft, op 16 juni 2009 bij de Belgische ambassade te Yaoundé een "aanvraag voor een studentenvisum heeft ingediend op grond van artikel 58 van de wet van 15 december 1980 en dat de ambassade op 26 juli 2009 een weigeringsbeslissing heeft genomen [...] die hem op 3 augustus 2009 is betekend; dat die beslissing verantwoord wordt door het feit uit de bij de visumaanvraag ingevulde vragenlijst blijkt dat de betrokkene geen samenhangende verklaring voor zijn studieproject in België kan geven; dat hij niet kan staven waarom hij kiest voor de afdeling landbouwkunde van de ‘Haute école de la province de Liège' en dat hij de meeste vragen niet beantwoordt; dat de ambassade daaruit afleidt dat: ‘de intentie om in België hogere studies te volgen niet bewezen is. Die aanwijzingen vormen een geheel van bewijzen van een poging om de visumprocedure te misbruiken om te mi-greren. Hoewel alle in de artikelen 58 en volgende van de wet van 15 december 1980 vereiste documenten (werden overgelegd), wordt het visum hem bijgevolg geweigerd wegens die poging tot pseudo-legale immigratie'; dat [de eiser] de wettigheid van die beslissing niet heeft betwist voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat, [de eiser] [de verweerder] op 11 augustus 2009 in kort geding heeft gedagvaard op grond van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek en wegens de dringende noodzakelijkheid teneinde laatstgenoemde te doen veroordelen om het studentenvisum voor het acadiejaar 2009-2010 af te geven, op straffe van een dwangsom van vijfhonderd euro per dag vertraging" en 2. dat de eiser bovendien voor het hof van beroep een tussenvordering instelt om de verweerder te doen veroordelen "om hem zijn aangevatte studies te laten voortzetten".

Het arrest a) bij zijn uitspraak over de oorspronkelijke hoofdvordering, wijzigt de beroepen beschikking waarin de eerste rechter die expliciet verklaart bij voorraad uitspraak te doen, de dringende noodzakelijkheid had erkend en de verweerder had veroordeeld, om op straffe van een dwangsom, aan de eiser een visum voor het schooljaar 2009-2010 af te geven of te doen afgeven, "zegt dat de rechtscolleges van de rechterlijke orde geen rechtsmacht hebben om de Belgische Staat op te dragen om op grond van artikel 58 van de wet van 15 december 1980 een studentenvisum af te geven", b) bij zijn uitspraak over de tussenvordering, wijst de vordering van de eiser af en c) veroordeelt de eiser in de kosten van de beide aanleggen.

Die beslissing steunt op de volgende redenen:

