- Arrest van 24 januari 2014

24/01/2014 - C.12.0359.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De beslagrechter moet, in geval van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van een beslissing waarbij een dwangsom wordt opgelegd, uitmaken of de voorwaarden voor de dwangsom vervuld zijn; bij die gelegenheid dient de beslagrechter eventueel de draagwijdte van de beslissing te bepalen maar hij is niet bevoegd om die uit te leggen, als zij onduidelijk of dubbelzinnig is, noch a fortiori, om de inhoud ervan te wijzigen; meer bepaald is hij niet bevoegd om te beslissen dat de dwangsom niet verschuldigd is op grond dat de hoofdveroordeling niet verantwoord was (1). (1) Cass. 2 sept. 2010, AR C.09.0168.F, AC 2010, nr. 492.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0359.F

1. R. I. A.-W. en

2. H. J.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 16 februari 2012 op verwijzing na het arrest van het Hof van 30 november 2007.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 23, 24, 26, 28, 584, eerste lid, 1039, eerste lid, 1385bis, 1385quater, 1395, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest hervormt het beroepen vonnis, verklaart het verzet van de verweerder gegrond tegen het bevel tot betaling van de dwangsommen opgelegd bij de beschikking in kort geding van 25 november 2004, verklaart, bijgevolg, het door de eisers betekende bevel tot betaling nietig en beveelt de opheffing van het door hen gelegde uitvoerend beslag op roerend goed.

Het bestreden arrest beschikt aldus, nadat het op grond van de onderstaande re-denen beslist heeft dat de verweerder zijn veroordeling door de beschikking in kort geding correct heeft uitgevoerd door zich te richten tot de burgemeester van Ukkel in zijn brief van 17 december 2004 waarin hij opdracht geeft een bewijs af te geven van inschrijving in het vreemdelingenregister voor een verlengbare periode van drie maanden:

"Dat [de verweerder] de eerste rechter verwijt geen recht te hebben gedaan op zijn vordering;

Dat de uitvoerende titel bestaat in een beschikking van 25 november 2004 van de rechter in kort geding van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, die op 10 december 2004 [aan de verweerder] werd betekend;

Dat [de verweerder], krachtens voornoemde beschikking, werd veroordeeld om, binnen acht dagen na betekening van deze beschikking, het gemeentebestuur van de verblijfplaats [van de eisers] de instructies te geven teneinde hen overeenkom-stig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004, voor-lopig in te schrijven in het vreemdelingenregister, in afwachting van de beslissing van de Raad van State over het door hen ingediende verzoekschrift tot nietigver-klaring, en om de noodzakelijke documenten voor hun verblijf tijdens dezelfde pe-riode te overhandigen;

Dat [de verweerder] de burgemeester van Ukkel een op 17 december 2004 geda-teerde brief heeft gestuurd die als volgt is gesteld:

‘Hierbij verzoek ik u, na de intrekking van het bevel om het grondgebied te verla-ten, een voorlopige verblijfsvergunning af te geven aan de voornoemde personen ten gevolge van de beslissing in de beschikking van 25 november 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zoals deze werd betekend op 13 december 2004 door de afgifte van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingregister voor een periode van drie maanden onder voorbehoud van alle recht. Dat bewijs van inschrijving in het vreemdelingregister dient de volgende vermelding te bevat-ten: "tijdelijk verblijf". De verlenging ervan zal afhangen van de voorafgaande instemming van mijn diensten';

Dat de uitvoerbare titel, zoals de eerste rechter terecht erop heeft gewezen, [de verweerder] niet heeft opgelegd een individuele administratieve beslissing te ne-men;

Dat [de verweerder] immers enkel werd veroordeeld om instructies te geven aan het territoriaal bevoegde gemeentebestuur;

Dat die instructies een tweevoudig doel hadden:

1° de [eisers] inschrijven in het vreemdelingenregister, overeenkomstig een be-slissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004 en dit, voorlopig, in afwachting van de beslissing van de Raad van State over het door hen ingestelde beroep tot nietigverklaring;

