- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - P.14.0112.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien het door artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet bedoelde verzoekschrift per post wordt toegestuurd, is de aanvangsdatum voor de berekening van de in artikel 27, § 3, tweede lid, bedoelde termijn van vijf dagen, de datum van ontvangst ter griffie van het gerecht dat over het verzoekschrift uitspraak moet doen (1). (1) Zie Cass. 31 december 2013, AR P.13.2062.N, AC 2013, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0112.N

J E G S,

verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, gedetineerd,

eiser.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 7 januari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 27, § 3, Voorlopige Hechtenis-wet: er is geen uitspraak gedaan binnen vijf dagen; het verzoekschrift draagt als stempel "26/12/2013"; het verzoekschrift is geadresseerd "Hof van Beroep Gent"; het parket bij het hof van beroep te Gent heeft de taak de termijnen te laten eerbiedigen, maar ze zeker ook zelf te eerbiedigen.

2. Artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet bepaalt:

"Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en het wordt er ingeschreven in het register vermeld in artikel 21, § 2.

Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijf dagen na de neer-legging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.

Indien er binnen de termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig ar-tikel 32, geen uitspraak over het verzoekschrift is gedaan, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.

De beslissing tot verwerping wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid."

3. Indien het door artikel 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet bedoelde verzoek-schrift per post wordt toegestuurd, is de aanvangsdatum voor de berekening van de in artikel 27, § 3, tweede lid, bedoelde termijn van vijf dagen, de datum van ontvangst ter griffie van het gerecht dat over het verzoekschrift uitspraak moet doen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers ver-zoekschrift werd ontvangen ter griffie van het hof van beroep op 2 januari 2014. De appelrechters die over zijn verzoekschrift op 7 januari 2014 uitspraak doen, respecteren dan ook de door artikel 27, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet voorgeschreven termijn.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert aan dat de Voorlopige Hechteniswet niet vereist dat er een effectieve hechtenis is of moet worden uitgesproken; de eiser zit wel degelijk in voorlopige hechtenis en dit tot een rechter de vervolging of de uitvoering staakt en het specialiteitsbeginsel in België wordt erkend en geëerbiedigd; het is mogelijk dat de uitspraak definitief is, maar niet de uitvoering; de eiser heeft verzet en ho-ger beroep ingesteld tegen de uitspraak omdat deze uitspraak niet mag worden uitgevoerd.

6. Artikel 27, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat:

- in correctionele zaken een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling kan worden ingediend wanneer bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis;

- de voorlopige invrijheidstelling ook kan worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na een veroordeling uitgesproken bevel tot on-middellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend.

7. Uit die bepalingen volgt dat indien het vonnis of arrest waartegen hoger be-roep, verzet of cassatieberoep is aangetekend niet tot een vrijheidsstraf heeft ver-oordeeld, de betrokkene geen door artikel 27 Voorlopige Hechteniswet bedoeld verzoekschrift kan indienen.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 18, § 1 en 27, § 3, Voorlopige Hechteniswet: het arrest werd niet betekend binnen de door artikel 18, § 1, Voorlopige Hechteniswet voorgeschreven termijn van vierentwintig uren; als gevolg van de laattijdige betekening op 10 januari 2014 moet de eiser in vrijheid worden gesteld.

9. De verplichting tot betekening van het arrest van de correctionele kamer van het hof van beroep dat op grond van artikel 27, § 1, 2°, Voorlopige Hechteniswet uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, wordt geregeld door artikel 31, § 1, Voorlopige Hechteniswet. Die bepaling schrijft voor dat een arrest waarbij de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, binnen vierentwintig uren aan de verdachte moet worden betekend in de vorm bepaald in artikel 18 Voorlopige Hechteniswet.

Deze termijn van vierentwintig uren om te betekenen heeft geen ander doel dan de termijn voor het cassatieberoep te doen ingaan en de niet-naleving ervan brengt geen sanctie mee.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Vierde middel

10. Het middel voert aan dat de ambtenaren van de kamer van inbeschuldiging-stelling bevoegd zijn om bij toepassing van de artikelen 155 en 156 Strafwetboek de wederrechtelijke vrijheidsberoving vast te stellen en te doen ophouden.

11. Het middel voert geen grieven aan tegen het arrest.

Het middel is niet ontvankelijk.

Vijfde middel

12. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 1, Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest antwoordt niet in overeenstemming met deze bepaling, die noch-tans van toepassing is; bovendien kunnen de feiten niet meer bestraft worden met een straf van meer dan één jaar.

13. De appelrechters die eisers verzoek afwijzen omdat met het vonnis van de correctionele rechtbank van Dendermonde van 12 januari 2000 aan de eiser geen effectieve vrijheidsstraf werd opgelegd, dienden hun beslissing niet overeenkom-stig artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet te motiveren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lie-vens, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verzoekschrift toegestuurd per post

  • Termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan

  • Aanvangsdatum