- Arrest van 27 januari 2014

27/01/2014 - S.12.0108.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bepalingen van artikel 81, §§1 en 2 Arbeidsovereenkomstenwet beletten niet dat vóór het begin van de uitvoering van de proeftermijn een opzegging wordt gegeven met een opzeggingstermijn die in de regel moet in acht genomen worden overeenkomstig artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet; zij laten evenwel niet toe de arbeidsovereenkomst vóór het begin van de uitvoering van de proeftermijn te beëindigen met inachtneming van de in artikel 81 bepaalde verkorte opzeggingstermijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0108.N

L.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

HANS GROHE nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Internationalelaan 55, Buil-ding K,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 17 februari 2012.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 67, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet, zoals hier van toe-passing, kan de arbeidsovereenkomst een beding van proeftijd bevatten.

2. Krachtens artikel 81, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet, zoals hier van toe-passing, kan, onverminderd het te dezen niet van toepassing zijnde artikel 79, de overeenkomst tijdens de proeftijd zonder dringende reden niet eenzijdig worden beëindigd dan met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen. Wanneer dergelijke opzegging tijdens de eerste maand wordt gegeven, heeft de beëindiging ten vroegste uitwerking op de laatste dag van deze maand.

Krachtens artikel 81, § 2, Arbeidsovereenkomstenwet, zoals hier van toepassing, is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder in-achtneming van de opzeggingstermijn gesteld in § 1, gehouden de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon en de voordelen ver-worven krachtens overeenkomst, overeenstemmend met de opzeggingstermijn of het resterende gedeelte ervan, of, wanneer de beëindiging gebeurt tijdens de eerste maand van de proeftijd, met het resterende gedeelte van die maand, vermeerderd met de duur van de opzeggingstermijn.

Artikel 82, § 2 en § 3, Arbeidsovereenkomstenwet, zoals hier van toepassing, be-paalt de opzeggingstermijn, die in de regel moet in acht worden genomen.

3. De voormelde bepalingen van artikel 81 Arbeidsovereenkomstenwet belet-ten niet dat vóór het begin van de uitvoering van de proeftermijn een opzegging wordt gegeven met een opzeggingstermijn die in de regel moet in acht genomen worden overeenkomstig artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet. Zij laten evenwel niet toe de arbeidsovereenkomst vóór het begin van de uitvoering van de proef-termijn te beëindigen met inachtneming van de in artikel 81 bepaalde verkorte op-zeggingstermijn.

Het middel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Verwijst de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 182,46 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 27 januari 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Einde

  • Opzegging voor uitvoering

  • Opzegging

  • Termijn