2° [de eisers] de noodzakelijke documenten voor hun verblijf tijdens dezelfde pe-riode te overhandigen;

Dat de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, krachtens artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan op-schorten of ze kan verminderen, en in die context, de blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, kan beoordelen;

Dat de beslagrechter, krachtens artikel 1498, eerste lid, van dat wetboek, evenwel kan kennisnemen van de moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging;

Dat de beslagrechter, enerzijds, de exacte draagwijdte van de uitvoerbare titel moet onderzoeken, en anderzijds, het actueel karakter en de doeltreffendheid nagaan;

Dat de voornoemde brief [van de verweerder] d.d. 17 december 2004 een ver-schrijving bevat die echter geen enkele weerslag heeft op de beslechting van het geschil;

Dat de uitvoerbare titel immers op 10 en niet op 13 december 2004 [aan de ver-weerder] werd betekend;

Dat de [aan de verweerder] door de uitvoerbare titel opgelegde verplichting in de tijd beperkt was;

Dat die beperking in de tijd echter niet vastgesteld kon worden;

Dat het immers niet mogelijk was om op voorhand de exacte datum te kennen van het arrest van de Raad van State over het door de [eisers] ingestelde beroep tot nietigverklaring;

Dat [de verweerder], in zijn voornoemde brief, het gemeentebestuur instructies heeft gegeven die drie maanden geldig waren en uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijke verlenging ervan;

Dat de litigieuze periode in dit geval minder dan drie maanden bedraagt aangezien de uitvoerbare titel en het litigieuze bevel tot betaling respectievelijk op 10 december 2004 en op 26 januari 2005 werden betekend;

Dat die dwangsommen trouwens oplopen tot 13.000 euro, wat overeenstemt met 26 dagen;

Dat er in het dictum van de beschikking in kort geding van 25 november 2004 slechts sprake is van het verblijf;

Dat daarin niets vermeld staat over het ontstaan van een recht op de eventuele uitoefening van enige beroepsactiviteit;

Dat het hof van beroep de redenen overneemt van het arrest van de Raad van State 26 juli 2005 die betrekking hebben op het eerste middel dat de [eisers] aanvoerden tot staving van hun beroep tot nietigverklaring;

Dat het administratief dossier betreffende dat beroep geen enkele beslissing bevatte die de Dienst Vreemdelingenzaken op 25 februari 2004 zou hebben genomen;

Dat de [eisers] niet aanvoeren dat genoemd administratief dossier onvolledig is;

Dat de brief [van de verweerder] van 3 maart 2004 aan volksvertegenwoordiger-burgemeester P. M. hem dus verkeerde informatie bezorgde in zoverre hij melding maakte van een beslissing van 25 februari 2004 ;

Dat de voornoemde brief van 3 maart 2004 geen enkele rechtscheppende admini-stratieve akte bevatte en enkel tot doel had te antwoorden op een vraag om inlich-tingen van een politiek mandataris aan de minister van Binnenlandse Zaken;

Dat de foutieve inlichting in de brief trouwens werd verbeterd in een volgende brief van 18 maart 2004;

Dat de redenen van het voornoemde arrest van 26 juli 2005 weliswaar worden te-gengesproken door de redenen van een vorig arrest van de Raad van State van 2 juni 2004;

Dat de Raad van State in dat andere arrest echter voorlopig uitspraak heeft ge-daan;

Dat het voornoemde arrest van 2 juni 2004 inderdaad betrekking heeft op een be-roep tot schorsing;

Dat de woorden ‘overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004' die worden vermeld in de beschikking in kort geding van 25 november 2004 geen betekenis hebben aangezien aldus wordt verwezen naar een onbestaande beslissing;

Dat uit de bovenstaande overwegingen volgt dat [de verweerder] de tegen hem uitgesproken veroordeling correct heeft uitgevoerd door zijn brief van 17 december 2004 te richten aan de burgemeester van Ukkel;

Dat het beroepen vonnis derhalve gewijzigd moet worden."

