- Arrest van 31 januari 2014

31/01/2014 - F.12.0197.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest schendt artikel 351, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, wanneer het beslist dat de aanslag jegens een rijksinwoner ambtshalve kan worden vastgesteld omdat hij geen aangifte heeft gedaan binnen de termijnen bepaald in de artikelen 307 tot 311 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, op grond dat de aangifte van zijn inkomsten in één van de in artikel 305 van hetzelfde wetboek bedoelde inkomstenbelastingen, dat binnen de vereiste termijn is overhandigd, is gedaan op een ander formulier dan dat waarvan het model door de Koning is vastgesteld voor de personenbelasting.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0197.F

C. E.,

Mr. Xavier Thiébaut, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 28 maart 2012.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan, waarvan het eerste gesteld is als volgt.

Geschonden wettelijke bepalingen

- De artikelen 346, eerste lid, en 351, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 10 april 1992, bevestigd bij de wet van 12 juni 1992, waarbij die artikelen zijn gewijzigd door, respectievelijk, de artikelen 65 en 67 van de wet van 6 juli 1994 houdende fiscale bepalingen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest vermeldt dat de [eiser] de aanslag van ambtswege betwist en overweegt dat, "hij, in de onderstelling dat [hij] daadwerkelijk rijksinwoner zou zijn, evenwel een aangifte van de personenbelasting had moeten doen overeenkomstig artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, binnen de in die bepaling vastgestelde termijn" en dat "hij in dat geval de aangifte niet zou hebben gedaan binnen de in die termijn bepaalde termijn, in de zin van artikel 351, tweede lid, van [datzelfde wetboek], en de aanslag jegens hem ambtshalve kon worden vastgesteld".

Het arrest, dat [om de in het middel weergegeven redenen] beslist dat de eiser rijksinwoner was en, in die hoedanigheid, de personenbelasting voor de litigieuze aanslagjaren verschuldigd was, verklaart vervolgens het hoger beroep ongegrond en bevestigt derhalve dat de eiser, voor elk aanslagjaar, een aangifte van de personenbelasting moest indienen overeenkomstig artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 binnen de in die bepaling gestelde termijn en dat de aanslag jegens hem ambtshalve kon worden vastgesteld, op grond "dat hij [die] aangifte niet heeft gedaan binnen de in [het voormelde artikel 308] bepaalde termijn, in de zin van artikel 351, tweede lid, van [datzelfde wetboek]".

Grieven

Krachtens artikel 305, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 zijn belastingplichtigen die aan de personenbelasting, alsook belastingplichtigen die aan de belasting van niet-inwoners zijn onderworpen, gehouden ieder jaar aan de administratie der directe belastingen een aangifte over te leggen in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311.

Krachtens artikel 307, § 1, eerste lid, van dat wetboek wordt de aangifte gedaan op een formulier waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld en dat wordt uitgereikt door de dienst die daartoe door de directeur-generaal van de directe belastingen werd aangewezen.

Artikel 308, § 1, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de belastingplichtigen voor wie op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, de gronden van belastbaarheid inzake personenbelasting of als niet-rijksinwoners inzake belasting van niet-inwoners aanwezig zijn, hun aangifte aan de betrokken dienst moeten doen toekomen binnen de op het formulier aangegeven termijn, die niet korter mag zijn dan een maand te rekenen vanaf de verzending ervan.

Krachtens artikel 346, eerste lid, van hetzelfde wetboek stelt de administratie, indien ze meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen welke de belastingplichtige heeft vermeld in een aangifte die voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311 of van ter uitvoering van artikel 312 genomen bepalingen, dan wel schriftelijk heeft erkend, de belastingplichtige bij een ter post aangetekende brief in kennis van de inkomsten en andere gegevens die zij voornemens is in de plaats te stellen van die welke zijn aangegeven of schriftelijk erkend, en vermeldt zij de redenen die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

Artikel 351, eerste lid, eerste streepje, van hetzelfde wetboek bepaalt dat de admi-nistratie de aanslag ambtshalve kan vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft een aangifte te doen binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311.

