- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - P.13.1753.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen voor welke feiten de onderzoeksrechter door de procureur des Konings werd gevorderd en of de vordering op afdoende wijze de te onderzoeken feiten aanwijst; daarbij kan het onderzoeksgerecht rekening houden met de in de vordering opgegeven kwalificaties, dit is de weergave van de feiten in hun wettelijke omschrijving volgens diegene die vordert; de omstandigheid dat de aldus omschreven feiten in hun materieel voorwerp niet nader zijn gepreciseerd, belet het onderzoeksgerecht niet om op grond van andere vermeldingen op de vordering en van de bij deze vordering gevoegde stukken, de werkelijk beoogde feiten te onderzoeken en te verduidelijken (1). (1) Cass. 26 maart 2002, AR P.01.1642.N, AC 2002, nr. 204.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1753.N

I

1. P J C L,

inverdenkinggestelde,

met als raadsman mr. Jan Surmont, advocaat bij de balie te Turnhout,

2. STORG bvba, met zetel te 3530 Houthalen-Helchteren, Peersedijk 3,

inverdenkinggestelde,

3. DE BERGER PROEFBEDRIJF VOOR LANDBOUW EN VEETEELT nv, met zetel te 3670 Meeuwen-Gruitrode, Bullenstraat 13/1,

inverdenkinggestelde,

4. LANDBOUWBEDRIJF DE VALK nv, met zetel te 3530 Houthalen-Helchteren, Peersedijk 3 bus A,

inverdenkinggestelde,

eisers.

II

1. STORG bvba, reeds vermeld,

inverdenkinggestelde,

2. DE BERGER PROEFBEDRIJF VOOR LANDBOUW EN VEETEELT nv, reeds vermeld,

inverdenkinggestelde,

3. LANDBOUWBEDRIJF DE VALK nv, reeds vermeld,

inverdenkinggestelde,

eiseressen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 oktober 2013.

De eiser I.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiseressen I.2, 3 en 4 doen afstand van het cassatieberoep I.

De eiseressen II voeren geen middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart het hoger beroep tegen de beschikking die de eisers I, 1 en II buiten vervolging stelt voor verschillende telastleggingen niet ontvankelijk. De eisers hebben geen belang op te komen tegen die beslissing.

2. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser I.1, in zoverre het betrek-king heeft op het bestaan van bezwaren, en de hogere beroepen van de eiseressen II, in zoverre zij voor de raadkamer geen conclusie hebben neergelegd, niet ont-vankelijk omdat aldus niet is voldaan aan de bij artikel 135, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalde ontvankelijkheidsvoorwaarden.

In zoverre zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk.

Middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 28bis, § 2, 47, 56 en 235bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, alsme-de miskenning van het rechtsbeginsel van het recht van verdediging en "de regels van eerlijke en behoorlijke procesvoering":

- het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter aan de hand van de bij de vordering gevoegde stukken kon uitmaken voor welke concrete en in tijd en ruimte bepaalbare misdrijven het gerechtelijk onderzoek was gevorderd; die vordering bevat echter slechts een algemene verwijzing naar kwalificaties en laat niet toe uit te maken op welke concrete feiten zij betrekking heeft; de bij de vordering gevoegde stukken kunnen dat euvel niet goedmaken omdat zij niet in de plaats van de in de vordering vermelde feiten kunnen worden gesteld;

- het arrest oordeelt ten onrechte dat bij de vordering tot gerechtelijk onderzoek 32 bijlagen waren gevoegd op grond waarvan de onderzoeksrechter zijn saisine kon bepalen; evenwel kan uit geen enkel stuk van het strafdossier noch uit de redenen die het arrest aanhaalt, het bewijs worden afgeleid dat die stukken ef-fectief bij de vordering waren gevoegd;

- het arrest verklaart ten onrechte het gerechtelijk onderzoek niet nietig en de strafvordering niet onontvankelijk omdat er bij de vordering tot dat onderzoek geen inventaris van de aangehechte stukken was gevoegd;

- het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter niet was gevat met een proactief onderzoek, wat nochtans blijkt uit de door de eiser bij conclusie aangevoerde gegevens en uit het kantschrift van de onderzoeksrechter waarmee hij aan de Mestbank vroeg welke inbreuken zij heeft vastgesteld.