Grieven

1. Vast staat dat de rechter in kort geding uitspraak heeft gedaan om de verblijfs-toestand van de eisers voorlopig te regelen na de beslissing van de Raad van State om de gevolgen te schorsen van de beslissingen van 28 april 2004 van de Dienst Vreemdelingenzaken die het door de eisers op grond van artikel 9, oud derde lid, van de wet van 15 december 1980 gevraagde verblijf weigeren en hen bevelen het land te verlaten, en dit in afwachting van de uitspraak van de Raad van State over de tegen de voornoemde beslissingen ingestelde vorderingen tot nietigverklaring.

Het staat eveneens vast dat de oorsprong van die rechtsplegingen voor de Raad van State te vinden was in een geschil over het bestaan van een beslissing van 25 februari 2004 waarin de Dienst Vreemdelingenzaken wel degelijk recht zou hebben gedaan op het verzoek tot machtiging van een verblijf van meer dan drie maanden dat de eisers hadden ingediend op grond van artikel 9, oud derde lid, van de wet van 15 december 1980 (en waarvan tevens sprake is in artikel 12 van die wet).

Ten slotte valt evenmin te betwijfelen dat de partijen voor de rechter in kort geding tegenspraak hebben gevoerd over het belang van het verblijf dat de eisers hebben aangevraagd om in België te kunnen werken en om zodoende in hun behoeften te kunnen voorzien.

2. In de redenen voor het dictum van de beschikking van 25 november 2004 beslist de rechter in kort geding, op grond van het schorsingsarrest van de Raad van State van 2 juni 2004, dat prima facie ervan moet worden uitgegaan dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004 bestaat en dat de eisers, na het schorsingsarrest van de Raad van State, zich lijken te beroepen op de machtiging tot verblijf die hun door die beslissing is toegekend en, bijgevolg, "op grond daarvan, overeenkomstig artikel 12 van de wet van 15 december 1980, te vorderen dat aan de Belgische Staat instructies worden gegeven opdat zij worden ingeschreven in het vreemdelingenregister van de gemeente van hun verblijf-plaats".

Bijgevolg heeft de rechter in kort geding, in het dictum van zijn beschikking van 25 november 2004, de verweerder "om, binnen acht dagen na betekening van deze beschikking, het gemeentebestuur van de verblijfplaats [van de eisers] de in-structies te geven teneinde hen overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004, voorlopig in te schrijven in het vreem-delingenregister, in afwachting van de beslissing van de Raad van State over het door hen ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring, en om de noodzakelijke documenten voor hun verblijf tijdens dezelfde periode te overhandigen".

3. Het wordt niet betwist dat de verweerder, na die beschikking van 25 november 2004, geen instructie gegeven heeft aan de gemeente Ukkel om een verblijfsver-gunning van meer dan drie maanden af te geven in afwachting van het arrest van de Raad van State in de rechtspleging tot nietigverklaring, maar enkel om een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister af te leveren voor een periode van maximum drie maanden verlengbaar mits voorafgaande instemming van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Nochtans beslist het bestreden arrest dat de verweerder "de veroordeling correct heeft uitgevoerd door zich te richten tot de burgemeester van Ukkel in zijn brief van 17 december 2004" en verklaart het dus verweerders verzet gegrond dat hij gedaan had tegen het bevel tot betaling van de dwangsommen wegens het niet voldoen van de beschikking die de eisers hem hadden betekend.

Het bestreden arrest beslist aldus, nadat het had overwogen dat "er in het dictum van de beschikking in kort geding van 25 november 2004 slechts sprake is van het verblijf" en dat er, zoals de Raad van State heeft beslist in zijn arrest van nietig-verklaring, geen beslissing bestaat van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 fe-bruari 2004, zodat "de woorden ‘overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004' die worden vermeld in de beschikking in kort geding van 25 november 2004 geen betekenis hebben aangezien aldus wordt verwezen naar een onbestaande beslissing".