"Verleent artikel 58 [van de wet van 15 december], waarop [eisers] verblijfsaanvraag steunt, de vreemdeling een subjectief recht, waarbij de Belgische Staat zich in een toestand van gebonden bevoegdheid bevindt en hem het visum moet toestaan wanneer de door die bepaling vereiste documenten werden overgelegd, of beschikken de consulaire of diplomatieke overheden daarentegen over een beoordelingsmarge en over een discretionaire bevoegdheid, in welk geval er geen subjectief recht kan bestaan tot het verkrijgen van een studentenvisum? Dit is waar het bij het geschil waarvan de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde afhangt, om draait. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, het administratieve rechtscollege dat als enige bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen tegen de met toepassing van de wet van 15 december 1980 genomen individuele beslissingen, [...] heeft beslist dat artikel 58 de vreemdeling die in België wenst te studeren en voldoet aan de voorwaarden die het stelt, een automatisch recht erkent op machtiging om meer dan drie maanden in België te verblijven, vermits de bevoegdheid van de minister of diens gemachtigde krachtens die bepaling een gebonden bevoegdheid is die hem verplicht dat recht te erkennen zodra de vreemdeling voldoet aan de limitatief opgesomde voorwaarden voor de toepassing ervan. Het hoge rechtscollege preciseert echter dat ‘die gebonden bevoegdheid nochtans niet rechtsgeldig kan worden omschreven door abstractie te maken van de hoedanigheid van degene die het bewuste verblijfsrecht geniet, die de wetgever formeel heeft aangemerkt als zijnde een vreemdeling die in België wenst te studeren. Volgens die zienswijze blijkt dus uit die bepaling dat de administratieve overheid weliswaar verplicht is een studentenvisum toe te staan wanneer de aanvrager de in de punten 1° tot 4° bedoelde documenten heeft neergelegd, maar zij rechtsgeldig gemachtigd blijft om, indien nodig, de wil van de aanvrager om in België te studeren, te toetsen. Een dergelijke toetsing kan niet worden beschouwd als een bijkomende voorwaarde die de verweerder toevoegt aan artikel 58 van de wet van 15 december, maar moet worden begrepen als een voorwaarde die betrekking heeft op een doorslaggevend bestanddeel van de aanvraag zelf [...]. Die toetsing moet echter marginaal blijven en strikt worden beperkt tot het onderzoek van de echtheid, in haar subjectieve dimensie, van het studieproject dat de aanvrager wil aanvatten; die toetsing kan eventueel tot gevolg hebben dat administratie moet vaststellen dat de wil om in België te studeren duidelijk ontbreekt en er dus sprake is van afwending van procedure'. De eerste rechter heeft bijgevolg ten onrechte beslist dat het in artikel 58 omschreven recht geen voorwaarden inhoudt en dat de wetgever geen enkele discretionaire bevoegdheid [aan de verweerder] toekent; hij maakt aldus een fragmentarische lezing van de voornoemde rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die op volstrekt ondubbelzinnige wijze preciseert dat de minister of diens gemachtigde het recht heeft om na te gaan of de visumaanvrager, ook al heeft hij de door artikel 58 vereiste documenten overgelegd, werkelijk en concreet de bedoeling heeft in België te studeren, aangezien het gaat om een wezenlijk bestanddeel van de aanvraag, waarbij die toetsingsbevoegdheid, een beoordelingsbevoegdheid inhoudt. In het kader van het beroep tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid tegen beslissingen die studentenvisa weigeren, weigert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overigens, in het kader van de voorlopige maatregelen, de overheid te bevelen het visum af te geven daar de Raad, in het kader van zijn annulatiebevoegdheid ‘ne peut se substituer à la partie défenderesse dans l'exercice des pouvoirs que la loi du 15 décembre 1980 confère à cette dernière. Tel serait immanquablement le cas si, par le biais de l'octroi de mesures provisoires, le Conseil ordonnait à la partie défenderesse de délivrer le visa d'études dont le refus constitue précisément l'acte attaqué par la demande de suspension' (arresten van de R.V.V. van 14 augustus 2009 en 17 juli 2009). Er dient op gewezen dat [de eiser] in deze zaak de wettigheid van de beslissing tot weigering van een visum niet heeft betwist voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bovendien verwijst artikel 58 uitdrukkelijk naar artikel 3 van de wet van 15 december 1980, dat bepaalt dat een vreemdeling door de met de grenscontrole belaste overheden kan worden teruggedreven, onder meer wegens redenen betreffende de openbare orde. In een arrest van 16 januari 2006 betreffende een visumaanvraag voor gezinshereniging, herinnert het Hof van Cassatie eraan dat een partij zich ten aanzien van een administratieve overheid enkel op een subjectief recht kan beroepen als de bevoegdheid van die overheid gebonden is, dat artikel 10, eerste lid, 4°, van de wet van 15 december 1980 bepaalt dat van rechtswege tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk toegelaten is, de vreemdeling die de echtgenoot is van een tot een verblijf in het Rijk toegelaten vreemdeling en die met deze komt samenleven, op voorwaarde dat de twee betrokkenen ouder zijn dan achttien jaar. Het Hof verwijst voorts naar artikel 11 van de wet volgens hetwelk de minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in een van de in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, geen verblijfsrecht heeft, hetzij omdat die vreemdeling niet aan één van de voorwaarden van genoemd artikel 10 voldoet, hetzij omdat de betrokkene zich in een van de in artikel 3 voorziene gevallen bevindt. Het Hof van Cassatie stelt: ‘Uit die wetsbepalingen blijkt dat de minister of diens gemachtigde die uitspraak doet over een aanvraag van een vreemdeling die gegrond is op artikel 10, geen volledig gebonden bevoegdheid heeft maar over een beoordelingsmarge beschikt. De verweerster heeft bijgevolg geen enkel subjectief verblijfsrecht en het arrest verantwoordt zijn beslissing dat "de rechterlijke macht [...] bevoegd is om de eiser eventueel te veroordelen tot afgifte van een verblijfskaart", niet naar recht' (Cass., 16 januari 2006, C.05.0057.F). Dat arrest is naar analogie van toepassing op deze zaak, aangezien artikel 58, zoals hierboven verduidelijkt, eveneens verwijst naar artikel 3 van de wet van 15 december 1980. Dienaangaande maakt het weinig uit dat [de verweerder] in zijn beslissing tot weigering van het visum niet verwijst naar redenen van openbare orde, aangezien hij, voor de afgifte van een studentenvisum, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om, enerzijds, na te gaan of de visumaanvrager werkelijk de bedoeling heeft in België in het hoger onderwijs te studeren en, anderzijds, om zich ervan te vergewissen [...] dat de betrokkene zich niet in een van de in artikel 3 bedoelde gevallen bevindt, zoals uitdrukkelijk is voorgeschreven in de kwestieuze wetsbepaling. Uit die bepaling blijkt dat [de verweerder], wanneer hij uitspraak doet over een op artikel 58 van de wet van 15 december 1980 gegronde aanvraag van een vreemdeling, geen volledig gebonden bevoegdheid heeft maar over een beoordelingsmarge beschikt. [De eiser] heeft bijgevolg geen enkel subjectief recht op het verkrijgen van een aangevraagd studentenvisum en de rechtscolleges van de rechterlijke orde zijn niet bevoegd om zich in de plaats te stellen van de beoordelingsbevoegdheid [van de verweerder] en om hem op te dragen het aangevraagde visum af te geven. Betreffende de tussenvordering: aangezien de beschikking in kort geding bij voorraad uitvoerbaar is en op straffe van een dwangsom is uitgesproken, heeft [de eiser] een studentenvisum gekregen. Hij betoogt dat hij zich, na de afgifte van dat visum, daadwerkelijk heeft laten inschrijven in de landbouwhogeschool in La Reid waar hij de lessen heeft gevolgd en in januari examens heeft afgelegd [...]. Hij is bijgevolg van oordeel dat [de verweerder] een beoordelingsfout heeft begaan en dat hij op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is, zodat hij, om zijn fout te herstellen, veroordeeld moet worden om de eiser zijn aangevatte studies te laten voortzetten. Ook al zou [de verweerder] de toestand verkeerd hebben beoordeeld, dan nog zou de aangevoerde fout slechts kunnen leiden tot toekenning van schadevergoeding voor de geleden schade. Zij kan echter [de eiser] niet het subjectieve recht verlenen om op basis van een studentenvisum in België te blijven en er voort te studeren. Schadevergoeding wordt trouwens niet gevorderd. Ook al kon de motivering van de beslissing die het visum weigert in de ogen [van de eiser] ontoereikend zijn, dan nog levert een ontoereikende motivering op zich geen fout op. De motivering heeft betrekking op concrete feiten die ruimte kunnen laten voor een bepaalde beoordeling van de werkelijkheid van de aan te vatten studies. Tot slot bestaat er een beroepsinstantie, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die een onwettige of onregelmatige administratieve beslissing kan wijzigen, en waarbij [de eiser] zijn zaak niet aanhangig heeft gemaakt. Daaruit volgt dat er hier geen sprake kan zijn van een fout [van de verweerder]."

