- Arrest van 3 februari 2014

03/02/2014 - S.11.0103.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De preventieadviseur mag niet op de ondernemingsraad verkozen worden; hij mag niet genieten van de bescherming bepaald bij de artikelen 14 tot 19 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden; de door de werkgever betaalde vergoeding op grond van artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs, wanneer de werkgever de krachtens deze wet voorgeschreven procedures niet heeft gevolgd, is geen vergoeding wegens de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst van personeelsafgevaardigden.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.11.0103.F

PRAYON nv,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 28 januari 2011 van het arbeids-hof te Luik.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 14, § 1 en 2, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- artikel 19, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

- de artikelen 33, 42, 43, 49, 56, 57 en 59 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;

- artikel 16 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;

- de artikelen 14 tot 19 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

- de artikelen 4, 5 en 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs.

Aangevochten beslissingen

Het arrest dat het beroepen vonnis wijzigt, verklaart de vordering van de verweer-der om de eiseres te veroordelen tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen op de aan de heer Van Praet betaalde vergoeding als preventieadviseur, gegrond en wijst bijgevolg de vordering van de eiseres tot terugbetaling van de hiervoor betaalde bijdragen af, vermeerderd met de interest, en veroordeelt haar in de kosten, met alle redenen die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven en in het bijzonder met de volgende redenen:

"Professor Wantiez [...] leidt uit de tekst van artikel 19, § 2 van het Uitvoeringsbesluit RSZ-wet af dat 'de vergoeding die de werkgever moet betalen wanneer hij zijn verplichtingen niet nakomt, vrijgesteld is van sociale zekerheidsbijdragen tenzij die verschuldigd is naar aanleiding van de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst' en, zou men hieraan kunnen toevoegen, ook als deze verschuldigd is naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord.

Vanuit dat wettelijk postulaat, maakt Claude Wantiez twee kanttekeningen bij hetgeen men enerzijds moet verstaan onder 'vergoedingen wegens schending van een wettelijke, contractuele of statutaire verplichting', en anderzijds bedoeld wordt met het begrip ‘door de werkgever verschuldigde vergoedingen wegens de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst'.

In het eerste geval, oordeelt de auteur dat die vergoedingen slaan op de schadevergoeding die de werkgever verschuldigd is voor het nadeel dat hij aan de werknemer heeft berokkend wegens het niet nakomen van zijn verplichtingen, zoals bijvoorbeeld het niet ter beschikking stellen van een bedrijfswagen of van werkinstrumenten, of nog het geval van de werkgever die de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd en de vergoeding niet heeft betaald, vermits in die gevallen geen sociale zekerheidsbijdragen moeten worden betaald.

We zullen verder zien in welke mate de beschermingsvergoedingen die aan de preventieadviseur enerzijds en aan de tijdskredietgerechtigde anderzijds ver-schuldigd zijn al dan niet behoren tot de categorie die vrijgesteld is van sociale zekerheidsbijdragen.

In ‘door de werkgever verschuldigde vergoedingen wegens de onregelmatige beëindiging van de overeenkomst door de werkgever' onderscheidt [...] de auteur drie categorieën vergoedingen:

1) ‘de vergoedingen verschuldigd wegens beëindiging zonder opzegging (of met een onvoldoende opzegging) noch dringende reden van een overeenkomst van onbepaalde duur of wegens de vroegtijdige beëindiging van een overeenkomst van bepaalde duur';

Het staat vast dat die verbrekingsvergoedingen onderworpen zijn aan sociale zekerheidsbijdragen;

2) ‘de vergoedingen verschuldigd in uitvoering van de Wet Ontslagregeling';

Die dogmatische visie bevestigt dat de aan een preventieadviseur verschuldigde be-schermingsvergoeding, overeenkomstig de wet, onderworpen is aan de sociale zekerheid. [...]

De administratieve uitlegging door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

De algemene administratieve instructies voor de werkgevers die gelden voor het eerste kwartaal 2005 [...] bepalen het volgende:

‘De bedragen die aan de werknemer worden toegekend wanneer de dienstbetrekking wordt beëindigd zonder dat de werkgever daarbij zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen naleeft, beantwoorden in beginsel niet aan het loonbegrip. In het bijzonder worden hier bedoeld de bedragen die als schadevergoeding worden betaald en de wettelijke vergoedingen die als aanvulling van de verbrekingsvergoedingen verschuldigd zijn aan bepaalde categorieën van beschermde werknemers (werknemers in loopbaanonderbreking, zwangere vrouwen, ...)'.