Eerste onderdeel

1. Krachtens de artikelen 1395 en 1494 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de beslagrechter onder meer kennis van betwistingen over de middelen tot tenuit-voerlegging.

In geval van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van een beslissing die een dwangsom uitspreekt, moet de beslagrechter, krachtens artikel 1498 van het Ge-rechtelijk Wetboek, uitmaken of de voorwaarden voor de dwangsom vervuld zijn. Hoewel de beslagrechter kan nagaan of de uitvoerbare titel zijn actueel karakter en, bijgevolg, zijn uitvoerbare werking heeft behouden, moet hij uiteraard het gezag van rechterlijk gewijsde van die uitvoerbare titel eerbiedigen.

2. Luidens artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek betreft het gezag van het rech-terlijk gewijsde hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt.

Krachtens artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak. Luidens artikel 26 van het Gerechtelijk Wetboek blijft het gezag van het rechterlijk gewijsde bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Krachtens artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voor-raad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Artikel 1039, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel toebrengen aan de zaak zelf.

Hoewel uit die bepalingen volgt dat de beslissing in kort geding van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben, zodra de bodemrechter een andersluidende beslis-sing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, volgt daar ook uit dat de beslissing van de rechter in kort geding uitwerking heeft tot aan de andersluidende beslissing van de bodemrechter en zonder dat zij terugwerkende kracht heeft op de beslissing in kort geding.

3. Daaruit volgt dat, wanneer de beschikking in kort geding een partij veroordeelt om iets te doen in afwachting van een beslissing van de bodemrechter, en dit op straffe van een dwangsom, die niet-inachtneming van die beschikking, in beginsel, aanleiding geeft tot de betaling van de dwangsom.

Krachtens artikel 1385bis van het Gerechtelijk Wetboek is de dwangsom een straf voor de partij die haar hoofdveroordeling niet nakomt en zij wordt zij louter we-gens de niet-inachtneming van de hoofdbeslissing opgelegd.

Zij komt, luidens artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkregen.

4. In deze zaak beslist het bestreden arrest dat de verweerder heeft voldaan aan de veroordeling van de beschikking in kort geding die de gemeente Ukkel opdracht gaf een bewijs van inschrijvingsbewijs in het vreemdelingenregister af te geven voor een verlengbare periode van drie maanden en dat de in dezelfde beschikking be-paalde dwangsom hem dus niet kon worden opgelegd.

Het bestreden arrest neemt echter die beslissing, nadat het, op grond van een on-derzoek van het arrest van nietigverklaring dat Raad van State du 26 juli 2005 overwogen heeft dat "de woorden ‘overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004' die worden vermeld in de beschikking in kort geding van 25 november 2004 geen betekenis hebben aangezien aldus wordt verwezen naar een onbestaande beslissing".

Het is nochtans die beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004 die, volgens de redenen van de beschikking in kort geding, die de eisers toe-stond hun inschrijving in het vreemdelingenregister aan te vragen overeenkomstig artikel 12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grond-gebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat wil zeggen een inschrijving op grond van een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden, als bedoeld in het oud artikel 9 van dezelfde wet.

5. Het bestreden arrest dat weigert rechtsgevolgen toe te kennen aan dat wezenlijk bestanddeel van de beschikking in kort geding van 25 november 2004 op grond dat het elke betekenis is kwijtgeraakt als gevolg van de beslissing van de Raad van State in zijn arrest van nietigverklaring van 26 juli 2005, miskent het gezag van het rechterlijk gewijsde die de beschikking had tot op de datum van het arrest van nietigverklaring, en miskent tevens het straffende karakter van de dwangsom die samen met hoofdveroordeling is uitgesproken.

Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 23, 24, 26, 584, eerste lid, 1039, eerste lid, 1385bis, 1385quater en, voor zoveel als nodig, 1395, 1494 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 1385quater van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toekomt aan de partij die de veroordeling heeft ver-kregen en dat die partij de dwangsom kan ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld.

In geval van moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van een beslissing die een dwangsom uitspreekt, staat het aan de beslagrechter, krachtens artikel 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, uit te maken of de voorwaarden voor de dwangsom vervuld zijn.