Grieven

Eerste onderdeel

I. Artikel 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt:

"Wanneer de aanvraag tot het bekomen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen, moet die machtiging toegekend worden indien de betrokkene zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen en indien hij de hiernavolgende documenten overlegt:

1° een attest afgegeven door een onderwijsinstelling overeenkomstig artikel 59;

2° het bewijs dat hij voldoende middelen van bestaan bezit;

3° een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet aangetast is door een der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten of gebreken;

4° een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene niet veroordeeld is geweest wegens misdaden of wanbedrijven van gemeen recht, wanneer hij ouder is dan 21 jaar.

Bij ontstentenis van een getuigschrift als bedoeld onder 3° en 4° van het eerste lid, kan de Minister of diens gemachtigde niettemin, rekening houdende met de omstandigheden, de vreemdeling machtigen in België te verblijven om er te studeren. De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in uitvoering van artikel 9, tweede lid."

Artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, van de wet, waarnaar artikel 58 aldus verwijst, heeft betrekking op vier categorieën vreemdelingen die door de met de grenscontrole belaste overheden kunnen worden teruggedreven, zijnde: 5° de vreemdeling die ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staat in de Staten die partij zijn bij de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen; 6° de vreemdeling die door de Minister, op eensluidend advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen, geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden; 7° de vreemdeling die door de Minister of diens gemachtigde geacht wordt de openbare rust, de openbare orde of de veiligheid van het land te kunnen schaden; 8° de vreemdeling die sedert minder dan tien jaar uit het Rijk werd teruggewezen of uitgezet, zo de maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken.

Uit het onderlinge verband tussen die bepalingen volgt dat de diplomatieke of consulaire overheden geen inreisvisum kunnen weigeren aan de vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend om in België studies in het hoger onderwijs voort zetten wanneer die vreemdeling 1. de vier in artikel 58 bedoelde documenten overlegt en 2. zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen.

De in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen stemmen overeen met, ofwel, met op zichzelf objectieve toestanden (sedert minder dan tien jaar te zijn teruggewezen of uitgezet, zo de maatregel niet werd opgeschort of ingetrokken), ofwel met toestanden die volgen uit een ten dele discretionaire beslissing van een andere dan de Belgische of diplomatieke of consulaire overheden waarbij de aanvraag is ingediend (zijnde de overheden die met het signalement zijn belast, als bedoeld in 5°, of de Minister of diens gemachtigde, als bedoeld in 6° en 7°).

Evenwel kan een administratieve overheid slechts geacht worden een discretionaire bevoegdheid te hebben wanneer zij zelf beschikt over een beoordelingsvrijheid op grond waarvan zij, binnen de perken van de wet, de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent zelf kan bepalen en, naar opportuniteit, de oplossing kan kiezen die haar het meest geschikt lijkt.

Daarentegen, wanneer de overheid een duidelijke beslissing moet nemen wanneer aan bepaalde in de wet voorgeschreven voorwaarden is voldaan, waaronder het al dan niet nemen door een andere overheid aan een bepaalde maatregel, vormt het al dan niet bestaan van die voorafgaande maatregel op zichzelf een objectieve voorwaarde die niet als gevolg kan hebben dat de bevoegdheid van de overheid die de latere beslissing moet nemen daardoor discretionaire kenmerken zou vertonen.

