- Arrest van 28 januari 2014

28/01/2014 - P.12.1776.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer ter rechtvaardiging van doodslag, verwondingen of slagen, wettige verdediging wordt aangevoerd, oordeelt de rechter in feite, mitsdien onaantastbaar over de ernst en de actualiteit van de onrechtmatige aanranding alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdende met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben (1). (1) Cass. 12 juni 2002, AR P.02.0358.F, AC 2002, nr. 353; Cass. 19 april 2006, AR P.06.0018.F, AC 2006, nr. 221 met concl. van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1776.N

P M D W,

beklaagde en burgerlijke partij,

eiser,

met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

1. L H A M,

beklaagde en burgerlijke partij,

met als raadslieden mr. Jef Vermassen en mr. Renaud Vercaemst, advocaten bij de balie te Dendermonde,

2. S M,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 25 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 1 niet ontvankelijk.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 416 Strafwetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest heeft ten onrechte aangenomen dat de verweerder 1 uit wettige verdediging van de ver-weerder 2 heeft gehandeld; het heeft nagelaten om alle toepassingsvoorwaarden van de rechtvaardigingsgrond te motiveren; het oordeelt onterecht dat er een aan-val was op de verweerder 2 en dat aan het subsidiariteitsbeginsel was voldaan; het onderzoekt daarbij niet of de verweerder 1 nog in de mogelijkheid was te vluch-ten; evenmin onderzoekt het arrest of er nog sprake was van een aanval dan wel of deze reeds voorbij was; het is duidelijk dat de verweerder 1 niet handelde uit wet-tige verdediging van zichzelf of de verweerder 2, doch louter uit wraak.

3. Artikel 416 Strafwetboek bepaalt: "Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en slagen geboden zijn door de ogenblik-kelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander."

Wanneer ter rechtvaardiging wettige verdediging wordt aangevoerd, oordeelt de rechter in feite, mitsdien onaantastbaar over de ernst en de actualiteit van de on-rechtmatige aanranding alsook over de noodzaak en de evenredigheid van het verweer, op grond van de feitelijke omstandigheden en rekening houdende met de reacties die de aangerande persoon redelijk kon of moest hebben.

4. Het arrest (p. 9) oordeelt dat:

- de aan de verweerder 2 toegebrachte slagen en verwondingen relatief ernstig waren;

- er, gelet op de houding van de eiser, wel degelijk sprake was van een ernstige en wederrechtelijke aanval op de persoon van de verweerder 2, waardoor de slagen en verwondingen die de verweerder 1 toebracht aan de eiser, gerecht-vaardigd waren daar ze geboden waren door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van de verweerder 2;

- het feit dat de verweerder 1 hierbij gebruik maakte van een houten stok, die hij toevallig bij de hand had, niet betekent dat het verweer onevenredig zou zijn geweest, ook al was de eiser ongewapend.

Aldus verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de door de verweerder 1 aan de eiser opzettelijk toegebrachte slagen en verwondingen ge-rechtvaardigd zijn en is deze beslissing regelmatig met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Voor het overige voert het middel formeel een motiveringsgebrek aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen de beoordeling der feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

P. Hoet L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Wettige verdediging

  • Begrip

  • Beoordeling door de rechter