Met verwijzing naar het vonnis van de eerste rechter, stelt het arrest vast dat de eiser, voor elk litigieus aanslagjaar, een aangifte van de belasting van niet-inwoners heeft gedaan.

Het arrest overweegt dat de eiser rijksinwoner was en derhalve onderworpen was aan de personenbelasting en niet aan de belasting van niet-inwoners en dat hij een aangifte van de personenbelasting moest doen.

Het arrest heeft uit die overwegingen niet kunnen afleiden dat de eiser de aangifte niet had gedaan binnen de in artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalde termijn, in de zin van artikel 351, eerste lid, en dat, bijgevolg, de aanslag jegens hem ambtshalve kon worden vastgesteld.

Zoals het Hof immers voor recht heeft gezegd in zijn arrest van 27 september 2012 (AR F.11.0106.F en F.11.0114.F, Belgische Staat tegen La Charmille v.z.w.), kan uit de omstandigheid dat een belastingplichtige die onderworpen is aan één van de in artikel 305 bedoelde inkomstenbelastingen, aan de administratie ten onrechte een aangifte heeft teruggezonden die bestemd was voor belastingplichtigen onderworpen aan één van de andere vier in dat artikel beoogde belastingen, niet worden afgeleid dat die aangifte niet voldoet aan die vorm- en termijnvereisten.

Het arrest, dat beslist dat de eiser "de aangifte niet heeft gedaan binnen de in [artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992] bepaalde termijn, in de zin van artikel 351, tweede (lees: eerste) lid, en de aanslag jegens hem dus ambtshalve kon worden vastgesteld", schendt artikel 351, eerste lid, eerste streepje, van [hetzelfde wetboek].

Het arrest beslist ook impliciet maar zeker dat de administratie de wijzigingsprocedure niet hoefde te volgen en schendt derhalve ook artikel 346, eerste lid, van hetzelfde wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Artikel 351, eerste lid, eerste streepje, WIB1992 bepaalt dat de administratie de aanslag ambtshalve kan vestigen op het bedrag van de belastbare inkomsten die zij kan vermoeden op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de belastingplichtige nagelaten heeft een aangifte te doen binnen de ter-mijnen bedoeld in de artikelen 307 tot 311.

Daaruit volgt dat de belastingplichtige die de Belgische belastingadministratie, binnen de vereiste termijn, een aangifte van zijn inkomsten in één van de in artikel 305 van dat wetboek bedoelde inkomstenbelastingen heeft doen toekomen, niet kan worden belast volgens de procedure van de aanslag van ambtswege, tenzij daartoe een andere, in het voormelde artikel 351 opgesomde oorzaak is aange-voerd.

Het arrest grondt zijn beslissing hierop dat, "[de eiser], in de onderstelling dat [hij] daadwerkelijk rijksinwoner zou zijn, een aangifte van de personenbelasting had moeten doen overeenkomstig artikel 308 van het Wetboek van de Inkomsten-belastingen 1992, binnen de in die bepaling bepaalde termijn" en dat "hij in dat geval de aangifte niet zou hebben gedaan binnen de in die termijn bepaalde ter-mijn, in de zin van artikel 351, tweede lid, [lees: eerste lid, eerste streepje] van [datzelfde wetboek], en de aanslag jegens hem ambtshalve kon worden vastge-steld".

Het arrest, dat overweegt dat de aanslag jegens een rijksinwoner ambtshalve kan worden vastgesteld omdat hij geen aangifte heeft gedaan binnen de termijnen be-paald in de artikelen 307 tot 311 WIB1992, op grond dat de aangifte van zijn in-komsten in één van de in artikel 305 van hetzelfde wetboek bedoelde inkomsten-belastingen, dat binnen de vereiste termijn is overhandigd, is gedaan op een ander formulier dan dat waarvan het model door de Koning is vastgesteld voor de per-sonenbelasting, schendt artikel 351, eerste lid, eerste streepje, van dat wetboek.

Het middel is in zoverre gegrond.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Mireille Delange en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 31 januari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aangifte binnen de termijnen

  • Foutief aangifteformulier