Ten aanzien van de diplomatieke of consulaire overheid die de op grond van artikel 58 van de wet van 15 december ingediende aanvraag ontvangt, vormt de beslissing of de ontstentenis van beslissing van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, van die wet bedoelde overheden een extern objectief bestanddeel en verkrijgt die diplomatieke of consulaire overheid geen enkele beoordelingsbevoegdheid, naar opportuniteit inzake de afgifte van het studentenvisum.

De bevoegdheid van de in voornoemd artikel 58 bedoelde diplomatieke of consulaire overheid is bijgevolg volledig gebonden.

De niet-discretionaire aard van de in artikel 58 bedoelde beslissing wordt bevestigd door het feit dat de wet de diplomatieke of consulaire overheid geen enkele bevoegdheid toekent om de aanvrager te onderwerpen aan een ondervraging, een test of enig onderzoek teneinde na te gaan of hij daadwerkelijk in België studies in het hoger onderwijs wil voortzetten. Ten overvloede: de wil van de eiser om in België hoger onderwijs te volgen is geen gegeven met betrekking waartoe een administratieve overheid een opportuniteitsbeoordeling zou kunnen hebben. Ook al wordt aangenomen dat die wil niet blijkt uit de loutere overlegging van de vier in artikel 58 van de wet bedoelde documenten, dan nog kan de verplichting voor de vreemdeling-aanvrager om die wil te bewijzen, geen discretionaire kenmerken verlenen aan de bevoegdheid van de met de afgifte van het visum belaste overheid. Het feit dat er een bijzondere en externe feitelijke omstandigheid moet worden aan-getoond, doet niets af aan het gebonden karakter van die bevoegdheid.

II. Uit de voornoemde redenen blijkt dat het arrest, wanneer het zegt dat de rechtscolleges van de rechtelijke orde geen rechtsmacht hebben om recht te doen op de hoofdvordering die ertoe strekt aan de eiser, bij voorraad en wegens hoogdringendheid, een studentenvisum te doen afgeven, uitsluitend op de reden steunt dat "[de eiser] [...] geen enkel subjectief recht [heeft] op het verkrijgen van een aangevraagd studentenvisum", aangezien, "de Belgische Staat, wanneer hij uitspraak doet over een op artikel 58 van de wet van 15 december gegronde aanvraag van een vreemdeling, geen gebonden bevoegdheid heeft maar over een beoordelingsmarge beschikt".

Het arrest wijst eisers tussenvordering af op grond van de overweging dat een "ontoereikende motivering op zich geen fout op[levert]" aangezien zij "betrekking [heeft] op concrete feiten die ruimte laten voor een bepaalde beoordeling van de werkelijkheid van de aan te vatten studies".

Kortom, zowel de verwerping van de oorspronkelijke vordering als de verwerping van de tussenvordering steunen op de voorafgaande overweging van het arrest volgens welke de bevoegdheid die is toegekend aan de staatsoverheid (zijnde de diplomatieke of consulaire overheden) die uitspraak moeten doen over de op grond van artikel 58 van de wet ingestelde aanvragen, geen gebonden bevoegdheid is maar een op zijn minst ten dele discretionaire bevoegdheid.

Het arrest dat de hoofdvordering en de tussenvordering verwerpt op grond van een dergelijke uitlegging van artikel 58 van de wet, miskent de draagwijdte van die wetsbepaling, in onderling verband met artikel 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, van de wet, aangezien uit de bewoordingen van die twee artikelen volgt dat de diplomatie of consulaire overheden die kennisnemen van een op grond van artikel 58 ingestelde aanvraag, een studentenvisum moeten afgeven aan de vreemdeling-aanvrager, en daarbij geen enkele opportuniteitsbeoordeling mogen maken over de gegrondheid van de aanvraag, maar zich uitsluitend moeten houden aan de in de wet uitdrukkelijk bepaalde voorwaarden, namelijk a) dat de vreemdeling de vier in artikel 58, eerste lid, bedoelde documenten overlegt en b) zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, en 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).

Subsidiair: het arrest dat de hoofdvordering en de tussenvordering verwerpt op grond van de voornoemde uitlegging van de artikelen 58 en 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, van de wet, miskent de draagwijdte van die wetsbepalingen waaruit blijkt dat de diplomatieke of consulaire overheden die kennisnemen van een op grond van artikel 58 ingestelde aanvraag, het studentenvisum aan de vreemdeling-aanvrager moeten afgeven indien hij a) de vier in artikel 58, eerste lid, bedoelde documenten overlegt, b) zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen, en c) zijn wil aantoont om in België studies in het hoger onderwijs voort te zetten, waarbij het bewijs van dat feitelijk gegeven niet kan worden onderworpen aan een opportuniteitsbeoordeling door de administratieve overheid, wier bevoegdheid volledig gebonden is (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, en 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).

Tweede onderdeel

I. Krachtens artikel 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Krachtens artikel 145 van de Grondwet behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzon-deringen.

