- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - P.12.1826.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het recht van de verdachte een vertaling te vragen van in het Frans gestelde processen-verbaal impliceert niet dat deze stukken daarom alleen nietig zijn (1). (1) Cass. 14 januari 1997, AR P.97.0005.N, AC 1997, nr. 30.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1826.N

A C J J,

inverdenkinggestelde,

eiser,

tegen

N R,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest oordeelt dat het onderzoek volledig is en dat de eiser geen hoger beroep kan instellen tegen het oordeel van de beroepen beschikking dat er vol-doende bezwaren bestaan. Het verwijst de eiser naar de correctionele rechtbank voor de feiten A1, A2, B, C, D, E, F, H, I.1, I.2, J, K en L en gaat niet in op eisers verzoek de opschorting van de uitspraak te gelasten. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.5 IVBPR, artikel 2, eerste lid, Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 4, § 1 en § 2, en 6, vierde lid, Probatiewet: het arrest antwoordt niet op eisers verweer met betrekking tot de gevraagde opschorting en de kosten; het oordeelt onterecht dat de openbaarheid van het debat noch eisers declassering kan veroorzaken noch zijn reclassering in gevaar kan brengen; de eiser werd meermaals gestraft tijdens het gerechtelijk onderzoek, zonder dat een rechter heeft geoordeeld over schuld of onschuld; de eiser heeft in een conclusie voor de appel-rechters aangevoerd dat er geen of onvoldoende bezwaren zijn ten laste van de ei-ser; het arrest oordeelt onterecht dat er geen hoger beroep mogelijk is tegen het onaantastbaar oordeel van de raadkamer dat de feiten bewezen verklaart en schendt daardoor de aangehaalde bepalingen.

3. Het middel dat geheel gericht is tegen beslissingen van het arrest waartegen het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.b, EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest ant-woordt niet op het in conclusie gevoerde verweer dat de termijn van vijftien dagen voor de zitting dat het dossier ter beschikking wordt gesteld, niet werd nageleefd; deze termijn werd niet nageleefd, zodat artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering wordt geschonden alsmede eisers recht van verdediging, zoals bepaald in artikel 6.3.b, EVRM.

5. Artikel 149 Grondwet en artikel 6 EVRM zijn niet van toepassing op de on-derzoeksgerechten die de rechtspleging regelen en geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering daar die geen vonnis uitspreken in de zin van de vermelde bepalingen.

In zoverre faalt het middel naar recht.

6. Het arrest oordeelt dat de eiser ten onrechte stelt dat hij niet voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging heeft gehad, "vermits hij ter zitting van 23 oktober 2012 al zijn verweermiddelen uitvoerig (78 bladzijden synthesebesluiten) heeft kunnen uiteenzetten".

Aldus beantwoordt het arrest bedoeld verweer en mist het middel in zoverre feite-lijke grondslag.

7. De termijn van vijftien dagen is niet op straffe van nietigheid voorgeschre-ven en het niet-naleven van deze termijn alleen betekent niet dat het recht van verdediging wordt miskend.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Derde middel

Eerste onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 11, 12, 13, 16, 21, 22, 31 tot 37, 40 tot 42 Taalwet Ge-rechtszaken, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest spreekt ten onrechte niet de nietigheid uit van de op-roepingsbrieven van 8 maart 2011, 16 november 2011 en 5 december 2011; het arrest oordeelt ten onrechte dat de in het Frans opgestelde stukken niet moeten worden vertaald naar het Nederlands; aan het verzoekschrift om vertaling te krij-gen van de in het Frans gestelde stukken en dat door de eiser werd ingediend bij het parket te Brussel, werd geen gevolg gegeven; de procedure van de kamer van inbeschuldigingstelling is niet volledig in het Nederlands verlopen en de vordering van het openbaar ministerie is gebaseerd op in het Frans opgestelde stukken; ook het arrest is nietig bij toepassing van artikel 40 Taalwet Gerechtszaken, daar het gebruik maakt van het voorzetsel "à"; het arrest gaat ten onrechte niet in op eisers verzoek de vordering van het openbaar ministerie nietig te verklaren, maar verwijst naar deze vordering; ook de beschikking van de raadkamer werd ten onrechte niet door het arrest nietig verklaard; de klacht met burgerlijke partijstelling van de verweerster en de in het onderdeel opgesomde processen-verbaal zijn opgesteld in het Frans of bevatten passages in het Frans, zonder vertaling; het arrest gaat ten onrechte niet in op eisers verzoek deze stukken nietig te verklaren.

9. In zoverre het onderdeel gericht is tegen de beroepen beschikking van de raadkamer, de vordering van het openbaar ministerie, de akte van burgerlijke par-tijstelling, alsmede het optreden van het openbaar ministerie en de griffie, en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

10. De enkele omstandigheid dat het arrest, dat hier de redenen van de vorde-ring van het openbaar ministerie niet overneemt, melding maakt van die vordering, brengt niet mee dat het daardoor de eventuele onregelmatigheden van die vorde-ring overneemt.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

11. De artikelen 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

12. Het arrest oordeelt dat de bepalingen van de Taalwet Gerechtszaken niet zijn geschonden.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest zich over de door de eiser voor de appelrechters aangevoerde schendingen van deze wet niet uitspreekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.

13. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat in het Frans gestelde processen-verbaal, waarvan de eiser de vertaling kan vragen, daarom alleen nietig zijn, faalt het onderdeel naar recht.

14. Het voorzetsel "à" behoort tot de Nederlandse taal.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest en de beroepen beschikking niet geheel in de Nederlandse taal zijn gesteld omdat het voorzetsel "à" wordt ge-bruikt, mist het eveneens feitelijke grondslag.

15. Een stuk uit de rechtspleging wordt geacht helemaal in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld indien al de vermeldingen die nodig zijn voor zijn re-gelmatigheid in die taal zijn gesteld of wanneer de akte van een aanhaling in een andere taal tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan in de taal van de rechtspleging weergeeft.

16. De enkele omstandigheid dat een akte een plaatsnaam in een andere taal dan deze van de rechtspleging bevat, tast de eentaligheid van de vermeldingen die no-dig zijn voor de regelmatigheid ervan niet aan.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

17. De eiser preciseert niet welke de aanhalingen in de akte van burgerlijke par-tijstelling zijn, waarvan de zakelijke inhoud niet in de taal van de rechtspleging is weergegeven.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

18. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de vordering van het openbaar minis-terie gebaseerd is op in het Frans gestelde stukken, is het niet gericht tegen het ar-rest en bijgevolg evenmin ontvankelijk.

19. Het arrest stelt onaantastbaar vast, zonder dat het middel die authentieke vaststelling van valsheid beticht, dat in de rechtspleging voor de kamer van inbe-schuldigingstelling uitsluitend de Nederlandse taal werd gebruikt.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat de rechtspleging niet volledig in het Neder-lands is verlopen, komt het op tegen die vaststelling en is het bijgevolg niet ont-vankelijk.

20. Artikel 22 Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat iedere verdachte die alleen Nederlands of Duits of een van die talen verstaat kan vorderen dat bij zijn dossier een Nederlandse of een Duitse vertaling wordt gevoegd van de processen-verbaal, de verklaringen van getuigen of klagers en de verslagen van deskundigen die in het Frans zijn gesteld.

Het arrest oordeelt dat "uit het onderzoek (karton V, stukken 15, 16 en 17) blijkt dat het openbaar ministerie terecht het verzoek tot vertaling geweigerd heeft om reden dat [de eiser] de Franse taal machtig is en zich ook vaak zowel mondeling als schriftelijk in het Frans heeft uitgedrukt, zodat zijn verzoek tot vertaling uit-sluitend dilatoire doeleinden heeft".

Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing eisers verzoek om een vertaling te krijgen van deze stukken af te wijzen en is deze be-slissing regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

21. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat een vervallen attest van Selor een meer dan voldoende kennis bewijst van de Franse taal om terdege kennis te kunnen nemen van de stukken; ook de door de procureur des Konings neergelegde certificaten zijn vervallen en vervallen stukken kunnen onmogelijk als geldig bewijsmiddel dienen; het recht van verdediging wordt miskend wanneer de eiser niet kan beschikken over een vertaling in het Nederlands van de in het Frans opgestelde stukken van het strafdossier.

22. Het recht van verdediging wordt niet miskend wanneer de vertaling van in een andere taal opgestelde stukken wordt geweigerd omdat de verdachte over een voldoende kennis van die andere taal beschikt.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

23. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling door de rechter van eisers kennis van de Franse taal of verplicht het tot een onder-zoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betref-fende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, de artikelen 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 11, 12, 13, 16, 21, 22, 31 tot 37, 40 tot 42 Taalwet Gerechtszaken, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest heeft zich niet uitgesproken over eisers verzoeken tot toepassing van de nietigheids-sanctie, bepaald door artikel 40 Taalwet Gerechtszaken; het arrest motiveert niet regelmatig deze afwijzing; uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat de aangestelde psychiater-deskundigen de in het Frans opgestelde stukken van het strafdossier hebben begrepen.

25. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen en geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

De bepalingen van de artikelen 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken.

Krachtens artikel 9 van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 27 oktober 2013 aan deze richtlijn te voldoen. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, had de richtlijn op het ogenblik van de uitspraak van het arrest geen directe werking.

In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

26. In zoverre het onderdeel aanvoert dat uit geen enkel element van het straf-dossier blijkt dat de aangestelde psychiater-deskundigen de in het Frans opgestel-de stukken van het strafdossier hebben begrepen, vereist het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.

27. Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid uit de tevergeefs in het eerste en tweede onderdeel aangevoerde wetsschendingen en bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 67,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Dossier

  • Stukken in een andere taal