- Arrest van 30 januari 2014

30/01/2014 - C.12.0305.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een titel van erkenning in de zin van artikel 695 van het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk om een gebruiksrecht te vestigen in de vorm van een erfdienstbaarheid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0305.N

VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE RESIDENTIE EGO, met zetel te 8400 Oostende, Léon Spilliaertstraat 13, met als syndicus Hubert La-byt Vastgoedadvies bvba, met zetel te 8400 Oostende, Luxemburgstraat 2, bus 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

IMMO AND INVEST DEWULF nv, met zetel te 8400 Oostende, Groendreef 12,

verweerster.

I. BESTREDEN BESLISSING

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 15 februari 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de par-tijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridi-sche omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aange-voerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting op-werpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij en-kel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.

2. Wanneer de partijen de feiten aanvoeren waarop zij hun vordering laten steunen, zonder daarbij enige rechtsgrond aan te geven, miskent de rechter die op die feiten een rechtsgrond toepast zonder de partijen toe te laten daarover tegen-spraak te voeren, hun recht van verdediging niet.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de verweerster ter ondersteuning van haar vordering tot vernietiging van de be-slissing over agendapunt 610 van de algemene vergadering van de residentie EGO aanvoerde dat zij een gebruiksrecht had op de binnenkoer krachtens de basisakte/reglement van mede-eigendom of minstens op grond van verkrijgende verjaring; zij bepaalt echter niet krachtens welke rechtsgrond of wetsbepaling zij dat gebruiksrecht heeft verworven;

- de eiseres aanvoerde dat de verweerster geen gebruiksrecht op de binnenkoer heeft behalve dan als manoeuvreerruimte en doorgang naar de garages, hetgeen zonder voorwerp is geworden aangezien zij de garages zelf heeft gesuppri-meerd;

- dat de eiseres tevens aanvoerde dat het niet bewezen is dat de verweerster de binnenkoer reeds meer dan 20 jaar als parkeerplaats zou gebruiken.

4. De appelrechters stellen onder meer vast dat van het reglement van mede-eigendom (p. 13) volgende clausule bevat: "alhoewel de koer met de manoeu-vreerruimte voor de wagens, de doorrit naar de Karel Janssenslaan en de gara-gepoorten zelf gemene delen zijn om de homogeniteit en de uniformiteit in het ge-bouw als architecturaal te benadrukken en maximaal te verzekeren, zullen de kos-ten van onderhoud, reiniging, herstelling en vervanging van deze gemene delen met inbegrip van de eventuele overdekking van de koerruimte uitsluitend ten laste komen respectievelijk van de vier garages op de koer (voor wat betreft de koer-ruimte en doorrit met bijbehoren en poorten) of van de garage aan de Karel Jans-senslaan (voor wat deze garagepoort betreft)".

5. De appelrechters oordelen dat:

- uit het reglement van mede-eigendom blijkt dat aan de verweerster als eigenaar van de handelsuitbating een conventioneel recht werd toegekend tot overdek-king van de koerruimte;

- alle mede-eigenaars van de residentie bij de ondertekening van de verkoop-overeenkomsten met bijgevoegd reglement van mede-eigendom akkoord zijn gegaan met de machtiging die aan de verweerster verleend werd om als eige-naar van de handelsuitbating en de garages nummer één tot vier over te gaan tot het aanpassen van de garages, de manoeuvreerruimte en de uitrit en tot het overdekken van de koerruimte;

- door de wilsverklaring van de mede-eigenaars overeenkomstig artikel 693 Burgerlijk Wetboek aan de verweerster een recht van gebruik van de binnen-koer werd toegekend en dat overeenkomstig artikel 695 Burgerlijk Wetboek thans geen sprake is van verkrijging door verjaring doch van vestiging door er-kenning.

6. De appelrechters geven aldus te kennen dat het reglement van mede-eigendom aan de verweerster een gebruiksrecht op de binnenkoer verleent in de vorm van een erfdienstbaarheid.

De appelrechters die aldus opteren voor de kwalificatie van het gebruiksrecht als erfdienstbaarheid en niet als een recht van gebruik in de zin van artikel 625 Bur-gerlijk Wetboek, miskennen het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verde-diging niet.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

7. Anders dan het onderdeel aanvoert, steunen de appelrechters hun beslissing niet op de omstandigheid dat de verweerster de binnenkoer reeds meer dan 20 jaar gebruikt.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

8. De appelrechters die het gebruiksrecht steunen op het reglement van mede-eigendom, waarvan de draagwijdte in het debat was, steunen hun beslissing niet op feiten die uit eigen wetenschap werden aangevoerd.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

9. Artikel 695 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ten aanzien van erfdienstbaar-heden die niet door verjaring kunnen worden verkregen, de titel van vestiging van erfdienstbaarheid slechts kan worden vervangen door een titel van erkenning van de erfdienstbaarheid, uitgaande van de eigenaar van het dienstbare erf.

Anders dan het onderdeel aanvoert, kan een gebruiksrecht van een binnenkoer ge-vestigd worden als een conventionele erfdienstbaarheid van gebruik.

In zoverre het onderdeel aanvoert dat een titel van erkenning in de zin van artikel 695 Burgerlijk Wetboek het niet mogelijk maakt om een gebruiksrecht te vestigen in de vorm van een erfdienstbaarheid, faalt het naar recht.

Derde onderdeel

10. De appelrechters oordelen niet dat het gebruiksrecht dat aan de verweerster werd toegekend, een recht van gebruik uitmaakt in de zin van artikel 625 Burger-lijk Wetboek.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 908,86 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 30 januari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens G. Jocqué

B. Deconinck A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Gebruiksrecht

  • Vestiging

  • Titel van erkenning