Luidens artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de recht-bank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Met toepassing van artikel 602, 2°, van dat wetboek neemt het hof van beroep kennis van het hoger beroep tegen uitspraken in eerste aanleg gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Artikel 39/1, § 1, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, bepaalt dat er een Raad voor Vreemdelin-genbetwistingen is, verder "De Raad" genoemd; De Raad is een administratief rechtscollege en is als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Krachtens artikel 39/2, § 1, doet de Raad uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Artikel 39/2, § 2, bepaalt dat de Raad uitspraak doet, bij wijze van arresten, als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht.

Luidens artikel 39/82, § 1, kan de Raad, wanneer een akte van een administratieve overheid vatbaar is voor vernietiging krachtens artikel 39/2, als enige de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan bevelen. Volgens artikel 39/82, § 2, kan de schorsing van de tenuitvoerlegging alleen worden bevolen als ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte kunnen verantwoorden en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Artikel 39/82, § 3, bepaalt: "Behoudens in het geval van uiterst dringende noodzakelijkheid moeten in één en dezelfde akte zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld.

In het opschrift van het verzoekschrift dient te worden vermeld dat hetzij een beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld, hetzij een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring. Is aan deze pleegvorm niet voldaan, dan wordt het verzoekschrift geacht enkel een beroep tot nietigverklaring te bevatten.

Eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, is een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk, onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald als hiervoor."

Ten slotte bepaalt artikel 39/84, eerste lid, dat, wanneer bij de Raad overeenkomstig artikel 39/82 een vordering tot schorsing van een akte aanhangig wordt gemaakt, hij als enige, bij voorraad en onder de in artikel 39/82, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen kan bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten.

II. De aldus aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkende bevoegdheden tot annulatie of tot schorsing van de administratieve beslissingen met individuele draagwijdte die genomen zijn met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, doen geenszins afbreuk aan de rechtsmacht van de rechtscolleges van rechterlijke orde ten aanzien van de betwistingen waarbij een privépersoon een aantasting van zijn subjectieve rechten of van zijn gewettigde belangen door een ongeoorloofde akte van de openbare overheid wil doen herstellen of desgevallend beletten.

Hoewel het bestaan van een in de artikelen 144 of 145 van de Grondwet bedoeld subjectief recht in de regel een gebonden bevoegdheid van de overheid onderstelt, is dat niet het geval wanneer de rechtzoekende klaagt over de schending van een recht of zelfs van een gewoon belang ten gevolge van de foutieve uitoefening door de openbare overheid van de discretionaire bevoegdheid die haar door de wet is erkend.

Hoewel de administratieve overheid die een beslissing neemt krachtens een dis-cretionaire bevoegdheid die haar is toegekend met toepassing van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, over een beoordelingsvrijheid beschikt op grond waarvan zij, binnen de perken van de wet, de wijze waarop zij haar bevoegdheid uitoefent zelf kan bepalen en, naar opportuniteit, de oplossing kan kiezen die haar het meest geschikt lijkt, blijft de rechterlijke macht bevoegd om elke foutieve aantasting van een subjectief recht, ja zelfs van een gewettigd belang, in de uit-oefening van die discretionaire bevoegdheid te voorkomen of te herstellen.

Wanneer geen enkel beroep tot annulatie is ingesteld tegen een individuele beslissing genomen met toepassing van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, hoewel de rechtzoekende aanvoert dat die individuele beslissing een fout oplevert, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkele bevoegdheid om de schorsing van de beslissing, evenmin als de in artikel 39/84 van de wet bedoelde maatregelen te bevelen. In dergelijk geval is enkel de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, of in hoger beroep, het hof van beroep, bevoegd om bij voorraad uitspraak te doen, in gevallen die zij spoedeisend achten, teneinde de administratie-ve overheid de aangepaste maatregelen op te leggen om de schade uit die ver-meende ongeoorloofde akte te voorkomen of te herstellen.

III. Het arrest stelt vast dat de eiser bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing die het visum weigert.

Daaruit volgt dat geen enkel administratief rechtscollege bevoegd was om de geschikte voorlopige maatregelen op te leggen tot voorkoming van de aantasting van eisers rechten of gewettigde belangen door de foutieve uitoefening, door de Belgische diplomatieke overheid, van de haar door artikel 58 van de wet erkende bevoegdheid. De rechter in kort geding was bijgevolg bevoegd om dergelijke maatregelen, bij voorraad en wegens dringende noodzakelijkheid, te bevelen. Daarbij heeft de vraag of de door artikel 58 van de wet aan de diplomatieke overheid erkende bevoegdheid discretionair dan wel gebonden is, geen enkele weerslag op de bevoegdheid, of beter gezegd, op de rechtsmacht van de rechtbanken van de rechterlijke orde.

Bijgevolg kunnen de beide aangevochten beslissingen (zijnde de beslissing van het hof van beroep dat zich onbevoegd verklaart om uitspraak te doen over de oorspronkelijke hoofdvordering, en de verwerping van de tussenvordering) niet naar recht worden verantwoord, noch door de reden dat "de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde" afhangt van de vraag of de verweerder "zich in een toestand van gebonden bevoegdheid bevindt", wat niet het geval is in het kader van artikel 58 van de wet, noch door de reden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevoegde orgaan is "waarbij de eiser zijn zaak niet aanhangig heeft gemaakt".