4. Het staat aan het onderzoeksgerecht te oordelen voor welke feiten de onder-zoeksrechter door de procureur des Konings werd gevorderd en of de vordering op afdoende wijze de te onderzoeken feiten aanwijst. Daarbij kan het onder-zoeksgerecht rekening houden met de in de vordering opgegeven kwalificaties, dit is de weergave van de feiten in hun wettelijke omschrijving volgens diegene die vordert. De omstandigheid dat de aldus omschreven feiten in hun materieel voorwerp niet nader zijn gepreciseerd, belet het onderzoeksgerecht niet om op grond van andere vermeldingen op de vordering en van de bij deze vordering ge-voegde stukken, de werkelijk beoogde feiten te onderzoeken en te verduidelijken.

5. Het arrest stelt vast en oordeelt onaantastbaar:

"De vordering van de procureur des Konings vermeldde de tenlasteleggingen (valsheid in geschrifte en gebruik, inbreuken tegen het mestdecreet van 23.01.1991 en inbreuken tegen het milieuvergunningsdecreet) en verwees uitdrukkelijk naar de bijgevoegde stukken. Die stukken betreffen vaststellingen lastens [de eisers] met betrekking tot mogelijke inbreuken op het milieuvergunningsdecreet en het mestdecreet, alsmede processen-verbaal [...] van de Mestbank, waarin gewag wordt gemaakt van schriftvervalsing met betrekking tot mestanalyses.

De onderzoeksrechter was aldus in de mogelijkheid de concrete feiten te kennen waarvoor hij werd gelast.

Het ging hierbij om reeds aan het licht gebrachte feiten.

De onderzoeksrechter werd derhalve wel degelijk rechtsgeldig gevat."

Aldus bepaalt het arrest het voorwerp van het gerechtelijk onderzoek niet uitslui-tend op grond van de stukken die bij de vordering tot gerechtelijk onderzoek zijn gevoegd, maar verduidelijkt en preciseert het mede aan de hand van die stukken de in die vordering beoogde feiten. Bijgevolg beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Het staat aan de onderzoeksrechter te onderzoeken welke precieze stukken bij de vordering tot gerechtelijk onderzoek zijn gevoegd. In geval van betwisting oordeelt, naar gelang het geval, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht daar-over in een procedure op tegenspraak. De omstandigheid dat bij de bedoelde stukken geen inventaris is gevoegd, heeft dan ook niet de miskenning van het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde tot gevolg.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie, oordeelt het arrest dat geen enkele wetsbepaling de procureur des Konings verplicht een inventaris op te maken van de stukken die hij voegt aan zijn inlei-dende vordering. Aldus beantwoordt de beslissing eisers verweer en is zij regel-matig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

8. Proactieve recherche bestaat zolang de beschikbare informatie het stadium van het zuiver redelijk vermoeden niet overstijgt en er nood is aan verkennende informatiegaring zoals bedoeld in artikel 28bis, § 2, Wetboek van Strafvordering.

9. Uit de omstandigheid dat de onderzoeksrechter aan de Mestbank informatie heeft gevraagd over het bestaan van tot het bijzonder strafrecht behorende inbreu-ken die blijken uit bepaalde tijdens het onderzoek vastgestelde feiten en die beho-ren tot de specialisatie van die overheidsdienst, volgt niet dat hij gelast werd met een proactieve recherche.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

10. Het middel preciseert niet uit welke andere elementen blijkt dat het onder-zoek niet was gericht op het vergaren van bewijzen over gepleegde misdrijven, maar enkel op het opsporen van strafbare feiten.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

11. Met het hiervoor aangehaalde oordeel verantwoordt het arrest de beslissing dat de onderzoeksrechter niet werd gelast met een proactieve recherche, naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

12. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van feitelijke gegevens door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van fei-ten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verleent de eiseressen I.2, 3 en 4 akte van de afstand van het cassatieberoep I.

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 247,01 euro waarvan op het cassatieberoep I 104,25 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 142,76 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek

  • Vermeldingen op de vordering

  • Verwijzing naar de bijgevoegde stukken

  • Onderzoek van de omvang van de saisine