Uitlegging van de jurisprudentie

Bij weten van het arbeidshof heeft het Hof van Cassatie zich blijkbaar nog niet moeten uitspreken, op grond van de huidig van kracht zijnde teksten, over de onderwerping aan de sociale zekerheid van de beschermingsvergoedingen voor de preventieadviseur en de tijdskredietgerechtigde wegens een eenzijdige beëindiging of een beëindiging in gemeenschappelijk akkoord van de arbeidsovereenkomst, in soortgelijke omstandigheden.

Zoals hiervoor werd aangegeven, moet een onderscheid gemaakt worden tussen de beschermingsvergoedingen die aan de preventieadviseurs of aan de afgevaardigde in de ondernemingsraad verschuldigd zijn en die welke verschuldigd zijn aan de gerechtigde van een beschermingsvergoeding van het tijdskredietstelsel, wat stof voor interpretatie oplevert.

In het eerste geval is het door de eiseres vermelde arrest van het arbeidshof van 25 april 1980, dat weliswaar geoordeeld heeft dat ‘de bijzondere beschermingsvergoeding geen vervangende opzeggingsvergoeding is die speciaal verhoogd wordt ten voordele van de wettelijk beschermde werknemer en bijgevolg niet is vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen', te dezen niet relevant aangezien die stelling, die overigens conform is aan de toenmalige administratieve instructies, niet meer actueel is sinds de invoering, bij koninklijk besluit van 21 mei 1991, van de beschermingsvergoedingen verschuldigd aan de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen op de lijst van uitzonderingen op de afwijkende regel van voornoemd artikel 19, § 2, 2°, waardoor ‘de door de werkgever aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt' onttrokken worden aan de sociale zeker-heidsbijdragen'.

[...] Artikel 9, 1°, van dat koninklijk besluit van 21 mei 1991 heeft die vergoedingen namelijk ingeschreven onder littera b) van de versie ten tijde van artikel 19, § 2, 2°, van Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, met als gevolg dat zij sinds die datum wel degelijk onderworpen zijn aan de sociale zekerheidsafhoudingen, aangezien die 'uitzondering op de uitzondering' de terugkeer inhoudt naar de algemene regel op de onderwerping van het loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet.

Men weet dat die onderwerping behouden bleef, zoals Cl. Wantiez in zijn studie overigens bevestigt, in de thans van kracht zijnde versie van artikel 19, § 2, 2°, littera b), Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, die betrekking heeft op 'de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden', dat zowel de afgevaardigden in de ondernemingsraad als de afgevaardigden van het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk omvat.

[...] De aan de preventieadviseur verschuldigde vergoeding wegens de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst tijdens de beschermde periode is dus ongeacht de wijze van beëindiging, eenzijdig of in gemeenschappelijk akkoord onder partijen, onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen.

Het debat dat de partijen verdeelt over het eenzijdig of wederzijds karakter van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de heer V. heeft dus geen invloed op de onderwerping van de vergoeding die de eiseres hem heeft gegeven voor de bescherming die hij genoot wegens zijn mandaat van preventieadviseur. Die vergoeding is immers in ieder geval onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen, zowel met toepassing is van littera d) van artikel 9, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, in de veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord werd beëindigd, als met toepassing van littera b), dat specifiek het geval van een eenzijdige beslissing bedoelt'.

Grieven

Krachtens artikel 14, § 1, RSZ-wet worden de bijdragen voor sociale zekerheid in de regel berekend op het loon van de werknemer zoals bepaald bij artikel 2, Loonbeschermingswet. Krachtens artikel 14, § 2, RSZ-wet, kan de Koning het aldus bepaalde begrip beperken.

De Koning heeft die mogelijkheid benut en de aan de werknemer verschuldigde vergoedingen, met toepassing van artikel 19, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, niet als loon aangemerkt wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, en bevestigt aldus de algemene regel dat de beëindigingsvergoedingen niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid.

De sociale zekerheidsbijdragen blijven, bij uitzondering op die afwijking, evenwel verschuldigd in vier gevallen die beperkend worden opgesomd bij artikel 19, § 2, 2°, van voornoemd koninklijk besluit, namelijk de vergoedingen verschuldigd naar aanleiding van de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden [artikel 19, § 2, 2°, b)] en de vergoedingen verschuldigd naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord [artikel 19, § 2, 2°, d)].

