- Arrest van 3 februari 2014

03/02/2014 - S.12.0077.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Aangezien uit de redenen van het bestreden arrest blijkt dat de werkgever heeft willen aantonen dat het ontslag niet gerechtvaardigd was door de ongeschiktheid van de werknemer maar door 'zijn herhaaldelijke afwezigheden die de werking van de onderneming ontwrichtten', beslist het arrest naar recht om 'op grond van het criterium van de noodwendigheden van de onderneming' te onderzoeken of die afwezigheden 'negatieve gevolgen hebben gehad op de organisatie van de onderneming' (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas. 2014, nr. ...

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0077.F

MASQUELIER nv,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G.M.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Bergen van 8 december 2011.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 16 oktober 2013 een conclusie ter griffie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan die luiden als volgt:

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 63 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

- de artikelen 1134, 1135, 1315, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat het ontslag wegens de talrijke afwezigheden van [de verweerder] willekeurig is en verklaart, met wijziging van de beroepen vonnissen, de oorspronkelijke vordering van laatstgenoemde ontvankelijk en gegrond. Dientengevolge veroordeelt het [de eiseres] om aan [de verweerder] 13.774,50 euro te betalen als vergoeding voor willekeurig ontslag, vermeerderd met de compensatoire wettelijke interest vanaf 2 april 2003 en de gerechtelijke interest, en tot de kosten, op grond van de volgende redenen:

"[de eiseres] beweert dat de herhaaldelijke afwezigheden van [de verweerder] sedert 1993 ‘de organisatie van de onderneming ontwrichtten': ‘[hij] is nooit vervangen geworden en, tijdens zijn afwezigheden, moest zijn arbeid door andere arbeiders worden verricht';

Als die afwezigheden onderzocht worden op grond van het criterium van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, moeten zij bijgevolg overeenstemmen met de noodzakelijke voorwaarde daarvoor: die afwezigheden moeten het ontslag genoodzaakt hebben. De werkgever moet dus de verstoring of de ontwrichting bewijzen (M. Jourdan, 'Le licenciement abusif de l'ouvrier. Evolutions', in Le licenciement abusif, Perspectives de droit social, 2009, 78);

Te dezen is aangetoond dat [de verweerder] sinds 1993 herhaaldelijk om medisch verantwoorde redenen afwezig is geweest (vooral wegens ongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval);

[De eiseres] toont evenwel niet aan op welke wijze die afwezigheden negatieve gevolgen hebben gehad op de organisatie van de onderneming of de dienst. Zij heeft het nergens over het aantal personeelsleden die [de verweerder] konden vervangen, de mogelijke invloed van die afwezigheden op de productiviteit van de machines, de eventuele verplichting voor de andere personeelsleden om bijkomende prestaties te leveren;

[De eiseres] beweert trouwens paradoxaal genoeg dat die afwezigheden de dienst ontwrichtten, terwijl de machines waarop [de verweerder] werkte volgens haar niet veel nut meer hadden en zijn functie weldra zou worden geschrapt;

De andere door de partijen aangevoerde elementen (anciënniteit, tijdskrediet, outplacement, logboekje) hebben geen enkele weerslag op de afloop van het geschil ten aanzien van de redenen die [de eiseres], op wie de bewijslast rust, aanvoert".

Het arrest besluit "dat uit het voorafgaand onderzoek blijkt dat [de eiseres] in gebreke blijft het bij artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet ingevoerde vermoeden om te keren; dat een vergoeding voor willekeurig ontslag verschuldigd is; dat het hoger beroep, voor zover het gericht is tegen het vonnis van 9 juni 2010, bijgevolg gegrond is".

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet wordt onder willekeurig ontslag verstaan het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming.

Bij betwisting ligt de bewijslast bij de werkgever. Niettemin is laatstgenoemde de enige die kan beoordelen of de werknemer geschikt is om de hem toevertrouwde taak uit te voeren. De toetsing van de rechtbank heeft geen betrekking op de juistheid van de beslissing van de werkgever maar op het bestaan van een motief. De toetsing van de rechtscolleges is bijgevolg slechts een marginale toetsing.

