- Arrest van 30 januari 2014

30/01/2014 - C.11.0429.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de overgangsbepalingen van artikel 42, §2, eerste en tweede lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding volgt de wil van de wetgever om in de lopende procedures van de onmiddellijke toepassing van deze wet af te wijken, zodat zowel de echtscheidingsgronden van de artikelen 229, 231 en 232 (oud) Burgerlijk Wetboek als de vroegere regeling inzake de onderhoudsuitkering van toepassing blijven voor de echtscheidingsprocedures ingeleid voor de inwerkingtreding van deze wet op 1 september 2007 en waarover geen eindvonnis is uitgesproken; de oude bepalingen blijven van toepassing op de hele procedure, met inbegrip van de tegenvordering die werd ingesteld na de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007; de omstandigheid dat de echtscheiding werd uitgesproken op een tegenvordering die werd ingesteld na 1 september 2007 en die werd beoordeeld overeenkomstig het nieuwe recht, heeft niet tot gevolg dat de hoofdvordering tot echtscheiding die werd ingesteld onder vigeur van het oude recht zonder voorwerp wordt, noch dat die eiser het belang verliest om de onderhoudsuitkering te doen vaststellen volgens de oude bepalingen (1). (1) Zie o.m. ook Cass. 11 sept. 2008, AR C.08.0088.F, AC 2008, nr. 466, en Cass. 8 maart 2010, AR C.08.0550.F, AC 2010, nr. 160, evenals Cass. 5 maart 2009, AR C. 07.0126.F, AC 2009, nr.172.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0429.N

E.D.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

F.D.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 mei 2010.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding die onder meer de in de artikelen 229, 231 en 232 (oud) Burgerlijk Wetboek be-paalde echtscheidingsgronden opheft en de regeling inzake onderhoudsuitkerin-gen van artikel 301 (oud) Burgerlijk Wetboek wijzigt, bepaalt in artikel 42, § 2, eerste lid, dat de vroegere artikelen 229, 231 en 232 van toepassing blijven op de procedures van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, die zijn ingeleid voor de inwerkingtreding van die wet en waarvoor geen eindvonnis is uitgesproken en in artikel 42, § 2, tweede lid dat het recht op levensonderhoud na echtscheiding bepaald blijft door de vroegere artikelen 301, 306, 307 en 307bis Burgerlijk Wet-boek, onverminderd het bepaalde in § 3 en § 5.

2. Uit deze overgangsbepalingen volgt de wil van de wetgever om in de lopen-de procedures van de onmiddellijke toepassing van de wet van 27 april 2007 af te wijken, zodat zowel de echtscheidingsgronden van de artikelen 229, 231 en 232 (oud) Burgerlijk Wetboek als de vroegere regeling inzake de onderhoudsuitkering van toepassing blijven voor de echtscheidingsprocedures ingeleid voor de inwer-kingtreding van deze wet op 1 september 2007 en waarover geen eindvonnis is uitgesproken.

De oude bepalingen blijven van toepassing op de hele procedure, met inbegrip van de tegenvordering die werd ingesteld na de inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007.

3. De omstandigheid dat de echtscheiding werd uitgesproken op een tegenvor-dering die werd ingesteld na 1 september 2007 en die werd beoordeeld overeen-komstig het nieuwe recht, heeft niet tot gevolg dat de hoofdvordering tot echt-scheiding die werd ingesteld onder vigeur van het oude recht zonder voorwerp wordt, noch dat die eiser het belang verliest om de onderhoudsuitkering te doen vaststellen volgens de oude bepalingen.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiseres de verweerder heeft gedagvaard in echtscheiding op grond van de artikelen 229 en 231(oud) Burgerlijk Wetboek en bij tussenvonnis van 1 okto-ber 2007 tot getuigenverhoor werd gemachtigd;

- de verweerder, na inwerkingtreding van de wet van 27 april 2007, een tegen-vordering in echtscheiding formuleerde op grond van artikel 229, § 3 (nieuw) Burgerlijk Wetboek;

- de echtscheiding uitgesproken werd op die tegenvordering bij tussenvonnis van 3 november 2008 en de behandeling van de hoofd- en nevenvordering in voort-zetting werd gesteld;

- het vonnis van 12 januari 2009 tevens de hoofdvordering van de eiseres ge-grond verklaarde op grond van de oude regeling, terwijl tevens een uitkering na echtscheiding werd toegekend.

5. De appelrechters stellen vervolgens vast dat het tussenvonnis aan de eiseres werd betekend op 14 november 2008.

Zij oordelen:

- ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk van de partijen op basis van een nieuwe -schuldloze- echtscheidingsgrond (artikel 229, § 3, Burgerlijk Wet-boek) is de oorspronkelijke echtscheidingsvordering van de verweerder op basis van artikel 229-231 (oud) Burgerlijk Wetboek thans dan ook zonder voorwerp geworden;

- het uitspreken van de echtscheiding op grond van fout kan aan de ontbinding van de huwelijksband door echtscheiding immers niets veranderen noch toe-voegen, omdat ten gevolge van het in kracht van gewijsde getreden echtschei-dingsvonnis op grond van onherstelbare ontwrichting alle gevolgen van deze ontbinding worden beheerst door de nieuwe echtscheidingswet die er de grondslag van vormt;

- ook de op de echtscheidingsvordering geënte nevenvordering van de eiseres om een geïndexeerde onderhoudsuitkering na echtscheiding te verkrijgen op grond van het oude artikel 301 Burgerlijk Wetboek heeft in de gegeven om-standigheden geen voorwerp meer.

6. Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 30 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Nieuwe wet

  • Overgangsbepalingen

  • Toepassing m.b.t. de echtscheidingsgronden en de regeling inzake de onderhoudsuitkering

  • Voorwaarden