Het arrest dat de hoofd- en de tussenvordering om de voornoemde redenen verwerpt, schendt de artikelen van de Grondwet, die aan de hoven en rechtbanken de geschillen toewijzen over elk burgerlijk of politiek recht (onder voorbehoud, dat slechts politieke rechten betreft, van de bij de wet gestelde uitzonderingen), en artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, dat aan de rechter in kort geding rechtsmacht toekent om bij voorraad uitspraak te doen in de zaken die hij spoedeisend acht, met name om de aantasting van de subjectieve rechten van een rechtzoekende door de administratieve overheid in de foutieve uitoefening van een gebonden bevoegdheid of van een discretionaire bevoegdheid die haar door de wet is toegekend, te voorkomen of te herstellen (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 144 en 145 van de Grondwet en 584 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, 602, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, en 58 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).

Het arrest dat de hoofd- en de tussenvordering om de voornoemde redenen verwerpt, schendt bovendien de regels betreffende de bevoegdheidsverdeling tussen de rechtscolleges van de rechterlijke orde en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 144 en 145 van de Grondwet, 584 van het Gerechtelijk Wetboek, 39/1, 39/2, 39/82, 39/84 van de wet van 15 december 1980, en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 602, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 3, eerste lid, 5° tot 8°, en 58 van de voornoemde wet 15 december 1980).

Het arrest dat oordeelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een instantie is die "bevoegd is om een onwettige of onregelmatige administratieve beslissing te wijzigen", schendt bovendien de bepalingen van de wet van 15 december 1980 waaruit volgt dat genoemd administratief rechtscollege slechts een bevoegdheid tot annulatie en tot schorsing heeft, die, in geval van vordering tot schorsing, wordt aangevuld met de bevoegdheid om "bij voorraad" de noodzakelijke maatregelen voor de vrijwaring van de rechten van de rechtzoekende op te leggen, en geen enkele bevoegdheid heeft om de bewuste beslissing te wijzigen (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 39/1, 39/2, 39/82 en 39/84 van de wet van 15 december 1980).

Derde onderdeel

I. De rechter in kort geding mengt zich niet in de bevoegdheden van de uitvoerende macht, wanneer hij zich, bij voorraad uitspraak doende in een geval dat hij hoogdringend acht, bevoegd acht om, binnen de perken van zijn opdracht, teneinde een foutieve aantasting door die overheid van de subjectieve, burgerlijke of po-litieke, rechten, die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, te voorkomen of te doen ophouden.

Het arrest heeft bijgevolg niet naar recht kunnen beslissen dat, ook al zou de ver-weerder de toestand van de eiser verkeerd hebben beoordeeld en aldus een fout zou hebben gemaakt in de uitoefening van de hem door artikel 58 van de wet van 15 december 1980 erkende bevoegdheid, "de aangevoerde fout slechts zou kunnen leiden tot toekenning van schadevergoeding" en dat er geen gunstig gevolg kan worden verleend aan de "tussenvordering om de Belgische Staat te doen veroordelen om de eiser ‘zijn aangevatte studies' te laten ‘voortzetten'".

Het arrest dat eisers tussenvordering verwerpt op grond van de voornoemde reden, miskent het beginsel volgens hetwelk elke rechtzoekende recht heeft op het herstel, of indien mogelijk, het voorkomen in natura van de schade ten gevolge van een fout van de openbare overheid (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, in onderling verband met de artikelen 144, 145 en 159 van de Grondwet en 584 van het Gerechtelijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 602, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, 39/1, 39/2, 39/82, 39/84 en 58 van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,).

II. Tot staving van zijn tussenvordering voerde de eiser in zijn aanvullende appelconclusie van 9 februari 2010 aan dat "de gebeurtenissen na de uitspraak van de oorspronkelijke beschikking te volle verantwoorden dat zij wordt behouden. Sinds zijn aankomst eind september 2009 heeft [de eiser] zich immers ingeschreven in het onderwijs waarvoor het visum is aangevraagd [...]; volgt hij daadwerkelijk de kwestieuze lessen [...]; heeft hij zijn examens van januari afgelegd, waarbij hij slechts uitzonderlijk of licht gezakt was.

[De verweerder] kan niet aantonen dat [eisers] gedrag op enigerlei wijze de openbare orde kan schaden.

[De verweerder] heeft een fout en een kennelijke beoordelingsfout begaan waarvoor hij op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is. Hij moet bovendien worden veroordeeld om [de eiser] zijn met succes aangevatte studies te laten voortzetten."

