- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - P.14.0128.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling kan kennis nemen van het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die oordeelt dat de bevolen voorlopige hechtenis in de gevangenis verder uitgevoerd wordt door een hechtenis onder elektronisch toezicht; de kamer van inbeschuldigingstelling wiens rechtsmacht voortvloeit uit de devolutieve werking van het hoger beroep, heeft inzake voorlopige hechtenis dezelfde bevoegdheden als deze van de raadkamer (1). (1) De eiser in cassatie betwistte de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om de uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis van de eiser te wijzigen. De raadkamer had beslist tot uitvoering van de voorlopige hechtenis onder het stelsel van het elektronisch toezicht. Het Openbaar Ministerie stelde tegen deze beschikking hoger beroep in. Volgens de eiser kon de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 30 Voorlopige Hechteniswet niet oordelen over de uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis omdat dit niet expliciet in artikel 30 wordt vermeld. Het cassatiemiddel berust op een onjuiste lezing van deze wetsbepaling. Artikel 30 bepaalt dat de partijen hoger beroep kunnen instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 21, 22 en 22bis. Die artikelen betreffen de voorlopige hechtenis, de handhaving ervan en de uitvoeringsmodaliteiten daarbij. Nu artikel 30 in globo verwijst naar de artikelen in verband met de bevoegdheid van de raadkamer om te beslissen over de voorlopige hechtenis en haar uitvoeringsmodaliteiten is de kamer van inbeschuldigingstelling, ingevolge het devolutief karakter van het hoger beroep, ook bevoegd om zich uit te spreken over de uitvoeringsmodaliteiten. De wetgever hoefde dat in artikel 30 Voorlopige Hechteniswet dus niet uitdrukkelijk te vermelden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0128.N

A R A,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadslieden mr. Jef Vermassen en mr. Renaud Vercaemst, advocaten bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 januari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 30, § 4, Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest wijzigt de uitvoeringsmodaliteit van de aanhouding terwijl de ka-mer van inbeschuldigingstelling daar niet voor bevoegd is.

2. Krachtens artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, oordeelt, zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onder-zoek niet is afgesloten, de raadkamer van maand tot maand over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan.

Krachtens artikel 30, § 1, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet, kunnen de ver-dachte, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 21, 22, 22bis en 28.

1. Krachtens artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, doet het ge-recht dat over het hoger beroep beslist, uitspraak rekening houdend met de om-standigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22, 22bis en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrij-heidsbeneming op voor een maand te rekenen van de beslissing, of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld te-gen de bij artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking.

2. Uit deze bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling kennis kan nemen van het hoger beroep tegen een beschikking van de raadkamer die oor-deelt dat de bevolen voorlopige hechtenis in de gevangenis verder uitgevoerd wordt door een hechtenis onder elektronisch toezicht. De kamer van inbeschuldi-gingstelling wiens rechtsmacht voortvloeit uit de devolutieve werking van het ho-ger beroep, heeft inzake voorlopige hechtenis dezelfde bevoegdheden als deze van de raadkamer.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel

3. Het middel voert miskenning aan van het vereiste belang: het arrest oordeelt onwettig dat het openbaar ministerie belang heeft om hoger beroep aan te tekenen tegen de handhaving van de voorlopige hechtenis, aangezien de hechtenis onder elektronisch toezicht ook een vorm van detentie is.

4. De uitvoeringsmodaliteit van de voorlopige hechtenis in de gevangenis dan wel onder elektronisch toezicht behoort tot het algemeen belang.

Daar het hoger beroep van het openbaar ministerie het algemeen belang betreft, is dit hoger beroep gericht tegen dergelijke beslissing bijgevolg ontvankelijk.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, eerste en tweede lid, 21, § 4 en § 5 en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet, alsmede misken-ning van de motiveringsplicht om te antwoorden op een regelmatig neergelegde conclusie: het arrest bevat niet de redenen die in deze fase van de rechtspleging noodzakelijk zijn voor de verlenging van de hechtenis van de eiser, terwijl een ge-actualiseerd, nauwkeurig en geïndividualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak noodzakelijk is om te kunnen antwoorden op de vraag of het openbaar be-lang gebaat is bij de voortzetting van de hechtenis; het arrest antwoordt niet op het verweer dat de voorlopige hechtenis niet langer volstrekt noodzakelijk is.

6. Krachtens de artikelen 16, 22 en 30 Voorlopige Hechteniswet moeten de onderzoeksgerechten die de voorlopige hechtenis handhaven, nagaan of er ernsti-ge aanwijzingen van schuld blijven bestaan en melding maken van de feitelijke omstandigheden van de zaak en van die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de hechtenis volstrekt noodzakelijk maken voor de openbare veiligheid. Krachtens artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, moet de rechter antwoorden op de conclusies van de partijen.

7. Het arrest (p. 2-3) oordeelt: "De ernstige aanwijzingen van schuld werden reeds bij herhaling beoordeeld, en laatst in het arrest van 5 december 2013.

Die aanwijzingen zijn nog steeds actueel en worden niet ontkracht door de argu-mentatie die door [de eiser] in besluiten wordt ontwikkeld, met uitzondering van de tenlastelegging witwassen, die in het ontwerp van eindvordering van het federaal parket niet in hoofde van verdachte wordt weerhouden.

Het onderzoek kent een normaal verloop. De duur van de voorlopige hechtenis is tot op heden niet onverantwoord gelet op de complexiteit van het onderzoek met meerdere verdachten en internationale bindingen.

Het onderzoek blijkt thans in een eindfase, maar de gegevens vervat in het bevel tot aanhouding met betrekking tot de omstandigheden van de zaak en de persoon-lijkheid van de verdachte blijven bestaan en maken nog steeds een ernstig gevaar voor de openbare veiligheid uit.

Ook de gevaren op recidive, collusie en op het laten verdwijnen van bewijzen, zoals vervat in het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 5 december 2013, blijven actueel en kunnen niet worden ondervangen door de handhaving van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht of door detentievervangende maatregelen op te leggen."

8. Met die redenen doet het arrest een geactualiseerd, nauwkeurig en geïndivi-dualiseerd onderzoek van de gegevens van de zaak, grondt het zijn beslissing op feitelijke omstandigheden van de zaak en omstandigheden die eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, antwoordt het op het in het middel vermeld verweer en is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Wijziging van de uitvoeringsmodaliteit

  • Bevoegdheid