- Arrest van 29 januari 2014

29/01/2014 - P.14.0041.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Reeds door regelmatig te verblijven in het land waar hij zal verblijven nadat hij het nationaal grondgebied heeft verlaten, wordt de in voorlopige vrijheid gestelde veroordeelde geacht het gedeelte van de straf dat hij op dat ogenblik nog moet ondergaan, buiten de gevangenis uit te zitten.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0041.F

V. D.,

Mr. Marc Nève, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Bergen van 19 december 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Frédéric Close heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel in zijn geheel

Het vonnis beslist de voorlopige invrijheidstelling niet toe te kennen aangezien bij gebrek aan een nieuw gegeven de eerder gemaakte overwegingen inzake tegen-aanwijzingen met betrekking tot de mogelijkheden op huisvesting op korte termijn blijven gelden. Het oordeelt immers dat, hoewel de veroordeelde het recht heeft om als burger van de Europese Unie gedurende drie maanden in Frankrijk te ver-blijven, zijn verdere huisvesting onzeker blijft, aangezien hem in dat land geen verblijfsrecht is toegekend.

De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een uitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf die de strafuitvoeringsrechtbank moet toekennen wanneer voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 26, § 2, en 47, § 2, Wet Strafuitvoering.

Reeds door zijn regelmatig verblijf in het land waar hij zal verblijven na het na-tionaal grondgebied te hebben verlaten, wordt de in voorlopige vrijheid gestelde veroordeelde geacht het gedeelte van de straf dat hij op dat ogenblik nog moet ondergaan, buiten de gevangenis uit te zitten.

Om die reden stelt artikel 47, § 2, 1°, de vrijlating afhankelijk van de voorwaarde dat de veroordeelde over de mogelijkheid beschikt om een onderdak te hebben in het land waarnaar hij wordt verwijderd. Met hetzelfde doel vereist artikel 55, 2°, dat het vonnis tot toekenning het vast adres vermeldt waar de veroordeelde zal verblijven. Bij verandering van verblijfplaats moet hij zijn nieuw adres onverwijld doorgeven aan het openbaar ministerie, aangezien de miskenning van die ver-plichting, met toepassing van artikel 64, 5°, met een herroeping van de voorlopige invrijheidstelling kan worden bestraft.

De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt in feite en dus onaantastbaar over het be-staan van elke wettelijke tegenaanwijzing voor de toekenning van een strafuitvoe-ringsmodaliteit. Wanneer het de tegenaanwijzing betreft inzake de mogelijkheden voor de veroordeelde om een onderdak te hebben, gaat het Hof van Cassatie al-leen na of de strafuitvoeringsrechtbank uit haar vaststellingen de onmogelijkheid heeft kunnen afleiden om een onderdak te hebben dat voldoende waarborg biedt om op doeltreffende wijze haar beslissing uit te voeren tot het verstrijken van de proeftijd bepaald in artikel 71.

In zoverre het eerste onderdeel de rechtbank verwijt iets aan de wet te hebben toe-gevoegd, door te eisen dat de veroordeelde moet aantonen dat hij een bestendig onderdak kan hebben, faalt het naar recht. Zoals hierboven uiteengezet wordt dat criterium afgeleid uit de economie van de wet en maakt het dus deel uit van de criteria waarop de rechters hun beoordeling hebben kunnen gronden.

Het tweede onderdeel voert aan dat het tegenstrijdig is om, enerzijds, vast te stel-len dat de eiser heeft verklaard zich naar Frankrijk te willen begeven bij zijn vriendin en, anderzijds, te oordelen dat er tegenaanwijzingen blijven bestaan be-treffende de mogelijkheden tot huisvesting op korte termijn.

Het aldus aangevoerde motiveringsgebrek komt echter alleen uit een onjuiste uit-legging van het vonnis voort. Volgens de rechtbank ligt de tegenaanwijzing im-mers niet in het feit dat de eiser geen onderdak in het buitenland zou hebben op het ogenblik van zijn voorlopige invrijheidstelling, maar wel in het feit dat dit on-derdak niet lang genoeg gewaarborgd is voor de goede tenuitvoerlegging van de strafuitvoeringsmodaliteit.

Het tweede onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

Het middel voert aan dat de rechtbank, door, "voor zover nodig, de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek [tot vrijlating met het oog op verwijdering van het grondgebied] kan indienen, in september 2014 vast te stellen", het recht van verdediging van de eiser miskent doordat hij die nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit pas zal kunnen aanvragen enkele dagen vóór de datum waarop hij zijn straf volledig in de gevangenis zal hebben uitgezeten.

Uit de artikelen 50, § 1, en 57 Wet Strafuitvoering, zoals gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, volgt dat het vonnis van niet-toekenning van een voorlopige in-vrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied de datum moet vermelden waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen en dat die termijn maximaal een jaar bedraagt, te rekenen van dat vonnis, wanneer het, zoals te dezen, een criminele straf betreft.

De strafuitvoeringsrechtbank is discretionair bevoegd om die datum binnen de wettelijke grenzen vast te stellen.

De rechtbank, die de datum waarop een nieuw verzoek kan worden ingediend vaststelt binnen het jaar "voor zover nodig", met andere woorden ingeval de eiser het nog nodig zou achten, verantwoordt haar beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 29 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Luc Van hoogen-bemt en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Vrijheidsstraffen

  • Voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied

  • Voorwaarden

  • Mogelijkheid voor de veroordeelde om een onderdak te hebben