Het arrest verwerpt de tussenvordering die de eiser grondt op de "kennelijke beoordelingsfout" van de diplomatieke of consulaire overheid, en steunt daartoe op de overweging dat ten aanzien van de verweerder geen enkele fout in aanmerking kan worden genomen omdat de door artikel 58 van de wet aan de diplomatieke of consulaire overheden erkende bevoegdheid "betrekking heeft op concrete feiten die ruimte laten voor een bepaalde beoordeling van de werkelijkheid van de aan te vatten studies", en miskent bijgevolg het beginsel volgens hetwelk, naar gelang van het geval, de rechterlijke macht of de administratieve rechtscolleges een marginale toetsing dienen uit te voeren van de kennelijke beoordelingsfout van de uitvoerende macht in de uitoefening van zijn door de wet toegekende discretionaire bevoegdheid (schending van de in de aanhef van het middel vermelde artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek in onderling verband met de artikelen 144, 145 en 159 van de Grondwet en 584 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, van de artikelen 602, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, 3, inzonderheid eerste lid, 5° tot 8°, 39/1, 39/2, 39/82, 39/84 en 58 van de wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen).

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij die ge-grond is op een subjectief recht.

Het bestaan van een dergelijk recht veronderstelt dat de eiser zich kan beroepen op een welbepaalde juridische verplichting die een objectieve rechtsregel recht-streeks aan een derde oplegt en bij de uitvoering waarvan die partij belang heeft.

Een partij kan zich ten aanzien van een administratieve overheid enkel op een dergelijk recht beroepen als de bevoegdheid van die overheid gebonden is.

Krachtens artikel 58 Vreemdelingenwet moet, wanneer de aanvraag tot het ver-krijgen van de machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven bij een Belgische diplomatieke of consulaire post ingediend wordt door een vreemdeling die in België wenst te studeren in het hoger onderwijs of er een voorbereidend jaar tot hoger onderwijs wenst te volgen, die machtiging toegekend worden, met name, indien de betrokkene zich niet bevindt in een der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, bedoelde gevallen.

Volgens artikel 3, eerste lid, 6° en 7°, Vreemdelingenwet kunnen door de met de grenscontrole belaste overheden de vreemdeling terugdrijven, wanneer hij door de minister, op eensluidend advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen, geacht wordt de internationale betrekkingen van België of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, te kunnen schaden, en wanneer hij door de minis-ter of diens gemachtigde geacht wordt de openbare rust, de openbare orde of de veiligheid van het land te kunnen schaden.

De aard van de voorwaarden bedoeld in artikel 3, eerste lid, 6° en 7°, Vreemde-lingenwet leiden ertoe dat aan de Belgische diplomatieke of consulaire post een ten dele discretionaire bevoegdheid wordt toegekend.

Het arrest stelt vast dat "[de eiser] op 16 juni 2009 een aanvraag voor [...] een studentenvisum heeft ingediend op grond van artikel 58 van de wet van 15 decem-ber 1980 en [dat] de ambassade een weigeringsbeslissing heeft genomen".

Het arrest vermeldt, enerzijds, dat "de minister of diens gemachtigde het recht heeft na te gaan [...] of de visumaanvrager werkelijk en concreet de bedoeling heeft in België te studeren" en, anderzijds, dat "artikel 58 uitdrukkelijk verwijst naar artikel 3 [...],dat bepaalt dat een vreemdeling door de met de grenscontrole belaste overheden kan worden teruggedreven, onder meer wegens redenen betref-fende de openbare orde".

Het arrest dat overweegt dat "[de verweerder] voor de afgifte van een studenten-visum, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt [...] om zich ervan te verge-wissen [...] dat de betrokkene zich niet in een van de in artikel 3 bedoelde gevallen bevindt" en dat "uit die wetsbepaling blijkt dat, wanneer [de verweerder] uit-spraak doet over een op artikel 58 van de wet van 15 december 1980 gesteunde aanvraag van een vreemdeling, hij geen volledig gebonden bevoegdheid heeft, maar over een beoordelingsmarge beschikt", verantwoordt naar recht zijn beslis-sing dat "[de eiser] geen enkel subjectief recht heeft op het verkrijgen van een aangevraagd studentenvisum en dat de rechtscolleges van de rechterlijke orde niet bevoegd zijn om zich in de plaats te stellen van de beoordelingsbevoegdheid [van de verweerder] en om hem op te dragen het aangevraagde visum af te geven".

Aangezien die redenen toereikend zijn om die beslissing te staven, kan het onder-deel, in zoverre het opkomt tegen de overweging dat "[de verweerder] voor de afgifte van een studentenvisum, over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om na te gaan [...] of de visumaanvrager werkelijk de bedoeling heeft om in België ho-gere studies te volgen" niet tot cassatie leiden.

Op de tussenvordering stelt het arrest vast dat de eiser "van oordeel is dat [de verweerder] een beoordelingsfout heeft begaan en dat hij op grond van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is, zodat hij, om zijn fout te herstellen, veroordeeld moet worden om de eiser zijn aangevatte studies te laten voortzetten".

Het arrest overweegt dat "hoewel de motivering van de beslissing die het visum weigert [voor de eiser] ontoereikend kon blijken, een ontoereikende motivering op zich geen fout oplevert" en dat "zij betrekking heeft op concrete feiten die ruimte laten voor een bepaalde beoordeling van de werkelijkheid van de aan te vatten studies".

Uit die overwegingen leidt het arrest af dat "er hier geen sprake kan zijn van een fout [van de verweerder]".