Daarbij is het mogelijk dat de beslagrechter de draagwijdte van de beslissing moet bepalen maar is hij niet bevoegd om die uit te leggen, als zij onduidelijk of dub-belzinnig is, noch a fortiori, om de inhoud ervan te wijzigen. Meer bepaald is hij niet bevoegd om te beslissen dat de dwangsom niet verschuldigd is op grond dat de hoofdveroordeling niet verantwoord was.

2. Luidens artikel 24 van het Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde vanaf de uitspraak en, krachtens artikel 26 van dat wetboek blijft dat gezag bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt.

Artikel 584, eerste lid, van dat wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Volgens artikel 1039, eerste lid, van dat wetboek brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf.

Uit die bepalingen volgt dat de beslissing in kort geding, zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben.

De beslissing van de bodemrechter heeft evenwel geen terugwerkende kracht op de beslissing in kort geding.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de beschik-king van 25 november 2004 van de rechter in kort geding van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel:

- vermeldt dat de Raad van State in zijn schorsingsarrest van 2 juni 2004 het bestaan heeft aanvaard van een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004, die opdraagt dat een bewijs van inschrijving in het regis-ter van vreemdelingen aan de eisers wordt afgegeven;

- overweegt dat die beslissing van 25 februari 2004 de vordering van de eisers om te worden ingeschreven in het vreemdelingenregister tot er uitspraak zal worden gedaan over het voor de Raad van State hangende verzoekschrift tot nietigverklaring voldoende verantwoordt;

- de verweerder veroordeelt "om, binnen acht dagen na betekening van deze beschikking, het gemeentebestuur van de verblijfplaats [van de eisers] de in-structies te geven teneinde hen overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004, voorlopig in te schrijven in het vreemdelingenregister, in afwachting van de beslissing van de Raad van State over het door hen ingediende verzoekschrift tot nietigverklaring, en om de noodzakelijke documenten voor hun verblijf tijdens dezelfde periode te over-handigen", en veroordeelt de verweerder, "bij niet-uitvoering binnen die termijn, tot een dwangsom van 500 euro per dag vertraging".

Het bestreden arrest zegt dat het bevelschrift van de eisers tot betaling door de verweerder van een dwangsom van 13.000 euro, die volgens de eisers is verbeurd van 10 december 2004 tot 26 januari 2005 wegens niet-uitvoering van de hoofd-veroordeling van de beschikking van 25 november 2004, geen verdere uitwerking heeft, op grond dat:

- het hof van beroep de redenen overneemt van het arrest van de Raad van State van 26 juli 2005 volgens welke de beslissing van de Dienst Vreemdelingen-zaken die op 25 februari 2004 zou zijn genomen, niet bestaat;

- hoewel de redenen van het arrest van 26 juli 2005 worden tegengesproken door de redenen van het eerdere arrest van 2 juni 2004, "de Raad van State in dat andere arrest echter voorlopig uitspraak heeft gedaan";

- "de woorden ‘overeenkomstig de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken van 25 februari 2004' die worden vermeld in de beschikking in kort geding van 25 november 2004 geen betekenis hebben aangezien aldus wordt verwezen naar een onbestaande beslissing";

- "uit de bovenstaande overwegingen volgt dat de verweerder de veroordeling correct heeft uitgevoerd door zich te richten tot de burgemeester van Ukkel in zijn brief van 17 december 2004".

Met die overweging geeft het bestreden arrest aan het voornoemde arrest van 27 juli 2005 van de Raad van State terugwerkende kracht op de beschikking in kort geding van 25 november 2004. Bijgevolg verantwoordt het niet naar recht zijn be-slissing om de opheffing te bevelen van het op 15 maart 2005 ten verzoeke van de eisers ten laste van de verweerder gelegde uitvoerend beslag op roerend goed.

Het onderdeel is gegrond.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare te-rechtzitting van 24 januari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Dwangsom

  • Beslagrechter

  • Bevoegdheid