Volgens het Hof van Cassatie blijkt uit het ontwerp van artikel 63 dat de regels inzake willekeurig ontslag tot doel hebben elk ontslag wegens "kennelijk onredelijke" redenen te verbieden. Deze beslissing preciseert, zonder haar tegen te spreken, de lering van het arrest van 18 februari 2008, volgens hetwelk de wet geen enkel verband (dat als redelijk of wettelijk kan worden aangemerkt) vereist tussen de geschiktheid van de werkman en zijn ontslag. Daaruit volgt dat een ontslag niet willekeurig is in de zin van die bepaling als het steunt op een reden die verband houdt met de geschiktheid van de werkman, ongeacht de gevolgen van die ongeschiktheid op de organisatie van het werk.

Uit de in het middel aangehaalde redenen erkent het arrest 1. dat de afwezigheden van [de verweerder] de oorsprong vormen van het door [de eiseres] besliste ontslag en 2. dat deze afwezigheden sedert 1993 talrijk waren.

Het arrest beslist niettemin dat het ontslag van [de verweerder] door [de eiseres] willekeurig is, vermits de eiseres niet aantoont dat de afwezigheden van [de verweerder] "negatieve gevolgen" hadden op de organisatie van de onderneming. Die voorwaarde blijkt evenwel geenszins uit artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet.

Het arrest dat [de eiseres] veroordeelt om aan [de verweerder] een vergoeding wegens willekeurig ontslag te betalen bij gebrek aan bewijs van een bij artikel 63 Arbeidsovereenkomstenwet niet vereist element, verantwoordt zijn beslissing ten aanzien van die bepaling bijgevolg niet naar recht.

Tweede onderdeel

Luidens de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek staat het aan de eiser het bewijs te leveren van de elementen die hij aanvoert en hij, bij gebreke daaraan, in het ongelijk gesteld aangezien het bewijslastrisico op hem rust.

Met de in het middel weergegeven redenen verklaart het arrest de oorspronkelijke vordering van [de verweerder] ontvankelijk en gegrond op grond dat [de eiseres] "niet aantoont op welke wijze die afwezigheden negatieve gevolgen hebben gehad op de organisatie van de onderneming of de dienst".

Het arrest stelt zodoende [de eiseres] in het ongelijk bij gebrek aan bewijs van een element dat haar nochtans door geen enkele wettelijke bepaling was opgelegd.

Bijgevolg keert het arrest de bewijslast om (schending van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel

(...)

Tweede onderdeel

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Tweede middel

(...)

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 63, eerste lid, Arbeidsovereenkomstenwet, wordt onder wille-keurige afdanking, voor de toepassing van dit artikel, verstaan, het ontslag van een werkman die is aangeworven voor een onbepaalde tijd, om redenen die geen verband houden met de geschiktheid of het gedrag van de werkman of die niet berusten op de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming, de instelling of de dienst.

Uit de in het tweede middel vergeefs aangevochten redenen van het arrest volgt dat de eiseres wilde aantonen dat het ontslag, niet wegens de ongeschiktheid van de verweerder, maar door zijn "herhaaldelijke afwezigheden die de werking van de onderneming ontwrichtten", gerechtvaardigd was.

Het arrest beslist bijgevolg naar recht om "op grond van het criterium van de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming" te onderzoeken of die afwezigheden "negatieve gevolgen op de organisatie van de onderneming hebben gehad".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Artikel 63, tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat het bij betwisting aan de werkgever behoort het bewijs te leveren van de voor het ontslag aange-voerde redenen.

Die bepaling, die de bewijslast van de redenen voor het ontslag bij de werkgever legt, wijkt in zoverre af van de artikelen 1315 Burgerlijk Wetboek en 870 Gerech-telijk Wetboek.

Het arrest dat, na te hebben vastgesteld dat de eiseres beweert dat het ontslag ge-rechtvaardigd is door de "herhaaldelijke afwezigheden van de verweerder die de onderneming ontwrichtten", de bewijslast van "de negatieve gevolgen" van die afwezigheden "op de organisatie van de onderneming" bij de eiseres legt, schendt geen enkele in het onderdeel bedoelde bepaling.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Mireille Delange en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 3 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Bewijs

  • Bewijslast

  • Werkgever