In zoverre het onderdeel betoogt dat het arrest de tussenvordering verwerpt op grond van de voorafgaande overweging dat de bevoegdheid die is toegekend aan de administratieve overheden die uitspraak moeten doen over de op grond van ar-tikel 58 Vreemdelingenwet ingediende aanvragen, geen gebonden bevoegdheid maar een op zijn minst ten dele discretionaire bevoegdheid is, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest dat, in zijn uitspraak over de hoofdvordering, zijn beslissing niet grondt op de reden dat "[de eiser] nagelaten heeft de zaak voor te leggen aan [de Raad voor Vreemdelingenbetwis-tingen]", zijn beslissing dat "[de eiser] geen enkel subjectief recht heeft op het verkrijgen van een aangevraagd studentenvisum en dat de rechtscolleges van de rechterlijke orde niet bevoegd zijn om zich in de plaats te stellen van de beoorde-lingsbevoegdheid [van de verweerder] en om hem op te dragen het aangevraagde visum af te geven" naar recht verantwoordt.

Het arrest dat, in zijn uitspraak over de tussenvordering, zijn beslissing niet grondt op de reden dat, "aangezien [de verweerder] zich [niet] in een toestand van ge-bonden bevoegdheid bevindt", "de rechtscolleges van de rechterlijke orde geen rechtsmacht hebben om [hem] op te dragen [...] een studentenvisum af te geven", overweegt dat "er hier geen sprake kan zijn van een fout [van de verweerder]", en zegt bijgevolg niet dat de rechtbanken van de rechterlijke orde geen rechtsmacht hebben om uitspraak te doen over de tussenvordering.

Voor het overige maakt het arrest geen enkele juridische gevolgtrekking uit de overweging dat "de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestaat om een onwet-tige of onregelmatige administratieve beslissing te wijzigen".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

Wanneer de administratieve overheid een beslissing neemt op grond van haar dis-cretionaire bevoegdheid, beschikt zij over een beoordelingsvrijheid die het haar, binnen de perken van de wet, mogelijk maakt om zelf de wijze van uitoefening van haar bevoegdheid te bepalen en de oplossing te kiezen die haar het meest ge-schikt voorkomt.

De rechterlijke macht is bevoegd om elke onrechtmatige aantasting van een sub-jectief recht door de administratieve overheid in de uitoefening van haar discretio-naire bevoegdheid, te voorkomen of te herstellen.

Daarbij mag de rechterlijke macht aan de administratieve overheid haar beleids-vrijheid niet ontnemen noch zich in haar plaats stellen.

Binnen de perken van de wet is die bevoegdheid ook toegekend aan de rechter in kort geding.

Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest, bij zijn uitspraak over de hoofdvordering, naar recht zijn beslissing verantwoordt dat "[de eiser] geen enkel subjectief recht heeft op het verkrijgen van een aangevraagd studen-tenvisum en dat de rechtscolleges van de rechterlijke orde niet bevoegd zijn om zich in de plaats te stellen van de beoordelingsbevoegdheid [van de verweerder] en om hem op te dragen het aangevraagde visum af te geven", aangezien "uit [artikel 3] blijkt dat, wanneer [de verweerder] uitspraak doet over een op artikel 58 van de wet van 15 december 1980 gesteunde aanvraag van een vreemdeling, hij geen volledig gebonden bevoegdheid heeft, maar over een beoordelingsmarge beschikt".

Het arrest verantwoordt bijgevolg, bij zijn uitspraak over de tussenvordering, zijn beslissing dat, "ook al zou [de verweerder] de toestand verkeerd hebben beoor-deeld, dan nog [kan] de aangevoerde fout [...] [de eiser] niet het subjectieve recht verlenen om op basis van een studentenvisum in België te blijven en er voort te studeren".

Voor het overige stelt het arrest vast dat de weigeringsbeslissing "verantwoord wordt door het feit dat uit de bij visumaanvraag ingevulde vragenlijst blijkt dat de betrokkene geen samenhangende verklaring voor zijn studieproject in België kan geven" dat "hij niet kan staven waarom hij kiest voor de afdeling landbouwkunde van de Haute école de la province de Liège" en dat "hij de meeste vragen niet be-antwoordt".

Het arrest dat, bij de uitspraak over de tussenvordering, met betrekking tot "de motivering van de beslissing die het visum weigert", die het aanmerkt als "een on-toereikende motivering", die "op zich geen fout op[levert]", overweegt dat "zij [...] betrekking heeft op concrete feiten die ruimte laten voor een bepaalde beoor-deling van de werkelijkheid van de aan te vatten studies", en uit die overweging afleidt dat "er hier geen sprake kan zijn van een fout [van de verweerder]", laat het Hof toe na te gaan of die "concrete feiten" het gevolg dat het arrest daaruit in rechte afleidt, verantwoordt, meer bepaald of de gevolgtrekking het wettelijk be-grip fout niet miskent.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare te-rechtzitting van 24 januari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koen Mestdagh en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Rechterlijke macht

  • Bevoegdheid