- Arrest van 3 februari 2014

03/02/2014 - C.12.0474.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het gezag van gewijsde in strafzaken kleeft alleen aan datgene wat de strafrechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld met betrekking tot het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, met inachtneming van de gronden waarop de strafrechtelijke beslissing noodzakelijkerwijs steunt (1). (1) Zie de concl. O.M. in Pas. 2014 nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0474.F

P&V VERZEKERINGEN cvba,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

LOCADIF bvba,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep gewezen op 23 maart 2012 door de rechtbank van eerste aanleg te Bergen.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 9 oktober 2013 zijn conclusie ter griffie neergelegd.

De zaak werd bij beschikking van 9 oktober 2013 door de eerste voorzitter verwe-zen naar de derde kamer.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

1. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het niet nader bepaalt in hoeverre het bestreden vonnis dat uitspraak doet over de vordering van de verweerster de bewijslast in strafzaken en het vermoeden van onschuld zou miskennen.

2. Het vonnis gewezen op 24 januari 2008 door de correctionele rechtbank te Bergen heeft doen opmerken dat "niet bewezen is dat hij tegen een onaangepaste snelheid reed, [...] dat hij tussen zijn voertuig en zijn voorligger niet voldoende veiligheidsafstand heeft gehouden, [...] verstrooid is geweest, [...] laattijdig ge-remd heeft" of nog "de controle over zijn voertuig zou zijn verloren of zou hebben nagelaten alle maneuvers uit te voeren die hij moest maken", en heeft vervolgens H. Y. vrijgesproken van de tenlastelegging van onopzettelijke slagen en verwon-dingen, met de overweging dat "hij naar alle waarschijnlijkheid bevestigt dat [de verzekerde van de eiseres] plotseling is gaan remmen, zodat niet bewezen is dat hij zou hebben nagelaten te stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien".

Dat vonnis overweegt dat:

- volgens de aanwijzingen gegeven door de verzekerde van de eiseres in verband met haar snelheid "het feit om van een snelheid van 70 kilometer per uur, in de verkeersstroom op de linker rijstrook, tot stilstand te komen", de stelling van de beklaagde "aannemelijk maakt" stelling die overigens "bevestigd wordt door haar zoon".

- de door de andere bij het ongeval betrokken personen aangevoerde elementen "de stelling bevestigen dat de verzekerde van de eiseres plots is gaan remmen, hetgeen een niet te voorziene hindernis bleek te zijn voor de achterliggers".

Door te oordelen dat "de strafrechtbank de stelling van het plotse remmen van de verzekerde van de eiseres [... ] als bewezen acht", geeft het bestreden vonnis aan het strafvonnis geen uitleg die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

3. Het gezag van gewijsde in strafzaken kleeft alleen aan datgene wat de straf-rechter zeker en noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld met betrekking tot het be-staan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, met inachtneming van de gronden waarop de strafrechtelijke beslissing noodzakelijkerwijs steunt.

Door zonder miskenning van de bewijskracht van die akte, te oordelen dat het plotse remmen van de verzekerde van de eiseres werkelijk bewezen geacht werd door het strafvonnis waarin zowel de eiseres en haar verzekerde als de verweerster en de bestuurder van het voertuig dat haar toebehoort partij waren, leidt het be-streden vonnis daaruit wettelijk af, op grond van het gezag van gewijsde in straf-zaken, dat het gebonden is door die vaststelling die de grondslag vormt van de er-kenning door het strafvonnis van het bestaan van een onvoorzienbare hindernis en bijgevolg van de beslissing tot vrijspraak.

4. Het bestreden vonnis oordeelt voor het overige dat "de verweerster, door het aanvoeren van de redenen van het genoemde strafvonnis, op voldoende aan-nemelijke wijze burgerrechtelijk het bewijs levert van de fout van de verzekerde van de eiseres".

Het middel, dat het bestreden vonnis verwijt te oordelen dat het op 24 januari 2008 door de correctionele rechtbank van Bergen gewezen vonnis, de fout van de verzekerde van de eiseres bewezen acht en dat het door die beslissing gebonden is krachtens het gezag van gewijsde in strafzaken, berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis.

Voor zover het middel ontvankelijk is, kan het niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 3 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gezag van gewijsde in strafzaken

  • Later burgerlijk proces

  • Begrip