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 33, Wet Welzijn Werknemers, is elke werkgever verplicht een Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk op te richten en beschikt hij daartoe over tenminste één preventieadviseur. Die adviseur behoort tot het personeel van de werkgever (artikel 42 van dezelfde wet) en vervult zijn opdracht in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever en de werknemers (artikel 43). Er wordt een comité voor Preventie en Bescherming op het werk ingesteld in al de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld ten minste vijftig werknemers tewerkstellen (artikel 49 van de wet). Het is samengesteld uit afgevaardigden van de werkgever en van het personeel (artikel 56). De preventieadviseur die deel uitmaakt van het personeel kan noch werkgevers-, noch personeelsafgevaardigde zijn (artikel 57). Hij mag dus niet verkozen worden in het comité voor preventie en bescherming op het werk (artikel 59). Krachtens artikel 16 Bedrijfsorganisatiewet kan hij niet verkozen worden in de ondernemingsraad. Hij kan bijgevolg niet genieten van de bescherming bepaald bij de artikelen 14 tot 19, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

De vergoeding die door de werkgever op grond van artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betaald wordt wanneer de werkgever de bij die wet bepaalde procedure niet is nagekomen is bijgevolg geen vergoeding wegens de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor de personeelsafgevaardigden in de zin van artikel 19, § 2, 2°, b), Uitvoeringsbesluit RSZ-wet. Deze wordt bijgevolg geregeld volgens de algemene regel van artikel 19, § 2, 2°, van dat koninklijk besluit die bepaalt dat de beëindigingsvergoedingen niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid.

Het arrest dat beslist dat de door de heer V. betaalde vergoeding "als beschermingsvergoeding wegens zijn mandaat van preventieadviseur, onderworpen" is "aan de sociale zekerheidsbijdragen [met toepassing van littera b) van artikel 19, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet", schendt bijgevolg, de artikelen 14, § 1 en 2, RSZ-wet, 19, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, 33, 42, 43, 49, 56, 57 en 59, Wet Welzijn Werknemers, 16, Bedrijfsorganisatiewet, 14 tot 19, Wet Ontslagregeling Personeelsafvaardiging en 10, van de wet van 20 december 2002.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 14, § 1 en 2, RSZ-wet, worden de bijdragen voor sociale zeker-heid in de regel berekend op grond van het loon van de werknemer zoals bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en het aldus bepaalde begrip kan bij koninklijk besluit worden beperkt.

Volgens artikel 19, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, worden de aan de werk-nemers verschuldigde vergoedingen niet als loon aangemerkt wanneer de werkge-ver zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, met uit-zondering nochtans van de vergoedingen verschuldigd naar aanleiding van de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardig-den en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord.

Uit de artikelen 57 en 59, Wet Welzijn Werknemers, volgt dat de preventieadvi-seur die deel uitmaakt van het personeel noch werkgevers-, noch personeelsafge-vaardigde kan zijn en niet verkozen mag worden in de interne dienst voor preven-tie en bescherming op het werk.

Uit artikel 16, Bedrijfsorganisatiewet volgt dat de preventieadviseur niet mag ver-kozen worden in de ondernemingsraad.

De preventieadviseur mag bijgevolg niet genieten van de bescherming bepaald bij de artikelen 14 tot 19, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden.

Daaruit volgt dat de door de werkgever betaalde vergoeding op grond van artikel 10 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preven-tieadviseurs, wanneer de werkgever de krachtens deze wet voorgeschreven proce-dure niet heeft gevolgd, geen vergoeding is wegens de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst van personeelsafgevaardigden in de zin van artikel 19, § 2, 2°, b), Uitvoeringsbesluit RSZ-wet.

Die vergoeding wordt bijgevolg bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, van dat koninklijk besluit, volgens hetwelk de beëindigingsvergoedingen niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid.

Het arrest dat beslist dat "de vergoeding die aan de heer V. betaald werd voor de bescherming die hij genoot wegens zijn mandaat van preventieadviseur onder-worpen" is "aan de sociale zekerheidsbijdragen [...] met toepassing van littera b), van artikel 19, § 2, 2°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, schendt de voornoemde wets-bepalingen".

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 3 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Preventieadviseur

  • Beschermingsvergoeding

  • Aard